Hoe de waarheid na te streven (19)
De drie categorieën mensen gebaseerd op hun oorsprong
De kenmerken van mensen die de reïncarnatie van mensen zijn
II. Onderscheid maken tussen goed en kwaad en weten wat juist en wat onjuist is
C. Hoe je positieve dingen van negatieve dingen kunt onderscheiden
Wat betreft het onderwerp van positieve dingen, hebben we de vorige keer gecommuniceerd over wat positieve dingen zijn en hebben we er een definitie van gegeven. Wat zijn positieve dingen? (Alle dingen die door God zijn geschapen, door God zijn voorbeschikt of onder Gods soevereiniteit vallen, zijn positieve dingen.) Jullie hebben de definitie van positieve dingen onthouden, maar kunnen jullie de voorbeelden die werden gegeven begrijpen? (We kunnen ze tot op zekere hoogte begrijpen.) Deze definitie, dit concept van positieve dingen – is dat een waarheid? (Het is een waarheid.) Zijn jullie daar zeker van? Bij het lezen van Gods woorden heb je het gevoel dat deze definitie een waarheid is en accuraat is, maar wanneer je iets tegenkomt dat niet overeenstemt met jouw noties, kun je het niet begrijpen en wil je de waarheid niet aanvaarden. Kortom, ongeacht of iets volgens de noties van mensen als een positief of een negatief ding wordt beschouwd, zolang het niet iets is wat God als een positief ding definieert, is het geen positief maar een negatief ding. Ben je in staat om op deze manier te onderscheiden? (Ja. Als God iets als een positief ding heeft gedefinieerd, en dit niet overeenstemt met mijn eigen noties en ik het niet kan begrijpen – maar ik weet dat wat God zegt absoluut de waarheid is – dan zal ik leren mezelf te verloochenen.) Als dit ding jou schade berokkent, of zelfs alle mensen schade berokkent – als het volgens de noties van mensen hen niet ten goede komt en geen geluk of genot brengt, maar pijn en tegenspoed veroorzaakt – hoe zul je het dan bekijken? Zul je dan nog steeds vasthouden aan je opvatting dat Gods definitie van positieve dingen inderdaad accuraat is, dat mensen niet tot een beoordeling kunnen komen op basis van hun noties, noch iets kunnen beoordelen op basis van de vraag of ze er baat bij hebben? Daar kunnen jullie niet zeker van zijn, of wel soms? (Nee, dat kunnen we niet.) Geen enkel aspect van de waarheid is alleen maar logisch of steekhoudend op het niveau van doctrine; het is veeleer in het werkelijke leven, in het licht van alle feiten, een eeuwig onveranderlijke uitspraak. Als je hier niet zeker van kunt zijn, dan is je concept van de waarheid in je hart in feite vaag. De diverse aspecten van de waarheid waarover we communiceren, hebben allemaal betrekking op gezichtspunten over verschillende mensen, gebeurtenissen en dingen; ze hebben betrekking op de essentie en de werkelijke omstandigheden van verschillende mensen, gebeurtenissen en dingen, en ze stellen mensen ook in staat te zien hoe God deze mensen, gebeurtenissen en dingen behandelt – wat Zijn gezichtspunten en houdingen ten aanzien van hen zijn. Aangezien de definitie van positieve dingen een waarheid is, heeft deze natuurlijk ook betrekking op de werkelijke omstandigheden en essentie van de verschillende mensen, gebeurtenissen en dingen die binnen de reikwijdte van deze definitie vallen, en heeft deze tegelijkertijd betrekking op Gods houdingen, perspectieven en uitspraken aangaande deze verschillende dingen. Dus, ongeacht of mensen volgens hun eigen noties de definitie van positieve zaken juist of onjuist vinden, en ongeacht wat hun aanvankelijke perspectief op die definitie is binnen de context van hun traditionele cultuur of hun dagelijks leven, kortom: aangezien deze definitie van positieve zaken een waarheid is, zijn de mensen, gebeurtenissen en dingen die hieronder vallen allemaal positieve dingen, en zijn de dingen die hiermee in strijd zijn allemaal negatieve dingen. Dit staat onomstotelijk vast. Jullie moeten een duidelijk begrip van deze zaak hebben. Ongeacht wanneer of in welke sociale omgeving, en ongeacht de impact die een positief ding op jou heeft, of wat jouw houding ertegenover is of welk perspectief je erop hebt, de definitie van positieve dingen en de essentie van de mensen, gebeurtenissen en dingen die door die definitie worden omvat, zijn onveranderlijk. Begrijpen jullie dat? (Ja.)
De vorige keer hebben we voornamelijk gecommuniceerd over enkele specifieke voorbeelden met betrekking tot de uitspraak: “Alle dingen die door God zijn voorbeschikt of onder Gods soevereiniteit vallen, zijn positieve dingen.” We hebben niet erg gedetailleerd gecommuniceerd over het gedeelte dat stelt: “Alle dingen die door God zijn geschapen, zijn positieve dingen.” Kunnen jullie dan door communicatie of door de waarheden die jullie in de loop der jaren hebben begrepen, bevestigen dat deze uitspraak juist is? Of kunnen jullie op basis van de mensen, gebeurtenissen en dingen die jullie in het leven hebben gezien en ervaren, verifiëren dat alle dingen die door God zijn geschapen positieve dingen zijn? Zijn jullie in staat om de dingen op deze manier te begrijpen? Zijn jullie in staat om de waarheid op deze manier te zoeken? (We kunnen enkele eenvoudigere dingen op deze manier begrijpen.) Hier geldt een principe. Oppervlakkig gezien lijken de onderwerpen van wat door God is geschapen, door God is voorbeschikt of onder Gods soevereiniteit valt een heel groot gebied te bestrijken en heel abstract te zijn. In feite zijn ze echter nauw verbonden met de verschillende mensen, gebeurtenissen en dingen waarmee mensen in het werkelijke leven in contact komen – er kan ook worden gezegd dat ze er onlosmakelijk mee verbonden zijn; ze staan niet los van de realiteit. Dit heeft te maken met een bepaalde kwestie. Wanneer je in je leven met veel onverwachte mensen, gebeurtenissen en dingen wordt geconfronteerd, kun je niet bepalen of het positieve of negatieve dingen zijn. Zelfs als je de doctrine voor het onderscheiden van positieve en negatieve dingen begrijpt, kun je het nog steeds niet bepalen. Zelfs als het een soort dingen is dat onder positieve dingen valt, erken je deze dingen binnen je noties niet als positieve dingen. Je hebt er in je hart een afkeer van en verafschuwt ze, en vind je zelfs dat ze het volstrekt niet verdienen om onder de positieve dingen te worden geschaard. Toch zijn ze wel degelijk door God geschapen, zijn ze door God voorbeschikt of vallen ze onder Gods soevereiniteit, en behoren ze tot de categorie van positieve dingen. Op dit punt komen de beoefeningsprincipes voor hoe mensen met dit soort dingen moeten omgaan in het spel. Het eenvoudigste beoefeningsprincipe is dit: ten eerste moet je er zeker van zijn dat het betreffende ding een soort ding is dat onder de definitie van positieve dingen valt. Hoewel het afgaande op de noties van mensen geen positief ding lijkt, moet je er, als het iets is dat binnen de categorie van positieve dingen zoals door God gedefinieerd valt, er allereerst zeker van zijn dat het een positief ding is en dat daar absoluut geen twijfel over bestaat. Binnen Gods schepping heeft het betekenis; het heeft tot doel dat mensen er lessen uit trekken. Het is noodzakelijk om hier zeker van te zijn. Dit is één beoefeningsprincipe. Ten tweede hoeven we, wat dit ding of dit soort zaken betreft, niet als wetenschappers te bestuderen wat de aard of functie ervan is of welke rol het speelt in het menselijk leven of in de hele voedselketen. Er simpelweg zeker van zijn dat het een positief ding is, is voldoende. Sommige mensen zeggen: “Als dit positieve ding vaak in het leven van mensen verschijnt en hun leven verstoort, wat gevolgen heeft voor hun opvatting dat het positief is, hoe moet het dan worden behandeld?” Dat is gemakkelijk op te lossen. Als je het in je leven moet gebruiken, gebruik het dan naar behoefte; laat het je dienen. Als je het niet hoeft te gebruiken, en het je vaak hindert of een van je fysieke zintuigen verstoort, dan kun je het verdrijven en erbij uit de buurt blijven. Laat het je gewoon niet hinderen of je fysieke pijn bezorgen. Dit is het tweede principe. Ook moet je weten dat als het voortkomt uit Gods schepping, Gods voorbeschikking of Gods soevereiniteit, je er geen afkeer van mag hebben, je het niet mag verafschuwen en niet mag ontkennen. In plaats daarvan moet je het aanvaarden en erkennen. Wat nog beter is, is om er op een verstandige manier mee om te gaan en het te gebruiken. Dit zijn de beoefeningsprincipes, drie in totaal. Wat zijn deze drie principes? (Het eerste is dat zolang iets binnen de reikwijdte van positieve dingen valt zoals door God