74. Door beproevingen leren om je te onderwerpen
Ik weet nog dat ik op een dag toen mijn zoon zes was, ontdekte dat er achter zijn oor een knobbel zat. Ik ging met hem naar het ziekenhuis en de dokter zei dat het een tumor was, een bepaald soort tumor dat de botten aantast. Het was op dat moment niet levensbedreigend, maar er was geen doeltreffende behandeling. Hij zei dat het erg pijnlijk was, omdat hij elke keer dat het de kop opstak geopereerd moest worden om het aangetaste bot weg te halen. Anders zou zijn leven gevaar lopen. Ik was in shock toen ik de dokter dat hoorde zeggen. Ik was wanhopig. Ik was in die tijd een nieuwe gelovige en omdat ik in God geloofde, vond ik dat Hij mijn toeverlaat zou moeten zijn. Ik spoorde mezelf aan om sterk te blijven in mijn geloof. Ik geloofde dat mijn zoon zeker zou genezen, zolang ik op God steunde. De operatie van mijn zoon slaagde volledig en hij herstelde heel snel. Drie dagen na zijn operatie holde hij al door het gebouw en na een week werd hij ontslagen. Daarna voelde ik me meer gemotiveerd in mijn geloof. Ik accepteerde met plezier elke taak die de kerk me opdroeg, en weer of geen weer, ik deed altijd mijn plicht. Mijn familie begreep het niet en mijn naasten praatten altijd over me achter mijn rug, maar dat trok ik me niet aan. Ik dacht dat ik zeker door God gezegend zou zijn als ik hard bleef werken en me bleef inspannen.
Toen kwam mijn zoon op een dag naar me toe en zei dat hij pijn had in zijn middel. Toen ik zijn van pijn vertrokken gezicht zag, kreeg ik een akelig gevoel. Ik deed meteen zijn shirt omhoog en zag een knobbel op de plek waar het pijn deed. Hij schreeuwde het uit van de pijn toen ik hem zacht aanraakte, en ik wist dat zijn ziekte terug was. Ik haastte me meteen met hem naar het ziekenhuis. Uit onderzoek bleek dat zijn ziekte terug was. Onwillekeurig zag ik hem weer voor me na zijn eerste operatie met overal slangen. Hij zag er zwak uit en ik was vreselijk ongerust. Ik moest er niet aan denken wat hij dit keer zou moeten doorstaan. Als ik bedacht hoeveel hij zou moeten lijden op zo’n jonge leeftijd, was ik zo ongerust dat ik niet kon eten of slapen. Ik wenste met heel mijn hart dat ik zijn ziekte kon overnemen en in zijn plaats kon lijden. Ik kon maar niet begrijpen waarom God niet op mijn gezin had gelet en het had beschermd, hoewel ik altijd zo hard voor Hem had gewerkt sinds ik een gelovige was Diezelfde dag kwam een zuster uit ons dorp me opzoeken, en door haar communicatie besefte ik dat God had toegelaten dat mijn zoon ziek werd. Ik moest bidden en steunen op God. Ik moest getuigenis geven van God, op mijn geloof vertrouwen en sterk blijven in het uitvoeren van mijn plicht. Ik bleef naar bijeenkomsten gaan en stortte me nog meer op mijn plicht. Tijdens de bijeenkomsten vertelde ik broeders en zusters over deze ervaring. Ze bewonderden me om mijn vertrouwen. Toen ik ze me zo hoorde prijzen, was ik er nog zekerder van dat ik getuigenis gaf van God en dat Hij mijn zoon zeker zou zegenen.