gedefinieerd, we er zeker van moeten zijn dat het een positief ding is. Het heeft een betekenis binnen Gods schepping; de bedoeling is dat mensen er enkele lessen uit trekken. Het tweede is dat we het, op basis van de zekerheid dat het een positief ding is, gebruiken als dat nodig is. Als we het niet hoeven te gebruiken en het ons leven verstoort, dan kunnen we het verdrijven en erbij uit de buurt blijven, en het ons leven niet laten verstoren. Het derde is dat, als het door God is geschapen, door God is voorbeschikt of onder Gods soevereiniteit valt, we er geen afkeer van mogen hebben of het verafschuwen; we moeten het aanvaarden en erkennen. Het is nog beter als we in staat zijn het te managen en het op een verstandige manier te gebruiken.) Zijn deze drie principes gemakkelijk toe te passen? Ze zijn niet zo gemakkelijk, of wel soms? (Nee.) Als er een mug in je oor zoemt, zul je die wegjagen en bij jezelf denken: ‘Alles wat God heeft geschapen is goed; ik jaag hem gewoon weg en daarmee is de kous af’ – je zult in staat zijn om volgens deze drie principes te handelen. Maar als je de mug verdrijft en deze komt direct terug en steekt je, zul je, hoe meer je erover nadenkt, des te bozer worden: ‘Ik heb je laten gaan, maar je laat me niet met rust. Deze keer sla ik je beslist dood!’ Is het juist om de mug dood te slaan? Eigenlijk is het doodslaan ervan niet verkeerd; dit kan worden beschouwd als passend beheer. Maar zul je tegelijkertijd ook niet beginnen te twijfelen aan het feit dat muggen positieve dingen zijn? Vooral wanneer de bult van zijn beet steeds meer gaat jeuken, zo erg dat het ondraaglijk wordt, zul je bij jezelf denken: ‘Wat heeft het voor zin dat God muggen heeft geschapen? Zouden mensen aan deze schade blootstaan als er geen muggen waren? Dit lijkt me beslist geen positief ding!’ Je rationaliteit zal je vertellen dat het verkeerd is om zo te denken, dat een mug een positief ding is omdat het een piepklein schepseltje is binnen het bereik van positieve dingen die door God zijn geschapen. Maar je kunt het nog steeds niet bevatten: ‘Het komt mensen niet ten goede, dus waarom heeft God het geschapen?’ Hoewel de bult van een muggenbeet niet groot is, is de jeuk verschrikkelijk. Voor degenen met allergieën kan het tot roodheid en zwelling, en zelfs tot infectie en koorts leiden als ze eraan krabben. Op dit punt zul je het moeilijk vinden om te aanvaarden dat dit een positief ding is en noties ontwikkelen: ‘Muggen lijken me geen positieve dingen. Als ze dat wel waren, hoe zouden ze mensen dan kunnen hinderen en hun pijn kunnen bezorgen? Zouden positieve dingen geen positieve effecten moeten hebben? Dit effect is niet positief; ze spelen een negatieve rol en hebben een negatief effect op mensen. Hoe kunnen muggen in de categorie van positieve dingen worden geplaatst? Het is ondenkbaar. Wat God heeft gedaan, stemt niet overeen met mijn noties!’ In je hart zul je noties ontwikkelen over het feit dat muggen positieve dingen zijn. Hardop zeg je: “Allereerst kun je niet ontkennen dat muggen positieve dingen zijn. Ten tweede, als je niet wilt dat ze je hinderen, kun je ze verdrijven en erbij uit de buurt blijven. Tot slot zou je er geen afkeer van moeten hebben of ze verafschuwen, maar zou je ze moeten aanvaarden, erkennen en ze op een verstandige manier moeten managen.” Hoewel je dat zult zeggen, is dit laatste principe erg moeilijk voor je om toe te passen. Het is vrij gemakkelijk voor je om nuttige insecten te aanvaarden. Maar als je probeert om muggen te aanvaarden, ze op een verstandige manier te managen en ze niet te vervloeken, kun je dat dan? (Voordat God hierover communiceerde, voelde ik wanneer ik in een slecht humeur was en door een mug werd gestoken een bijzondere afkeer en zei ik enkele slechte dingen. In de toekomst zal ik mijn best doen om dit te vermijden en die dingen niet meer te zeggen.) Je zou ze niet moeten vervloeken; je zou ze moeten aanvaarden, ze correct moeten behandelen en ze op een verstandige manier moeten managen. Dit gedeelte over ze op een verstandige manier managen is erg moeilijk toe te passen, of niet soms? (Ja.) Als je ze verbaal en qua doctrine zou erkennen en aanvaarden, zou dat nog best wel gemakkelijk te doen zijn. Als ze je pijn doen, zou je ook bij ze uit de buurt kunnen blijven en ze vermijden. Maar om je zover te krijgen dat je ze vanuit je hart aanvaardt en erkent, ze correct behandelt en ze bovendien op een verstandige manier managet – dat zou je niet meevallen om te doen. Waarom zou het niet meevallen? Omdat wanneer ze je pijn doen, je niet het gevoel hebt dat je er baat bij hebt, maar dat je erdoor wordt geschaad. Dat wil zeggen, volgens jouw noties zouden positieve dingen een positief effect moeten hebben, maar in plaats van dat je enig voordeel van muggen ondervindt, heb je het gevoel dat ze louter een negatieve invloed op je hebben. Op dit punt zou het niet gemakkelijk voor je zijn om er geen afkeer van te hebben of ze niet te verafschuwen, maar ze te aanvaarden en ze zelfs op een verstandige manier te managen. Hoewel mensen op het niveau van doctrine kunnen aanvaarden dat muggen positieve dingen zijn, en ze er ook met moeite in slagen om muggen correct te behandelen, is het, wanneer ze in het werkelijke leven door muggen worden verstoord, erg moeilijk voor hen om ze volgens de principes te behandelen. Dit vereist dat mensen de waarheid begrijpen, dat ze de aard begrijpen van de vele specifieke mensen, gebeurtenissen en dingen die een rol spelen binnen de drie aspecten die onder positieve zaken vallen – de dingen die ‘door God zijn geschapen, door God zijn voorbeschikt of onder Gods soevereiniteit vallen’ – evenals wat voor soort rollen ze spelen in het menselijk leven en overleven, en wat Gods oorspronkelijke doel was toe hij hen schiep en hun manier van leven aan hen gaf. Dit zijn de dingen die mensen moeten begrijpen. Als mensen Gods oorspronkelijke doel en de algemene strekking van Zijn bedoelingen en de fundamentele principes begrijpen, dan kunnen ze sommige positieve dingen die niet overeenstemmen met hun noties, misschien niet alleen vermijden, maar ook – in verschillende mate – gaan aanvaarden, erkennen, verstandig managen en correct gebruiken. We zullen dit onderwerp geleidelijk bespreken.
Een ontleding van de menselijke beschaving en cultuur
De reikwijdte van het onderwerp ‘wat door God is geschapen’ is zeer breed. We moeten dus eerst enkele voorbeelden geven en die vervolgens beetje bij beetje bespreken. We hebben zojuist over muggen gesproken. Men kan wel zeggen dat niemand van muggen houdt of bereid is met ze samen te leven; integendeel, iedereen verafschuwt muggen en wenst er zelfs zijn hele leven nooit een te hoeven zien. Hoewel de kwestie van muggen geen grote kwestie is, heeft deze betrekking op een bepaald soort ding, en ook op het begrip van mensen van de aard van een bepaald soort ding binnen de mensen, gebeurtenissen en dingen die door God zijn geschapen. Het belangrijkste hierbij is natuurlijk dat het erom gaat dat mensen een waarheid leren kennen en begrijpen. Daarnaast heeft het ook betrekking op de beoefeningsprincipes voor hoe mensen omgaan met een bepaald soort ding te midden van de mensen, gebeurtenissen en dingen in hun leven. De mug mag dan misschien geen groot schepsel zijn, de zaken die ermee gemoeid zijn, zijn niet gering; het is voor mensen de moeite waard om ze te proberen te begrijpen en te onderzoeken. De inhoud van ‘wat door God is geschapen’ omvat macroscopische en microscopische onderwerpen. Zojuist hebben we kort gecommuniceerd over een kleine soort van het microscopische aspect: de mug. Het is een relatief klein soort schepsel dat mensen met het blote oog kunnen zien; alles wat kleiner is dan een mug is het bespreken niet waard. Muggen zijn een soort schepsel waarmee mensen vaak in contact kunnen komen, een relatief microscopisch schepsel dat met het blote oog zichtbaar is. Aangezien deze kwestie zich op een microscopisch niveau bevindt, zullen we er later over communiceren. Waarover zouden we dan eerst moeten communiceren? (Het macroscopische.) Laten we eerst communiceren over macroscopische dingen. Er zijn veel macroscopische dingen. Datgene wat het dichtst bij het leven van mensen staat, of waarmee mensen in contact kunnen komen, wat ze kunnen voelen en zien, en wat voor iedereen vertrouwd is – afgezien van de objecten in de leefomgeving die door God voor de mens is geschapen – is de mensheid zelf. Als het om de mensheid gaat, welke van de verschillende mensen, gebeurtenissen en dingen die mensen