Toen kwam de ziekte van mijn zoon voor de vijfde keer terug en de dokter zei dat hij te veel uitbarstingen had, bijna elke zes maanden, en dat het levensbedreigend werd als het zo doorging. Hij stelde chemotherapie en bestraling voor om te zien of dat zou helpen. Toen ik dat hoorde, stortte ik inwendig volkomen in elkaar. Ik had zoveel verdriet dat ik probeerde met God te redeneren: “Ik werk elke dag zo hard, weer of geen weer, en wat voor oordeel of aanvallen ik ook van anderen moet verduren, ik heb God nooit verloochend. Ik bleef mijn plicht doen. Waarom beschermt God mijn zoon niet?” Ook uitte ik allerlei klachten. Ik bleef naar bijeenkomsten gaan en mijn plicht doen, maar mijn hart raakte verder verwijderd van God. Ik merkte dat ik vaak in de ruimte staarde terwijl ik een boek met Gods woorden vastklemde. Ik voelde me echt ellendig. Ik stortte mijn hart uit tegen God: “O God, ik heb nu veel verdriet. Ik weet dat ik U niet de schuld mag geven van de gezondheidsproblemen van mijn zoon, maar ik begrijp niet wat Uw wil is of hoe ik dit moet doorstaan. God, help me om uw wil te begrijpen.” Na mijn gebed dacht ik aan deze woorden van God: “Stel dat God Job had geëlimineerd nadat Job van Hem had getuigd: ook dan zou God rechtvaardig zijn geweest.” Direct daarna vond ik dit gezang van Gods woorden: “Rechtvaardigheid is geenszins eerlijk of redelijk; het is geen egalitarisme, of een kwestie van aan je toewijzen wat je verdient naar gelang van de hoeveelheid werk die je hebt voltooid, of je betalen voor enig werk dat je hebt gedaan, of je geven wat je toekomt aan de hand van de moeite die je doet. Dat is geen rechtvaardigheid. Stel dat God Job had geëlimineerd nadat Job van Hem had getuigd: ook dan zou God rechtvaardig zijn geweest. Waarom wordt dit rechtvaardigheid genoemd? Uit menselijk oogpunt is het, wanneer iets overeenstemt met de opvattingen van mensen, voor hen erg makkelijk om te zeggen dat God rechtvaardig is. Maar als datgene in hun ogen niet in overeenstemming is met hun opvattingen – als het iets is wat ze niet kunnen begrijpen – dan zou het hun moeilijk vallen om te zeggen dat God rechtvaardig is. Gods essentie is rechtvaardigheid. Hoewel het niet eenvoudig te begrijpen is wat Hij doet, is alles wat Hij doet rechtvaardig; het is gewoon zo dat mensen het niet begrijpen. Hoe reageerde Petrus toen God hem aan Satan gaf? ‘De mensheid is niet in staat te doorgronden wat u doet, maar in alles wat u doet is uw goede wil; in alles wat u doet zit rechtvaardigheid. Hoe zou ik geen lof kunnen uiten voor uw wijze daden?’ Alles wat God doet, is rechtvaardig. Hoewel het voor jou misschien ondoorgrondelijk is, moet je niet naar believen oordelen vellen. Als iets wat Hij doet je onredelijk lijkt, of als je er opvattingen over hebt en daardoor zegt dat Hij niet rechtvaardig is, dan ben je uiterst onredelijk. Je ziet dat Petrus sommige dingen onbegrijpelijk vond, maar hij wist zeker dat Gods wijsheid aanwezig was en dat Zijn goede wil in die dingen stak. Mensen kunnen niet alles doorgronden; er zijn zo veel dingen die ze niet kunnen bevatten. Gods gezindheid kennen is daarom echt niet eenvoudig” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, deel drie). Terwijl ik in gedachten Gods woorden van alle kanten bekeek, werd mijn hart verlicht. Gods rechtvaardigheid was niet eerlijk en redelijk of egalitair zoals ik had gedacht, en betekende niet dat je wordt beloond voor je werk en terugkrijgt wat je erin hebt gestopt. Gods daden zijn ondoorgrondelijk voor mensen, maar wat Hij ook doet of hoe Hij iemand ook behandelt, het is altijd rechtvaardig. Dat alles omvat Gods wijsheid. Dat komt doordat Zijn wezen zelf rechtvaardig is. Ik zag in dat ik Gods rechtvaardige gezindheid niet begreep. Ik had het idee dat omdat ik in God geloofde, Hij over me moest waken, en dat omdat ik me voor God uitputte, Hij me in elk opzicht moest vervullen en mijn weg moest effenen. Ik dacht dat mijn hele familie gezegend zou moeten zijn omdat ik in God geloofde. Probeerde ik geen deals te sluiten met God?