kunnen zien, zijn er dan de moeite waard om over te praten? Welke zijn de moeite waard om te begrijpen? Het onderwerp dat het meest de moeite waard is om te begrijpen als het gaat om de menselijke samenleving, is de zogenaamde menselijke beschaving. Het belangrijkste onderwerp van deze beschaving zijn de verschillende culturen. Het ontstaan van verschillende culturen komt voort uit het onderwijs binnen verschillende samenlevingen; het onderwijs binnen verschillende samenlevingen brengt verschillende culturen voort, en tegen de achtergrond van deze verschillende culturen zijn de zogenaamde beschavingen van de mensheid in verschillende tijdperken ontstaan. Dit is de bron en de oorsprong van de menselijke beschaving. De oosterse samenleving heeft haar beschaving, en natuurlijk heeft ze ook haar zogenaamde cultuur. Het ontstaan van deze cultuur komt voort uit de manier waarop de oosterse samenleving haar mensen onderwijst. Evenzo heeft de westerse samenleving haar zogenaamde beschaving. De westerse beschaving komt ook voort uit haar cultuur, en het ontstaan van haar cultuur komt eveneens voort uit het onderwijs van de westerse samenleving. Dat wil zeggen, het onderwijs van de westerse samenleving in verschillende tijdperken heeft de westerse cultuur voortgebracht, en tegen een dergelijke culturele achtergrond is de westerse beschaving geleidelijk ontstaan, heeft ze vorm gekregen en heeft ze zich tot op de dag van vandaag ontwikkeld. Of het nu de oosterse of de westerse cultuur is, beide hebben hun respectievelijke volkeren op deze manier onderwezen, generatie na generatie. Door de tijdperken heen hebben ze generatie na generatie voortdurend gevormd en beïnvloed, en zich van generatie op generatie verspreid, terwijl ze zich tegelijkertijd voortdurend verder ontwikkelden en werden doorgegeven. Op deze manier hebben de oosterse en westerse culturen en beschavingen geleidelijk vorm gekregen en zich ontvouwd, en zijn ze geleidelijk door mensen erkend en aanvaard, waarbij ze geleidelijk een vaste vorm kregen en zich hebben gevestigd in de oosterse en westerse samenlevingen. Dit heeft de heersende culturen en beschavingen van het Oosten en het Westen gevormd. Het Oosten heeft zijn heersende cultuur en beschaving, net als het Westen. Oosterse en westerse samenlevingen hebben, wat betreft essentie, vorm en hun invloed op de mensheid, verschillende culturen en beschavingen gevormd. Of het nu de oosterse of de westerse cultuur is, beide hebben een onuitwisbare, onweerstaanbare en onvervangbare invloed gehad op het leven, het overleven, de gedachten en de gezichtspunten van mensen. Aangezien we het hier hebben over oosterse en westerse culturen, zijn er beslist verschillen. De oosterse cultuur heeft haar primaire gedachten en gezichtspunten waaraan ze waarde hecht, terwijl de westerse cultuur haar eigen kenmerken en primaire gedachten en gezichtspunten heeft waaraan ze waarde hecht. Waar hecht de oosterse cultuur dan waarde aan? Wat onderwijst de oosterse cultuur voornamelijk? De meeste mensen begrijpen dit aspect niet helemaal. Sommigen van jullie zijn misschien helemaal versteld van: waarom begint U vanaf dit punt over positieve dingen te praten? Veel macroscopische dingen hebben van nature veel abstracte componenten in zich. Hoewel jullie dit aspect nog niet begrijpen, zullen jullie het wel begrijpen als jullie aandachtig luisteren.
Laten we het eerst hebben over de oosterse cultuur. Waar hecht de oosterse cultuur waarde aan? Wat is de essentie ervan? Welke invloed oefent de oosterse cultuur op mensen uit? Wat zijn de belangrijkste kenmerken van de oosterse cultuur die je persoonlijk hebt gevoeld, of die je hebt gezien, begrepen, of bent gaan beseffen en hebt leren kennen door de subtiele invloed van de langdurige blootstelling eraan? Wanneer we over cultuur spreken, houdt dat verband met onderwijs. Of het nu gaat om opvoeding in het gezin, of onderwijs op school of vanuit de maatschappij, het houdt allemaal verband met cultuur; het heeft betrekking op het onderwijs van een natie of een bepaalde groep mensen. Onderwijs creëert een culturele achtergrond – dat is zeker. Weten jullie aan wat voor soort onderwijs de oosterse cultuur waarde hecht? (De oosterse cultuur hecht grote waarde aan traditie.) Wat is dan de essentie van traditie? ‘Traditie’ is een concept. Wat is de specifieke inhoud die door dit concept wordt gedekt? Het zijn de vereisten voor hoe je moet denken, wat je moet doen, en welke richting en welk doel je gedrag moet hebben. Dit is de specifieke essentie van haar onderwijs. Het onderwijs waaraan de oosterse maatschappij waarde hecht, is sociaal-moreel onderwijs, en dit sociaal-morele onderwijs heeft ook een specifieke inhoud. Een ideologische trend die bijvoorbeeld vaak in de oosterse maatschappij wordt gepropageerd, is anderen overtuigen met de rede. Is dit er een van? (Ja.) Er is ook beleefdheid vóór geweld, toegeven aan anderen uit beleefdheid, en ‘het hart van een premier is groot genoeg om er een boot in te laten varen’. Er is ook ‘harmonie is een schat; verdraagzaamheid is een deugd’, en ‘een compromis maakt een conflict veel makkelijker op te lossen’. Wat nog meer? ‘Het is nooit te laat voor een heer om zich te wreken’, ‘zolang er leven is, is er hoop’, ‘een groot man weet wanneer hij moet toegeven en wanneer hij zich moet laten gelden’, en ‘de ambitie van een echte man reikt ver’. Wat nog meer? (Telt ‘kinderlijke gehoorzaamheid is de allerbelangrijkste deugd’ ook mee?) Dat telt ook mee. Er is ook ‘wat een vreugde is het wanneer een vriend van verre komt’, wat betrekking heeft op gastvrijheid. Wat nog meer? (‘Een kogel opvangen voor een vriend’, en ‘dring anderen niet op wat je zelf niet wenst’.) Het effect dat al deze concepten in het oosterse onderwijs beogen te bereiken, is dat mensen waarde geen hechten aan sociale moraal; deze concepten leren mensen aan welke etiquetteregels ze zich in de maatschappij moeten houden, en zorgen ervoor dat mensen deze zogenaamde etiquette behandelen als een symbool van iemands karakter. Het oosterse onderwijs gebruikt deze dingen om het gedrag van mensen te reguleren. Als iemand een gevestigde positie in de maatschappij wil veroveren, moet hij er eerst voor zorgen dat hij in alle dingen de bewondering, de hoogachting en het respect van anderen verdient. Alleen door een moreel karakter te verwerven dat dergelijke kwaliteiten van menselijkheid bezit, kan men als een werkelijk goed persoon worden beschouwd. Nadat mensen dergelijk onderwijs hebben ontvangen, gebruiken ze in hun streven om aan deze vereisten te voldoen deze ideeën over zogenaamd moreel karakter om zichzelf in te perken. Dit oosterse onderwijs leert mensen zich uiterlijk aan de etiquette te houden, zodat ze overkomen als hoffelijke, welgemanierde mensen, mensen met een nobel moreel karakter. Wat mensen vanbinnen denken, welke menselijke behoeften, wensen, of zelfs ambities en begeerten ze ook hebben, het moet allemaal worden onderdrukt en diep in hun hart worden begraven zodat het niet wordt blootgelegd. We hebben al heel wat over dit aspect van het oosterse onderwijs gecommuniceerd. Wat is de aard van al deze ideologische onderwijsconcepten? Komen ze overeen met de behoeften van de menselijkheid? Komen ze overeen met de essentie van de menselijkheid? (Nee.) Juist omdat het gedrag dat wordt uitgeleefd en onthuld door degenen die dit oosterse sociaal-morele onderwijs ondergaan, totaal in strijd is met de essentie van mensen en de behoeften van hun menselijkheid, wordt hiermee één punt perfect bewezen: de verschillende ideeën die door dit oosterse sociaal-morele onderwijs worden gepropageerd, druisen in tegen de werkelijke situaties van mensen en wat er werkelijk binnen hun menselijkheid bestaat. Dit sociaal-morele onderwijs ontwikkelde zich in de oosterse maatschappij om de werkelijke problemen van mensen te verdoezelen en hen in staat te stellen respectabeler in de maatschappij te leven, om zich nobeler en de goedkeuring van andere mensen meer waard voor te doen. Daarom moet worden gezegd dat onderwijs in een dergelijke context een onderwijs in schone schijn is. De essentie, of het beoogde effect, van dit onderwijs in schone schijn is om ieder mens aan te sporen om zijn ware gezicht niet aan anderen bloot te leggen. Ongeacht hun karakter of achtergrond moeten zij leren zich te vermommen en een masker op te zetten. Zo kunnen zij tegenover anderen meer waardigheid en trots uitstralen, met zelfrespect leven, en levens op een manier die hun bewondering en goedkeuring oplevert.
Wat hebben mensen uit het oosten in de context van dit oosterse onderwijs in schone schijn geleerd? Ze hebben geleerd hun gevoelens te onderdrukken en te verdragen. Oosters ideologisch onderwijs heeft een bepaalde eigenschap voortgebracht binnen de menselijkheid van oosterse mensen, en het gevolg van deze eigenschap – of het nu op het niveau van het denken of in termen van gedrag wordt bekeken – is dat het mensen leert hoe ze hun gevoelens moeten onderdrukken en te verdragen. Specifieker gezegd: in elk sociaal tijdperk, onder elke heersende klasse en in elke leefomgeving, moeten mensen wanneer mensen ze te maken krijgen met allerlei mensen, gebeurtenissen en dingen, leren ze hun gevoelens te onderdrukken en te verdragen, en hun ware emoties en gedachten niet te onthullen. Het is een beetje te mooi om het als ‘onderdrukken en verdragen’ te verwoorden; in feite is het schone schijn. En wat gebruiken mensen voor deze schone schijn? Ze gebruiken de verschillende gedachten, gezichtspunten, tactieken voor zelf-gedrag en filosofieën voor wereldlijke betrekkingen, die ze putten uit het oosterse sociaal-morele onderwijs of uit de oosterse cultuur, om zichzelf te vermommen. Zo komen ze uiterlijk over als hoffelijke, welgemanierde mensen, als mensen met een nobel moreel karakter, met integriteit en waardigheid, in staat om de hoogachting, goedkeuring en bewondering van anderen te verdienen. Dit is de invloed van het oosterse sociaal-morele onderwijs op mensen; het belangrijkste effect ervan is dat mensen uiteindelijk leren hun gevoelens te onderdrukken en te verdragen. De term ‘onderdrukken en verdragen’ houdt in dat mensen alle dingen verdragen, anderen met redelijke argumenten overtuigen, en in de omgang met mensen beleefd zijn voordat ze hun toevlucht nemen tot geweld, waarbij ze proberen anderen met de grootst mogelijke vriendelijkheid te behandelen. Het is alsof ze bijzonder grootmoedig zijn, en een hart vol welwillendheid en tolerantie bezitten; ze vermommen zich als bijzonder groots en nobel, en kijken zelfs op alles neer vanuit de verheven positie van de menselijke moraal. Daarom is binnen deze oosterse culturele context het culturele leven van oosterse mensen in wezen doordrenkt van deze ideeën en concepten. Tegelijkertijd wordt deze cultuur gebruikt om de volgende generatie voortdurend te conditioneren en te beïnvloeden. In film- en televisiedrama’s worden bijvoorbeeld vaak bepaalde ideeën gepropageerd, waarvan er één is: ‘Grootse, ridderlijke helden doen hun plicht voor hun land en volk.’ Welk beeld hebben mensen van een grootse, ridderlijke held? In vechtsportfilms zie je dat de meeste grootse, ridderlijke helden elegant en verfijnd zijn, een bamboehoed dragen en een zwaard of sabel aan hun zijde hebben. Ze zijn uitdrukkingsloos en onbaatzuchtig, dragen de wereld, het gewone volk en alle levende wezens in hun hart, en ze trekken rond om gerechtigheid te handhaven, goede dingen te doen en verdiensten te verzamelen. Wanneer ze onrecht zien, trekken ze hun zwaard om te helpen en komen ze in actie wanneer dat nodig is. Dit is het beeld van een grootse, ridderlijke held dat mensen hebben en het is ook de waarde die dergelijke figuren in de ogen van mensen hebben. De reden dat film- en televisiedrama’s zulke personages creëren, is dat alle oosterse mensen in hun hart een dergelijk verlangen met betrekking tot de maatschappij en de mensheid koesteren. Ze verlangen ernaar dat zulke mensen in de maatschappij of in het leven bestaan, zodat ze zelf niet langer hun gevoelens hoeven te onderdrukken en te verdragen, en niet langer gebonden en geketend zijn door deze sociale cultuur. Juist omdat mensen deze behoefte hebben, worden in bepaalde literaire en artistieke werken voortdurend dergelijke personages gecreëerd. Dit dient de behoeften van culturele propaganda en de behoeften van het publiek. Het gewone volk heeft in de maatschappij te lang en te pijnlijk hun gevoelens moeten onderdrukken en verdragen; ze hebben een uitlaatklep nodig, maar hebben er geen. Ze kunnen alleen voldoening vinden in de heroïsche figuren en grootse, ridderlijke helden die in deze literaire en artistieke werken zijn gecreëerd. Daarom worden dergelijke film- en televisiewerken en dergelijke personages door het publiek geaccepteerd en geprezen. Wanneer het publiek ziet dat de rechtvaardige daden van deze grootse, ridderlijke helden in films en televisiedrama’s – of hun daden waarbij ze hun zwaard trekken om te helpen wanneer ze onrecht zien – perfect aansluiten bij hun psychologische behoeften, klappen en juichen ze allemaal, en roepen ze: “Net goed! Dat is wat je krijgt wanneer je kwaad doet! Dat is wat je krijgt wanneer je het volk schaadt!” Hun gejuich geeft uiting aan de pijn die oosterse mensen ervaren doordat ze in het dagelijks leven hun gevoelens moeten verdragen en onderdrukken, en aan de zware, veelvuldige druk en het grote leed dat ze door de maatschappij en de heersende klasse te verduren krijgen. Daarom wordt deze vorm van amusement van harte verwelkomd door het gewone volk, en door hen goedgekeurd en verlangd.
Juist omdat het onderdrukken en verdragen van gevoelens, veroorzaakt door dit oosterse sociaal-morele onderwijs, oosterse mensen in hun denken en hun menselijkheid in de grootst mogelijke mate heeft gebonden en beperkt, zijn hun menselijkheid en denken sterk verwrongen geraakt. Hoe komt deze verwrongenheid tot uiting? Het komt tot uiting in het feit dat iedereen haat koestert jegens ambtenaren en de rijken; wanneer ze iets onrechtvaardigs zien, voelen ze vanbinnen haat en associëren ze dat onmiddellijk met de heersende klasse of de rijken, en hebben ze het gevoel dat al hun pijn door hen wordt veroorzaakt. Dit is één aspect. Bovendien, omdat het oosterse sociaal-morele onderwijs bij mensen een karakter voortbrengt dat gevoelens onderdrukt en verdraagt, zijn de gedachten van oosterse mensen in hoge mate gebonden en geketend. Vergeleken met westerlingen is het voor oosterse mensen moeilijk om op het niveau van het denken tot onafhankelijk denken of een verruiming van het denken te komen; dat wil zeggen, ze zijn niet in staat om vrij, autonoom en onafhankelijk te denken en te redeneren. Daarom bezit iedereen in de sociale omgeving van het Oosten, van kinderen tot volwassenen, een slaafse karaktertrek; het is moeilijk voor hen om onafhankelijk over een probleem na te denken of om onafhankelijk een taak te voltooien volgens principes en plannen. Een ander aspect is dat het feit dat oosterse mensen hun gevoelens onderdrukken en verdragen hen vijandig maakt ten opzichte van de maatschappij, de mensheid en alle sociale lagen. Dit heeft er ook toe geleid dat ze een nogal gladde karaktertrek in hun menselijkheid hebben ontwikkeld, die kan worden samengevat als een soort laaghartigheid. Omdat deze wereld zo oneerlijk is, moeten mensen verschillende vormen van druk en beperkingen vanuit de maatschappij, hun werkomgeving en hun families weerstaan, en dit leidt ertoe dat er niet op de juiste manier of eerlijke met de normale behoeften van hun menselijkheid – hun normale emotionele en fysieke behoeften wordt omgegaan. Zo koestert iedereen een lichtzinnige, cynische of levensmoede houding ten opzichte van zijn leven. Deze houding geeft oosterse mensen het gevoel dat er heel weinig hoop is in het leven; ze voelen nauwelijks levenslust en hebben nergens zin in. Op deze manier ontwikkelen ze in hun omgang met de wereld een gladde en geslepen houding en deze gladheid en geslepenheid kan worden samengevat als ‘laaghartigheid.’ Waar verwijst deze ‘laaghartigheid’ naar? Het verwijst naar een lichtzinnige houding in alles wat men doet. De houding van sommige mensen ten opzichte van het vervullen van hun plicht kan bijvoorbeeld worden omschreven als: doen waar ze zin in hebben – als ze zin hebben om iets te doen, doen ze het een beetje en als ze er geen zin in hebben, dan doen ze het niet. Wanneer hun werk ook maar een beetje druk met zich meebrengt, zeuren ze over hoe zwaar het is en willen ze uitrusten. Als je met hen over de waarheid communiceert en hun vertelt dat ze het werk op deze manier zullen vertragen, zeggen ze: “Het zal wel. Ik heb nu zin om te rusten. Ik wil even wat plezier maken!” Hun houding is bij niets wat ze doen serieus en verantwoordelijk. Of het nu gaat om werk, hun dagelijks leven, of zelfs hun hele leven en hun geloof, modderen ze maar wat aan, is hun houding niet serieus, en nemen ze een lichtzinnige houding aan. Waar ze ook gaan, ze willen overal dwars doorheen banjeren. Wanneer ze tegen een muur lopen, deert het hen helemaal niet; ze kunnen er niet tegen om gereguleerd te worden en verlangen naar vrijheid. Als ze de vrije teugel krijgen, begaan ze roekeloos wandaden; als ze hun vrijheid verliezen, klagen ze over alles en iedereen. Dit is het soort houding dat ze hebben. Is dit geen laaghartigheid? (Ja.) Dit is het unieke karakter dat oosterse mensen hebben ontwikkeld binnen de sociale omgeving van het Oosten. Sommige mensen onderdrukken en verdragen hun gevoelens ook; ze kunnen alles verdragen en kunnen dat heel lang volhouden. Ze hebben een buitengewoon uithoudingsvermogen en veerkracht, kunnen elke ontbering verdragen, kunnen in elke omgeving overleven, slagen erin om in elke situatie te glimlachen, en kunnen nog steeds in slaap vallen wanneer het tijd is om ’s nachts te gaan slapen, zonder ook maar één traan te laten. Wanneer er bijvoorbeeld een overstroming plaatsvindt en de huizen, velden en het vee van sommige mensen allemaal onder water staan, lijkt het ze niet pijn te doen. Ze focussen zich blindelings op het opvissen van kostbaarheden uit de vloed, in de hoop snel rijk te worden. Anderen waarschuwen hen: “Het is niet veilig om je leven te riskeren door de dingen op deze manier op te vissen!” Ze antwoorden: “Een overstroming is een perfecte kans om rijk te worden. Deze kans doet zich niet vaak voor!” Anderen zeggen: “Onze velden staan onder water, ons graan is weggespoeld, de overheid biedt geen enkele hulp en er komt niemand om te helpen. Hoe moeten we leven? Het leven in deze wereld is gewoon te zwaar. We kunnen net zo goed gewoon sterven!” Maar zij zeggen: “Wanneer het noodlot toeslaat, moet je op jezelf vertrouwen. De