Bij deze gedachte sloeg ik mijn boek met Gods woorden op en las deze bladzijde: “Wat je nastreeft is, om vrede te krijgen na in God te geloven, voor je kinderen om vrij te zijn van ziekte, voor je echtgenoot om een goede baan te hebben, voor je zoon om een goede vrouw te vinden, voor je dochter om een fatsoenlijke echtgenoot te vinden, voor je ossen en paarden om het land goed te ploegen, voor een jaar van goed weer voor je gewassen. Dat is wat je zoekt. Jouw streven is alleen om comfortabel te leven, dat er geen ongelukken met je familie gebeuren, dat de wind aan je voorbij trekt, dat je gezicht onaangetast door gruis blijft, dat de gewassen van je familie niet worden overstroomd, dat je niet wordt beïnvloed door rampspoed, om te leven in Gods omhelzing, om te leven in een gezellig nest. Een lafaard zoals jij, die altijd het vlees nastreeft – heb je een hart, heb je een geest? Ben je geen beest? Ik toon je de ware weg zonder iets terug te vragen, maar je streeft het niet na. Ben jij een van degenen die in God geloven? Ik schenk echt menselijk leven aan jou, maar je streeft het niet na. Ben je anders dan een varken of een hond? Varkens streven niet naar het leven van de mens, ze streven er niet naar om gereinigd te worden en ze begrijpen niet wat het leven is. Elke dag slapen ze gewoon na gegeten te hebben. Ik heb je de ware weg getoond, maar je hebt het niet bereikt; je staat met lege handen. Ben je bereid om door te gaan in dit leven, het leven van een varken? Wat is de betekenis van zulke mensen die in leven zijn? Je leven is verachtelijk en onedel, je leeft te midden van vuiligheid en losbandigheid en je streeft geen enkel doel na; is jouw leven niet het meest onedele van allemaal? Heb je het lef om naar God te kijken? Als je op deze manier blijft ervaren, zul je dan niet niets verwerven?” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, De ervaringen van Petrus: zijn kennis van tuchtiging en oordeel). Gods woorden brachten alle motieven en buitenissige verwachtingen die ik in mijn geloof had aan het licht. Niet één van Gods vragen bood me een mogelijkheid om me te verbergen. Achteraf gezien had mijn geloof alleen gediend om zegeningen te krijgen. Als ik me in mijn geloof uitputte voor God dacht ik dat God me zou zegenen met een vreedzaam huiselijk leven en gezondheid voor mijn zoon. Daarom bleef ik mijn plicht doen, hoezeer mijn vrienden en familie me ook belasterden. Toen de ziekte van mijn zoon weer de kop opstak, dacht ik dat God me op de proef stelde om te zien of ik het ware geloof in Hem had. Ik dacht dat als ik het leed aankon en getuigenis gaf van God, Hij me zeker zou zegenen en mijn zoon beter zou worden. Dus toen hij weer ziek werd en zijn leven zelfs in gevaar was, werd mijn hoop op zegeningen en genade in één keer de bodem ingeslagen. Ik begon te klagen en met God te redeneren en verweet God dat Hij oneerlijk was. Ik verloor zelfs mijn motivatie om mijn plicht te doen. Het waren het oordeel en de openbaringen in Gods woorden die me lieten inzien dat ik alleen hard had gewerkt om zegeningen van God te krijgen. Het diende alleen maar om deals te sluiten met God, om God te bedriegen. Geconfronteerd met de werkelijkheid was ik helemaal overtuigd en ik zag in dat God echt heilig en rechtvaardig is. Hij kan in ons hart en onze geest zien. Als deze situaties me niet stuk voor stuk hadden laten inzien dat mijn geloof bezoedeld was en dat ik een verkeerd idee had over mijn streven, zou ik me hebben laten misleiden door mijn eigen uiterlijke goede gedrag. Dan had ik nog steeds gedacht dat ik heel godvruchtig was en getuigenis gaf van God. Ik zag in dat ik mezelf helemaal niet kende.