hemel zal de mens altijd een uitweg laten. Een overstroming is een geweldige kans om rijk te worden. Het is zakendoen zonder kapitaal en met enorme winst. Zelfs als we wat dingen zijn kwijtgeraakt, zullen we wel weer wat andere dingen opvissen – dat zal de verliezen mooi goedmaken, en we maken misschien zelfs een beetje winst!” Zie je, normale mensen voelen pijn wanneer het noodlot toeslaat en ze verliezen lijden, maar onder oosterse mensen zijn er dit soort ‘heroïsche figuren’ – welke ramp hen ook overkomt, ze kunnen met de stroom meegaan en weten zelfs kansen te vinden om rijk te worden. Ze piekeren niet en voelen zich niet bedroefd, en zelfs als de overheid geen hulp biedt en hun problemen niet oplost, kan het hun niet schelen. Het is alsof ze, doordat ze zoveel rampen hebben meegemaakt, er gewoon aan gewend zijn geraakt. Is dit niet hoe de Chinese maatschappij is? Gezien dit soort onderwijs in de Chinese maatschappij, zijn de literaire en artistieke werken die mensen in hun vrije tijd consumeren, of de manieren waarop ze zich ontspannen, dan ook meestal uitingen van zelfspot en zelfironie. Dit is hoe Chinese mensen zichzelf vermaken en een beetje verlichting vinden voor de onderdrukte gevoelens in hun hart. Maar na afloop, in het dagelijks leven, blijven ze net als voorheen de schone schijn ophouden en onderdrukken en verdragen ze hun gevoelens. Hoe de overheid hen ook behandelt, het gewone volk is al lang aan dit soort behandeling gewend geraakt. Zolang ze geen honger lijden, voelen ze zich tevreden; zonder de dreiging van een naderende dood, denken ze er niet aan om in opstand te komen. Het gewone volk heeft zich bij zulke dingen neergelegd: een slecht leven is beter dan een goede dood; de hemel zal de mens altijd een uitweg laten. Laten we gewoon zo leven! Mensenrechten? Democratie? Dat zijn extravagante verlangens. Wij Chinezen zijn geboren voor dit ellendige lot. Zolang we in leven kunnen blijven, is dat goed genoeg! Is dit niet het toppunt van domheid en gevoelloosheid? Hebben ze nog enige waardigheid als mensen over? (Nee.) Dit is een treurige situatie.
De meeste literaire en artistieke werken die in het Oosten zijn gecreëerd, verschillen sterk van die in het Westen in wat ze weerspiegelen en propageren. Hoewel oosterse literaire en artistieke werken wel degelijk enkele sociale onrechtvaardigheden weerspiegelen, is dit niet het denken dat de regisseurs of scenarioschrijvers werkelijk willen propageren, en het wordt niet gedaan om aan enkele van de behoeften van het publiek te voldoen. Wat propageren ze werkelijk in deze werken? Het is nog steeds het oosterse sociaal-morele onderwijs. De belangrijkste uitingen ervan zijn patriottische sentimenten, waarbij wordt gepropageerd dat mensen hun land moeten liefhebben, begaan moeten zijn met het land en het volk, ‘echte mannen met verstrekkende ambities’ moeten zijn, hun zwaard moeten trekken om te helpen wanneer ze onrecht zien, en een kogel moeten opvangen voor een vriend. Wat propageren ze nog meer? ‘Een compromis maakt een conflict veel makkelijker op te lossen’, en ‘het is nooit te laat voor een heer om zich te wreken’. De menselijkheid die ze propageren is in feite hol; het zijn slechts de verbeeldingen en gevolgtrekkingen van mensen. Ze propageren het uitsluitend omwille van de stabiliteit van het regime van de heersende klasse, zodat mensen voor altijd als lastdieren voor de heersende klasse zullen zwoegen, waarbij zelfs de minste weerstand niet is toegestaan. Deze holle ideeën worden gebruikt om mensen te verdoven en te misleiden, en voldoen aan hun behoefte aan amusement en de tijdelijke behoeften van hun hart. Wat wordt er bijvoorbeeld gepropageerd in vechtsportromans of film- en televisiedrama’s? De geest van ridderlijkheid, dat iemand een grootse, ridderlijke held wordt die de rijken berooft om de armen te helpen en zijn zwaard trekt om anderen te helpen. De zogenaamde grootse, ridderlijke held wordt belichaamd door het gezegde: ‘Grootse, ridderlijke helden doen hun plicht voor hun land en volk.’ Door de geest van ridderlijkheid te propageren prijst het gewone volk dergelijke personages niet alleen, ze verlangt en streeft er ook naar dit type persoon te worden. Wat wordt er nog meer gepropageerd in oosterse literaire en artistieke werken? Ze propageren heldendom: dat je zwoegt en je hart en geest uitput voor het land, voor de natie en voor het welzijn van een gebied en zijn bevolking, en dat je je jeugd en leven opoffert voor de grote zaak van de natie. Kortom, deze biografieën en legendes over vechtsporters die worden geproduceerd in de sociale omgeving van de oosterse wereld – en vooral die van China – of ze nu traditioneel of modern zijn, fictief of gebaseerd op echte historische figuren en gebeurtenissen, leren mensen allemaal te streven naar onbaatzuchtigheid en zelfverloochening. Ze nemen dit allemaal als hun thema en educatieve kern, met als doel mensen een nobele sociale moraal bij te brengen. Onbaatzuchtigheid en zelfverloochening betekenen dat men geen zelf heeft; ze propageren dat het grotere zelf vóór het kleinere zelf komt, dat iemands land vóór zijn familie komt, en dat men alleen op deze manier een goed leven kan hebben. Dit is het soort denken dat ze mensen inprenten. Dat wil zeggen, ze leren je om niet egoïstisch te zijn, om niet alleen aan jezelf te denken, om geen offers of inspanningen te leveren omwille van je eigen leven, je eigen overleving, of iets dat met jezelf te maken heeft – ze leren je zelfs om op geen enkele manier voor deze dingen te strijden. In plaats daarvan moet je jezelf opofferen en inzetten voor je vaderland, voor de maatschappij, voor de mensheid en voor de grote zaak van de natie. Deze leerstellingen worden gezamenlijk aangeduid als onderwijs in schone schijn. Dit zogenaamde onderwijs in schone schijn is onrealistisch en komt niet overeen met de behoeften van de menselijkheid; door de behoeften van de menselijkheid van mensen, hun aangeboren instincten en hun fundamentele recht om te overleven, weg te nemen zet het mensen ertoe aan zinloze offers te brengen voor het land en de natie, voor een holle, lege zaak. Deze deugd van zelfopoffering is volledig iets dat de oosterse maatschappij met harde hand in de menselijkheid van mensen heeft geprent. ‘Met harde hand ingeprent’ betekent dat het niet iets is dat spontaan voortkomt uit de menselijkheid, niet iets is dat inherent is aan de aangeboren instincten van de menselijkheid, niet iets is dat middels aangeboren instincten kan worden bereikt, en niet iets is dat iemands aangeboren vrije wil of subjectieve wil wenst te bereiken. Het is veeleer iets dat de heersende klasse of sociologen er met harde hand bij de mensen inprenten, waarbij ze hen misleiden of dwingen dergelijke sociale verplichtingen en verantwoordelijkheden te aanvaarden, en hen vervolgens onderwijzen onder de grote vlag van het zogenaamde ‘nobele morele karakter’, waardoor ze niet de kracht hebben om zich los te maken, en te bang zijn om het te proberen. Dit komt doordat, als je je losmaakt van dit onderwijs of het doorbreekt, als je dit onderwijs niet aanvaardt, je een vijand bent van de hele maatschappij en de hele natie – je bent gruwelijk opstandig, je bent onmenselijk, je bent een zonderling en je zult onder ogen moeten zien dat je in je leven geïsoleerd zult zijn. Daarom is het zo dat zelfs als mensen enige ontevredenheid in hun hart voelen, zelfs als ze deze maatschappij en dit soort onderwijs haten, ze noch de kracht noch de moed hebben om zich ervan los te maken, laat staan de moed om er ‘nee’ tegen te zeggen. Ze kunnen alleen maar de tanden op elkaar zetten en het verdragen – ze zijn niet in staat om zich te verzetten, en kunnen het alleen maar gelaten verdragen. Als je het niet verdraagt, dan zal de maatschappij je op grote schaal veroordelen en verwerpen; en op kleine schaal zullen je familie en dierbaren je verwerpen, afstand van je nemen en je isoleren, en je zelfs veroordelen als gruwelijk opstandig. Laten we naar een voorbeeld kijken. Stel dat je ouders je als kind bijvoorbeeld het volgende hebben geleerd: “Wanneer je naar buiten gaat en ouderen ziet, moet je hen groeten. Noem degenen die jonger zijn dan wij ‘oom’ of ‘tante’, en noem de ouderen ‘opa’ of ‘oma’. Wanneer iemand je iets geeft, moet je ‘dankjewel’ zeggen. Als een ander kind je slaat, moet je het verdragen; sla alleen terug als je het echt niet meer aankunt. Je moet de uiterste terughoudendheid tonen.” En op een dag ging je naar buiten en zag je iemand, maar omdat je verlegen was, durfde je hem niet te groeten. Je ouders hadden het gevoel dat ze gezichtsverlies hadden geleden, dus disciplineerden ze je toen je thuiskwam. Vanaf dat moment zei je snel gedag wanneer je iemand zag. Om te voorkomen dat je geslagen werd, moest je, hoe beschaamd je je ook voelde of hoe onwillig je vanbinnen ook was, mensen begroeten, ook al ging het tegen je wil in. Als men in zo’n omgeving opgroeit, heeft men geen andere keuze dan alles te verdragen. Zelfs in zo’n kleine kwestie moet je je zo gedragen; of het nu thuis is of buiten in de maatschappij, het is het enige wat je kunt doen. Als je je ongemakkelijk voelt en voor één keer eigenzinnig wilt zijn, word je niet alleen door de maatschappelijke veroordeeld, maar zullen ook je familie en ouders je de les lezen en je berispen. Wanneer je volwassen ben geworden, besef je dat je mensen groet om gezichtsverlies te voorkomen en om het gemakkelijker te maken om voor jezelf een gevestigde positie te veroveren in de maatschappij. Toen je een kind was, kon je dit echter niet bevatten, maar toch moest je je zo gedragen. Als je dat niet deed, zou je worden gedisciplineerd, en zou je soms zelfs door je ouders in het bijzijn van anderen kunnen worden uitgescholden of geslagen, iets wat je je hele leven nooit zou vergeten. Daarom kun je, in de bredere maatschappelijke context, alleen dit onderwijs in het zogenaamde ‘nobele morele karakter’ aanvaarden. Welke gevolgen het aanvaarden ervan ook heeft, hoe het ook uiteindelijk je menselijkheid beïnvloedt, en welk karakter en welke kwaliteiten van menselijkheid het je ook doet ontwikkelen – uiteindelijk ben jij alleen degene die deze gevolgen moet dragen.
De eigenschap van menselijkheid die oosterse mensen ontwikkelen door het onderwijs in de oosterse samenleving, is die van onderdrukken en verdragen. Achter dit onderdrukken en verdragen schuilen in feite veel van de specifieke gedachten, gezichtspunten, gedragingen en diverse houdingen ten opzichte van allerlei zaken die te vinden zijn in het oosterse sociaal-morele onderwijs. Zo is de oosterse samenleving. Op vergelijkbare wijze heeft de westerse samenleving ook haar eigen dominante culturele onderwijs, waardoor westerlingen eveneens hun eigen eigenschappen van menselijkheid ontwikkelen. Wat houdt dit dominante westerse culturele onderwijs dan in? Dit onderwijs hecht voornamelijk waarde aan autonomie en onafhankelijkheid. Dit verschilt van de situatie in de oosterse samenleving, die van mensen vereist dat ze zich opofferen en inzetten voor het land en voor de samenleving, en dingen doen die niet gerelateerd zijn aan hun persoonlijke leven. Wat de westerse samenleving daarentegen mensen leert, is precies het tegenovergestelde van wat de oosterse samenleving van mensen vereist. De westerse samenleving vereist niet dat je iets bijdraagt aan de samenleving, de mensheid of de grote zaak van de natie; de kern van het westerse onderwijs is dat je leert voor jezelf na te denken, leert je eigen problemen aan te pakken en anderen, de samenleving of de staat niet tot last te zijn. Ze geeft je onafhankelijke rechten, ruimte om zelf na te denken en onafhankelijke persoonlijke ruimte, en cultiveert je onafhankelijke denkvermogen en je vermogen om onafhankelijk over problemen na te denken en ze aan te pakken. Je moet je eigen problemen oplossen; je moet onafhankelijk, autonoom en zelfredzaam zijn. De culturele achtergrond van het Westen wordt gevormd door dit soort ideologische onderwijs, en tegen deze culturele achtergrond ontwikkelen westerlingen ook bepaalde eigenschappen van menselijkheid die verband houden met de kern van hun educatieve ideologie. Oosterse mensen hebben de door onderwijs en cultuur gevormde kenmerken van het Oosten ontwikkeld tegen de achtergrond van het oosterse sociaal-morele onderwijs. Aangezien westerlingen de door het onderwijs gevormde eigenschap van de westerse samenleving in zich dragen, bezitten ze ook de essentie die met die eigenschap samenhangt. De essentie van de door het onderwijs gevormde eigenschap die westerlingen bezitten, verschilt in feite van die van de door het onderwijs gevormde eigenschap die oosterse mensen bezitten. De door onderwijs gevormde eigenschap die oosterse mensen bezitten, is schone schijn, terwijl die welke westerlingen bezitten egoïsme is. Elk thema van het westerse onderwijs leert mensen onafhankelijk en autonoom te zijn, over hun eigen problemen na te denken en hun eigen zaken aan te pakken en te regelen. Daarom is het kenmerk van westerse opvoeding dat het onderwijs in egoïsme is. Dit onderwijs in egoïsme is totaal anders dan het oosterse onderwijs; de eigenschap die wordt onderwezen is van een ander type. Deze eigenschap leidt ertoe dat westerlingen prioriteit geven aan persoonlijke onafhankelijke ruimte; aan subjectieve wil, denken, gedachten, gezichtspunten en ideeën; en aan hun eigen rechten, hun huidige levensomstandigheden en hun huidige stemming en emoties. Ze hoeven niet veel aandacht te besteden aan enige sociale of familiale verantwoordelijkheden, noch aan andere dingen. Ze moeten eerst hun eigen problemen oplossen, hun eigen emoties verwerken en hun eigen dringende zaken oplossen; pas daarna komt al het andere. Het oosterse onderwijs heeft oosterse mensen geleerd te onderdrukken en te verdragen, terwijl het westerse onderwijs westerlingen heeft geleerd op te komen voor hun rechten. Hierin zijn mensen uit het Westen en Oosten compleet verschillend. Wanneer mensen uit het Oosten iets overkomt, blijven ze het gewoon verdragen. Wanneer ze het echt niet meer kunnen verdragen, zeggen ze bij zichzelf: ‘Een slecht leven is beter dan een goede dood, je moet het verdragen om in leven te blijven.’ In tegenstelling tot de oosterse mensen die hun emoties onderdrukken en de dingen verdragen, hebben westerlingen een andere eigenschap: door hun sociale onderwijs in autonomie en onafhankelijkheid hebben ze geleerd op te komen voor hun rechten. Wanneer we het onderdrukken en verdragen van oosterse mensen vergelijken met het opkomen voor hun rechten van westerlingen, getuigt dat laatste dan niet in zekere mate van meer zelfrespect en waardigheid? Dat wil zeggen, er is toch wat meer eigen inbreng bij betrokken, nietwaar? (Ja.) Opkomen voor je rechten is een absoluut fundamenteel concept; het betekent dat je de nodige acties onderneemt om je fundamentele mensenrechten te beschermen, waaronder het recht op geloof, het recht op leven, het recht op vrije meningsuiting, enzovoort. Waar verwijst deze fundamentele verdediging van rechten natuurlijk voornamelijk naar? Het verwijst ernaar dat mensen ruimte hebben om onafhankelijk na te denken, dat ze in staat zijn om kwesties vrij en onafhankelijk te overwegen zonder te worden beïnvloed of beheerst door enige sociale omgeving, mensen, gebeurtenissen of dingen in hun omgeving. Ongeacht of de gezichtspunten die voortkomen uit iemands overwegingen over kwesties juist of onjuist zijn, ongeacht of iemands manier van denken correct is, het bereiken van autonomie en vrijheid is wat het zwaarst weegt. Kortom, westerlingen leven in vrije samenlevingen, en in de culturele context van het westerse sociale onderwijs is hun geest zeer actief en bevindt zich vaak in een staat van vrijheid. Daarom zijn westerlingen, vergeleken met mensen in de oosterse samenleving, moediger in hun denken, meer bereid om na te denken en bedrevener in het denken, terwijl het denken van oosterse mensen meestal geketend, stereotiep of onderdrukt is. Onder normale omstandigheden is de geest van westerlingen vrij, actief en bereid om over problemen na te denken. Om het op een ietwat ongepaste manier te zeggen: ze zijn maar al te bereid om over vreemde en ongebruikelijke zaken na te denken, tot het absurde toe. Dit is een uiting van de eigenschappen van menselijkheid die ze ontwikkelen binnen het westerse sociale onderwijs, en deze uiting van menselijkheid is vooruitstrevender dan die van oosterlingen. Enerzijds verdedigen ze hun recht op leven, en anderzijds verdedigen ze ook de diverse gezichtspunten die voortkomen uit hun vrije denken. Als gevolg daarvan zijn de ideeën, gezichtspunten en kunstvormen die worden getoond in westerse literaire werken of in de westerse kunst en het westerse amusement divers en veelomvattend. Onder de hele mensheid zijn westerse literaire werken en het amusement relatief het meest vrij en avant-gardistisch, en mensen kunnen er veel inspiratie uit putten en er veel baat bij hebben. Kijk maar – welke ideeën propageren sommige oosterse literaire en artistieke werken? Patriottisme, liefde voor de familie, liefde voor je ouders, enzovoort. Dit zijn allemaal dingen die te vinden zijn in het oosterse sociaal-morele onderwijs, of die deel uitmaken van de kern van de oosterse cultuur. Omdat de westerse cultuur westerlingen de ruimte heeft geboden vrij en autonoom na te