Later las ik dit in Gods woorden: “Geconfronteerd met de gesteldheid van de mens en de houding van de mens ten opzichte van God, heeft God nieuw werk verricht, waardoor de mens zowel kennis van en gehoorzaamheid aan Hem, en zowel liefde als getuigenis heeft mogen verwerven. Dus moet de mens Gods loutering ervaren, evenals Zijn oordeel, het behandelen en snoeien, zonder welke de mens God nooit zou kennen en nooit in staat zou zijn om echt van Hem te houden en van Hem te getuigen. Gods loutering van de mens is niet alleen omwille van een eenzijdig effect, maar omwille van een veelzijdig effect. Alleen op deze manier doet God het louteringswerk in hen die bereid zijn de waarheid te zoeken, zodat hun vastbeslotenheid en liefde door God worden vervolmaakt. Voor degenen die bereid zijn om de waarheid te zoeken en die naar God hunkeren, is niets betekenisvoller, of van grotere hulp, dan een dergelijke loutering. Gods gezindheid wordt niet zo gemakkelijk gekend of begrepen door de mens, want God is nu eenmaal God. Uiteindelijk is het onmogelijk voor God om dezelfde gezindheid als de mens te hebben en daarom is het niet gemakkelijk voor de mens om Zijn gezindheid te kennen. De mens bezit van nature de waarheid niet en ze wordt niet gemakkelijk begrepen door degenen die door Satan zijn verdorven. De mens is verstoken van de waarheid en verstoken van de vastbeslotenheid om de waarheid in praktijk te brengen, en als hij niet lijdt en niet wordt gelouterd of geoordeeld, dan zal zijn vastbeslotenheid nooit vervolmaakt worden. Voor alle mensen is loutering een foltering en heel moeilijk te accepteren – maar het is tijdens de loutering dat God Zijn rechtvaardige gezindheid aan de mens onthult, Zijn eisen aan de mens bekendmaakt, meer verlichting verschaft en meer praktisch snoeien uitvoert. Door de vergelijking tussen de feiten en de waarheid, verkrijgt de mens meer kennis van zichzelf en de waarheid, en een beter begrip van Gods bedoelingen, waardoor de mens een waarachtigere en zuiverdere liefde voor God kan hebben. Dat zijn Gods doelen bij het uitvoeren van het louteringswerk” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Alleen door het ervaren van loutering kan de mens ware liefde bezitten). Uit Gods woorden begreep ik dat God ons op de proef stelt en loutert en het zo regelt dat we omgevingen vol beproevingen ervaren om ons te ontmaskeren en te reinigen, zodat we de waarheid van onze verdorvenheid door Satan kunnen zien en inzicht kunnen krijgen in onze verdorven gezindheden en de vervalsingen in ons geloof. Dan kunnen we naar de waarheid streven, worden gereinigd en veranderd en tot oprecht geloof in God en onderwerping komen. Uiteindelijk kunnen we worden gered door God. Dat mijn zoon steeds weer ziek werd, bracht mijn motief om zegeningen te verkrijgen helemaal aan het licht. Toen ik nadacht over mezelf zag ik in dat ik alles overwoog wat ik zou kunnen doen om zegeningen van God te krijgen. Ik leek echt enthousiast en gericht op streven, maar daarachter zaten mijn eigen verachtelijke motieven. Ik werd beheerst door Satans kwalijke idee van “Ieder voor zich en God voor ons allen”. Ik dacht eerst aan mijn eigen belangen bij alles wat ik deed en als mijn hoop de bodem werd ingeslagen, verzette