denken, deze eigenschap van menselijkheid in hen heeft voortgebracht en hen dit recht op vrij denken heeft geschonken, hebben westerlingen meer intellectuele inhoud in hun literaire en artistieke leven dan oosterse mensen, en tegelijkertijd is de reikwijdte van hun denken breder. Je ziet dat de reikwijdte van het denken van oosterse mensen, of de ideeën die ze in hun literaire en artistieke leven uitdrukken en propageren, zeer beperkt, bekrompen en ingeperkt zijn, terwijl de diverse onderwerpen die in het literaire en artistieke leven van westerse mensen worden behandeld behoorlijk veelomvattend zijn en vrij van overheidsbeperkingen. Sommige van deze onderwerpen zijn reflecties op een bepaalde wet die de overheid in een bepaalde periode heeft ingevoerd met betrekking tot de menselijkheid van mensen, of op de impact die deze heeft op de samenleving of zelfs op het leven en de familie van een individu. Andere zijn reflecties op scholing en op mensenrechten, of op diverse andere kwesties, zoals de discussies onder mensen van alle sociale klassen, en ook onder immigranten – over raciale gelijkheid, rassendiscriminatie en de relaties tussen mensen met verschillende huidskleuren. Hieruit blijkt dat het scala aan onderwerpen dat in westerse literaire en artistieke werken wordt behandeld vrij divers en breed is, en dat hetzelfde geldt voor de diverse ideeën en gezichtspunten die waar ze op ingaan. Ze weerspiegelen zelfs de maatschappelijke impact die wordt veroorzaakt door de methoden en middelen die door sommige wetshandhavingsinstanties binnen het bredere wettelijke kader worden gebruikt. Daarnaast kunnen ze de diverse psychologische lasten die het publiek worden opgelegd of de diverse daaropvolgende effecten op het leven van mensen weerspiegelen. Dit zijn allemaal ideeën en gezichtspunten die in diverse westerse literaire en artistieke werken worden gepresenteerd. Enerzijds zijn dit gedachten die binnen de westerse culturele context worden gepropageerd; anderzijds zijn het gedachten en gezichtspunten die opkomen omdat mensen vrij zijn om na te denken binnen de context van de westerse culturele opvoeding. Kortom, de diverse ideeën die westerlingen in hun literaire en artistieke werken presenteren, evenals de gedachten, gezichtspunten, filosofieën voor wereldlijke betrekkingen en houdingen van westerlingen in verschillende sociale klassen en verschillende sectoren met betrekking tot hoe ze met allerlei zaken omgaan, zijn compleet anders dan die van oosterse mensen. Hier is een eenvoudig voorbeeld: wanneer een werknemer in het Oosten voor een bedrijf werkt, is hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk van zijn baas. Hij moet dus alles doen wat zijn baas hem opdraagt. Zelfs als hem wordt gevraagd wat huishoudelijke klusjes voor zijn baas te doen, zoals het ophalen van diens kinderen of het doen van boodschappen, moet hij volkomen gehoorzaam zijn en durft hij niet te weigeren. Hij moet zelfs in zijn vrije tijd paraat staan. Hij is de bediende, de ondergeschikte en de slaaf van zijn baas. Zo is de hiërarchische relatie tussen werknemer en baas in het Oosten. De werknemer voelt zich misschien ongemakkelijk, raakt er van overstuur en is onwillig, maar hij heeft geen keuze – hij kan het alleen maar verdragen. Dat is zijn baas, degene die in zijn levensonderhoud voorziet, hij kan zich dus alleen maar aan zijn genade overgeven. In het Oosten kunnen werknemers niet anders dan het verdragen, hoe een baas hen ook uitbuit en hoe onredelijk zijn acties ook zijn; ze kunnen zich op geen enkele manier uit deze situatie bevrijden. Sommige oosterse landen hebben misschien ook arbeidswetten, die bedoeld zijn om de wettelijke rechten en belangen van elke burger te beschermen, maar op maatschappelijk niveau durft geen enkele werknemer, omdat het het Oosten is, zijn baas aan te klagen, zelfs niet als deze de arbeidswetten overtreedt. Hoezeer hun rechten ook worden geschonden of hoezeer ze ook door hun baas worden uitgebuit, ze kunnen er niets aan doen. Zelfs wanneer er arbeidswetten zijn, kunnen ze deze niet aangrijpen om hun eigen rechten en belangen te verdedigen. Ze kunnen er alleen maar in meegaan en de situatie laten voortduren. Het Westen daarentegen is anders. De hiërarchische relatie tussen werknemer en baas in het Westen bestaat alleen op het niveau van werk, en tijdens de werkuren. Buiten het werk is er geen persoonlijke, emotionele relatie tussen hen. Als jouw baas je vraagt om over te werken, kun je weigeren. Als je baas je vraagt om te helpen zijn kinderen op te halen of boodschappen te doen, kun je zeggen: “Je hebt niet het recht om mij dit te vragen. Dat is mijn werk niet. Ik ben niet verplicht om jou te dienen.” Je kunt weigeren. Als je baas je herhaaldelijk en onder dwang aanzet om deze dingen te doen, kun je hem aanklagen, en de westerse arbeidswetten zullen in werking treden; de wet zal dienovereenkomstig reageren. Westerlingen zijn hiertoe in staat en ze zijn niet bang om dit te doen, maar oosterse mensen wel. Volgens de noties van oosterse mensen moet je alles doen wat jouw meerdere of een persoon met status of aanzien jou opdraagt, en hun gratis diensten verlenen. Je moet zelfs zeggen: “Ik ben bereid om u te dienen, mijn leven voor u te geven, en ik zou er niets voor terugverwachten. U dienen is mij een eer!” Of ze je nu uitbuiten voor je arbeid of je beroven van je mensenrechten, je behoort het te accepteren en geen enkele vergoeding te eisen. Als je dat wel doet, betekent dat dat je ondankbaar bent en bezorg je hen gezichtsverlies. Daarvoor zullen ze je laten boeten. Westerlingen daarentegen zijn anders. Ze hebben geleerd hun rechten te verdedigen en deze rechten uiterst effectief uit te oefenen, en gaan daarin zo ver als ze kunnen. Zelfs als de president of een of ander beroemd persoon na een maaltijd geen fooi achterlaat, zal er een klacht worden ingediend – dit is een recht dat werknemers op basis van arbeidswetten is toegekend. Wanneer oosterse mensen in dergelijke situaties terechtkomen, durven ze niet te klagen. Ze denken: ‘Het is een hoge ambtenaar, een beroemd persoon. Zou ik een rechtszaak tegen hem kunnen winnen? Zelfs als ik zou winnen, wat zou ik dan moeten doen als hij het me achter de schermen moeilijk zou maken? Als ik hem zou aanklagen, zou ik ernstig in de problemen komen en zou ik zelfs mijn leven erbij in kunnen schieten.’ Daarom lijden oosterse mensen liever verlies dan dat ze het aandurven om een fooi te vragen. Dit wordt verdragen genoemd. Maar westerlingen zijn anders. Ze denken: ‘Waarom zou ik het verdragen? Ik ben niet geboren om mijn leven voor iemand anders te leven – ik leef voor mezelf. Ik moet mijn rechten verdedigen. Dit is geld dat ik verdien. Het kan me niet schelen of je een of ander bekend figuur of een hoge piet bent, je moet betalen. Iedereen is gelijk. Wat geeft jou het recht om geen fooi te geven? Als je geen fooi geeft, klaag ik je aan!’ En zodra ze de fooi krijgen, is de zaak afgehandeld. Dit zijn de verschillende gedachten, gezichtspunten en manieren van omgaan met mensen, gebeurtenissen en dingen die oosterse mensen en westerse mensen opdoen door hun respectievelijke culturele onderwijs.