ik me tegen God en wilde ik de rekening met Hem vereffenen. Ik liet allerlei lelijke trekken zien. Wat ben ik toch egoïstisch en verachtelijk. Was dat nou vertrouwen in God hebben? Ik verzette me alleen maar tegen Hem en probeerde Hem te bedriegen. Toen ik dat besefte, wierp ik me in gebed neer voor God en zei: “O God, al deze jaren heb ik u bedrogen en hield ik vast aan mijn motieven om zegeningen te krijgen. Ik probeerde telkens weer deals met u te sluiten en was totaal niet oprecht. Ik ben zo egoïstisch en verachtelijk en gespeend van menselijkheid. Ik ben bereid om mijn motieven om zegeningen te krijgen los te laten en mijn zoon in uw handen te leggen en ik onderwerp me aan uw orkestraties en regelingen. Ik zal absoluut niet klagen.” Na dat gebed voelde ik me echt vrij en rustig.
Toen ik een tijdje later de stad uit was voor mijn plicht, belde mijn man me en zei dat de ziekte van onze zoon was uitgezaaid. Hij had tumoren in zijn hoofd, rug en nek. Er was geen hoop meer om het onder controle te krijgen. Ik was een hele tijd volkomen sprakeloos toen ik hem dat hoorde zeggen. Ik kon de gedachte aan hoe mijn zoon eraan toe moest zijn niet verdragen en ik was niet opgewassen tegen hoe de situatie zich had ontwikkeld. Ik riep steeds God weer aan: “O God, ik ben nu zo zwak. Verlicht me alstublieft en help me om uw wil te begrijpen.” Nadat ik had gebeden las ik deze passage in Gods woorden: “Volgens de mens doet God veel wat onbegrijpelijk en zelfs onvoorstelbaar is. Als God iemand wil orkestreren, is deze orkestratie vaak niet overeenkomstig met de noties van de mens en is deze voor de mens onbegrijpelijk. Toch zijn het precies dit niet met elkaar overeenkomen en deze onbegrijpelijkheid die Gods beproeving en test voor de mensheid zijn. Ondertussen was Abraham in staat om onderwerping aan God te tonen, wat de meest fundamentele voorwaarde was voor zijn vermogen om aan Gods vereiste te voldoen. […] Al gebruikt God in andere contexten andere manieren om mensen te testen, God zag in Abraham wat Hij wilde, Hij zag dat Abrahams hart oprecht was en dat zijn gehoorzaamheid precies van het ‘onvoorwaardelijke’ soort was dat God verlangde. Vaak zeggen sommige mensen: ‘Ik heb dit al opgeofferd, ik heb dat al opgegeven, waarom is God nog steeds niet tevreden met mij? Waarom blijft Hij mij aan beproevingen onderwerpen? Waarom blijft Hij mij testen?’ Dit laat één ding zien: God heeft je hart nog niet gezien, en Hij heeft je hart nog niet gewonnen. Dat wil zeggen dat Hij niet het soort ware hart heeft gezien dat Abraham had toen hij in staat was zijn mes op te heffen om zijn zoon met eigen hand te doden en aan God te offeren. Hij heeft jouw onvoorwaardelijke onderwerping aan Hem niet gezien en is niet door jou getroost. Daarom is het natuurlijk dat God jou blijft beproeven” (Het Woord, Deel II, Over het kennen van God, Gods werk, Gods gezindheid en God Zelf II). Ik dacht steeds weer na over deze woorden. Toen Abraham zijn enige zoon offerde aan God had hij zelf geen eisen, noch bepleitte hij zijn zaak. Hij wist zonder eraan te twijfelen dat zijn kind was gegeven door God en dat het juist en gepast was om hem terug te geven zoals God verlangde. Dat was het soort geweten en rede dat een geschapen wezen moest hebben. Hoewel het heel pijnlijk voor hem was, kon hij zich toch onderwerpen aan Gods eisen. Ten slotte nam hij echt het mes op om zijn zoon te doden, waaruit blijkt dat zijn geloof en gehoorzaamheid aan God oprecht waren en een echte proef konden doorstaan. Maar neem mij nou. Ik zei dat ik bereid was me te onderwerpen aan Gods orkestraties en regelingen en mijn zoon aan God te geven, maar in mijn hart hield ik vast aan mijn eigen eisen. Vooral toen ik hoorde dat zijn toestand was verslechterd en niet behandeld kon worden, en ik werd geconfronteerd met het verdriet dat ik hem kon verliezen, ontdekte ik dat ik van binnen eisen stelde. Ik sprak ze niet uit, maar in mijn hart wilde ik God vragen om hem te genezen. Ik zag in dat ik echt onredelijk was en God totaal niet gehoorzaam was. De waarheid is dat mijn zoon niet mijn persoonlijke bezit is. God heeft hem het leven ingeademd. Mijn lichaam was maar een middel waardoor hij was geboren. Zijn hele leven was lang geleden voorbestemd, geheel geregeld door God. God had al bepaald hoeveel hij zou lijden, hoeveel tegenspoed hij in zijn hele leven zou hebben. Ik moest me onderwerpen aan Gods regelingen. Bij deze gedachte bad ik tot God: “O God, mijn zoon behoort mij niet toe. Of u hem wilt wegnemen of niet, ik weet dat het uw goedgunstige wil is. Ik ben bereid me te onderwerpen en het leven van mijn zoon in uw handen te leggen. Ik zal niet klagen, wat u ook doet.” Nadat ik had gebeden werd mijn verdriet minder. Een maand verstreek in een oogwenk. Toen ik op een dag thuiskwam na een bijeenkomst, belde mijn man en vertelde me opgewonden dat alle tumoren van onze zoon waren verdwenen. Het was in het ziekenhuis bevestigd door een CT-scan. Toen ik het nieuws hoorde, huilde ik van blijdschap. In mijn hart riep ik steeds maar weer: Dank God. Deze ervaring liet me inzien hoe groot Gods macht is en liet me deze woorden van Hem ervaren: “Alle dingen, of ze nu levend of dood zijn, zullen verschuiven, veranderen, vernieuwen en verdwijnen in overeenstemming met Gods gedachten. Zo oefent God soevereiniteit uit over alle dingen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, God is de bron van het leven van de mens). Hieruit bleek Gods almacht en soevereiniteit en dat Hij iets kan doen ontstaan uit niets en iets wat er was kan laten ophouden te bestaan. Alles wordt georkestreerd door de hand van God. Ik dankte God uit de grond van mijn hart.
Een jaar later kreeg ik onverwacht bericht van mijn man dat de ziekte van onze zoon was teruggekeerd en dat hij in het ziekenhuis was voor een chemokuur. Het deed me wel verdriet om dat te horen, maar ik herinnerde me mijn vorige ervaring. Ik was bereid me te onderwerpen aan Gods orkestraties en regelingen. Tot mijn verbazing werd mijn zoon al twee weken later ontslagen en hij is tot op heden gezond gebleven. Hoewel ik God de schuld gaf en verkeerd begreep over de ziekte van mijn zoon, richtte Hij zich niet op mijn onwetendheid, maar verlichtte me en wees me de weg met Zijn woorden, zodat ik Gods almacht en soevereiniteit kon begrijpen en mijn misvatting om alleen te geloven om naar zegeningen te streven te veranderen. Dit waren echt Gods genade en zegeningen voor mij. Dank aan Almachtige God.