Het Oosten en het Westen verschillen in hun methoden waarop de cultuur wordt overgebracht en in de specifieke inhoud van dit onderwijs. Deze verschillende vormen van onderwijs hebben geleid tot verschillende menselijke culturen, evenals tot verschillende eigenschappen van menselijkheid bij verschillende etnische groepen. Met deze eigenschappen van menselijkheid hebben oosterse mensen hun eigen levensstijlen, leefsituaties, denkwijzen en houdingen voor wereldlijke betrekkingen, terwijl westerlingen hun eigen levensstijlen, leefsituaties, en manieren en houdingen voor wereldlijke betrekkingen hebben. Van deze twee houdingen voor wereldlijke betrekkingen is de ene een houding van onderdrukken en verdragen, en is bijzonder gereserveerd; de andere legt bijzondere nadruk op het beschermen van de rechten van de subjectieve wil en begeerten van mensen. De ene komt voort uit onderwijs in schone schijn, en de andere komt voort uit onderwijs in egoïsme. Ongeacht het soort onderwijs waaruit deze eigenschappen van menselijkheid voortkomen – of het nu gaat om onderdrukken en verdragen of opkomen voor je rechten, gereserveerdheid of openheid – welke daarvan zijn positieve dingen? (Of ze nu oosters of westers zijn, geen van deze eigenschappen van menselijkheid zijn positieve dingen.) Waarom zeggen jullie dat het geen positieve dingen zijn? Laten we jullie specifieke redenen horen. Niemand van jullie kan zeggen waarom, of wel? (Dat kunnen we niet.) Ongeacht om welke kwestie het gaat, jullie zijn allemaal bang dat andere mensen heel kritisch naar de details zullen kijken, en dat je als ze dat doen, in verwarring zult raken je de dingen niet duidelijk zult kunnen uitleggen. Dit bewijst dat het je in dat opzicht aan duidelijkheid ontbreekt. Je zou je er dus over moeten communiceren. Die vraag die ik jullie stelde is een onderwerp dat de moeite van het communiceren waard is, nietwaar? (Ja.) Dit onderwerp betreft ‘wat door God is geschapen’. Laten we dus eerst eens kijken: wat voor soort wezen is de door God geschapen mens? Wat God schept, zijn positieve dingen. Welke dingen in een mens zijn door God geschapen? (De vrije wil van een mens, en de wijsheid die God hem geeft.) Globaal gesproken zijn de aangeboren eigenschappen van een mens allemaal door God gegeven en geschapen. Als we het woord ‘geschapen’ gebruiken, is dat misschien een beetje abstract, omdat iedereen uit zijn ouders is geboren en niet door Gods eigen handen is gemaakt. Het gebruik van de zinsnede ‘wat door God is geschapen’ is een beetje breed; het is niet helemaal passend. In dat geval is het specifieker en objectiever om te zeggen ‘de aangeboren eigenschappen die God aan mensen geeft’. De aangeboren eigenschappen die God aan mensen geeft, hebben betrekking op het onderwerp ‘wat door God is geschapen’. Kunnen we dus zeggen dat de aangeboren eigenschappen van een mens allemaal positieve dingen zijn? (Ja.) Het uiterlijk van een mens, zijn taalvaardigheid, en al zijn zintuigen en fysiologische eigenschappen, evenals zijn vrije wil, het vermogen waarmee hij denkt en overweegt, zijn natuurlijke sterke punten en gaven, en alle overlevingsregels die hij als levend wezen in acht neemt – dit alles zijn positieve dingen. Dat wil zeggen, de aangeboren eigenschappen die God aan mensen geeft, zijn allemaal positieve dingen. Omvatten deze positieve dingen dan ook de diverse gedachten die in de geest van een mens opkomen of die hij overneemt uit de samenleving en uit verschillende tijdperken? (Nee.) Alles wat mensen van de samenleving of van de mensheid ontvangen, is niet door God gegeven, noch is het iets wat oorspronkelijk door God is geschapen. Men kan zeggen dat als iets afkomstig is uit de samenleving of de mensheid, het geen positief ding is. Dit zouden we zeggen als we het op een brede, conceptuele manier willen samenvatten. En als we het specifiek willen verwoorden? Zijn de eigenschappen van menselijkheid en de denkwijzen die worden voortgebracht binnen de culturele context van het oosterse sociaal-morele onderwijs niet enigszins pervers? Het kan ook zo worden gesteld: in de oosterse samenleving is de geest van mensen geketend en verwrongen; ze zijn verdorven en beïnvloed door bepaalde gedachten en gezichtspunten uit de samenleving en van Satan. Betekent dit niet dat hun geest een bewerking door Satan heeft ondergaan? (Ja.) De geest van mensen heeft een bewerking ondergaan, en hun gedachten komen niet voort uit hun menselijkheid. Deze leringen komen niet voort uit positieve dingen, noch komen ze van God. Aangezien ze niet van God komen, zijn alle gedachten, gezichtspunten en denkwijzen die ze voortbrengen – en welke eigenschappen van menselijkheid ze uiteindelijk ook voortbrengen – evenals alle andere dingen die er vervolgens uit voortkomen, negatieve dingen, geen positieve dingen. Dit is iets waar jullie van overtuigd zijn geraakt, nietwaar? (Ja.) De geest van oosterse mensen is geketend en verwrongen, en wordt ook beïnvloed door bepaalde oosterse gedachten en gezichtspunten. De dingen die tot uiting komen door de eigenschappen van hun menselijkheid zijn dus allemaal negatief. Laten we nu naar het Westen kijken. Wat is de inhoud van het ideologische onderwijs van westerlingen? Is die gerelateerd aan de waarheid? Komen de inhoud van het westerse onderwijs en de uitingen van menselijkheid waarnaar het mensen leert te streven, voort uit Gods woorden? (Nee.) Laat mijn om het nog duidelijker te stellen jullie een vraag stellen: is dit onderwijs – de principes achter deze gedachten en gezichtspunten over hoe moet worden omgegaan met het leven, het overleven en wereldlijke zaken, en deze methoden om met die dingen om te gaan – in overeenstemming met Gods woorden? Is ze in overeenstemming met de waarheid? (Nee.) In welk opzicht is ze er niet mee in overeenstemming? (Het is net als het westerse onderwijs in egoïsme – hoewel het de vrijheid van denken respecteert, leert het mensen alleen aan zichzelf te denken en niet aan anderen. Dit is niet in overeenstemming met Gods woorden en de waarheid.) Wat zeggen Gods woorden en de waarheid dan? (In hun interacties met elkaar moeten mensen niet alleen rekening houden met hun eigen belangen of gevoelens, maar veeleer moeten overwegen hoe hun acties anderen kunnen opbouwen en tegelijkertijd in overeenstemming met de waarheid kunnen zijn.) Gods woorden vertellen je dat, ongeacht of je vrij en objectief over kwesties nadenkt, of dat je wordt gedomineerd door een bepaalde gedachte of een bepaald gezichtspunt, je dit niet alleen moet doen om je eigen belangen of je eigen waardigheid en trots te verdedigen – dit is niet het principe op basis waarvan gelovigen in God kwesties zouden moeten overwegen. Wanneer je kwesties overweegt, zou je je moeten concentreren op de vraag of je benadering in overeenstemming is met de waarheid, of deze kwesties kunnen worden opgelost met behulp van de waarheid, en of je benadering in overeenstemming is met de waarheidsprincipes en leidt tot onderwerping aan God. Dit is het principe voor het overwegen van kwesties. Of je nu met mensen omgaat, of met kwesties met betrekking tot je familie of andere dingen om je heen, je moet, in plaats van alleen maar je eigen rechten en belangen te verdedigen, handelen in overeenstemming met Gods woorden en de waarheidsprincipes. Dit zijn de principes voor hoe men zich behoort te gedragen, zoals door God vereist. Oppervlakkig gezien hecht het westerse culturele onderwijs, vergeleken met het onderwijs van de oosterse cultuur, dus meer belang aan mensenrechten en aan het verdedigen van de rechten van mensen. Ze is superieur aan de oosterse cultuur, maar dat betekent niet dat ze de waarheid kan vervangen. Je moet niet denken dat alleen omdat ze superieur is aan de oosterse cultuur, of omdat ze mensenrechten respecteert en mensen in staat stelt onafhankelijk en vrij te zijn, ze daarom de plaats van de waarheidsprincipes kan innemen en als iets positiefs kan worden omschreven. Het westerse culturele onderwijs is slechts superieur aan het oosterse culturele onderwijs en meer in overeenstemming met de behoeften van de mensheid. Het kan echter niet worden gelijkgesteld aan de waarheidsprincipes, noch kan ze deze vervangen. Tot op zekere hoogte verdedigt en respecteert ze slechts de behoeften van de mensheid, evenals de waardigheid van mensen en hun rechten en belangen. Dit respect is echter alleen relevant wat betreft menselijkheid. Wat betreft de waarheid en gerechtigheid: ze verdedigt geen van deze dingen. Daarom is het westerse culturele onderwijs een onderwijs in egoïsme. Een onderwijs in egoïsme betekent: iedereen moet mijn belangen dienen. Ik moet alles zelf goed overdenken voordat ik het doe. Mijn persoonlijke belangen, mijn mensenrechten en mijn individuele rechten staan voorop. Valt hier te spreken van enige morele gerechtigheid? Valt er te spreken van enige eerlijkheid? (Nee.) Als er geen sprake is van eerlijkheid of morele gerechtigheid, hoe kan het dan in overeenstemming zijn met de waarheidsprincipes? Tot op zekere hoogte respecteert het westerse culturele onderwijs je mensenrechten; het geeft je het recht om over kwesties na te denken en vrij je mening te uiten. Op deze manier kan ze in wezen de waardigheid en mensenrechten van mensen waarborgen. Tot op zekere hoogte is het westerse onderwijs dus meer in overeenstemming met de behoeften van de mensheid. Maar kan het westerse onderwijs mensen op het juiste levenspad leiden? Kan het mensen in staat stellen alle mensen te behandelen en alle dingen te doen volgens de waarheidsprincipes? Dat kan het niet. Het westerse onderwijs kan garanderen dat iedereen mensenrechten heeft en het recht om zijn waardigheid te waarborgen – dit is volledig in overeenstemming met de behoeften van de mensheid. Wanneer we dit echter afmeten aan de werkelijke situatie in de samenleving, zijn er maar weinig landen die volledig voldoen aan de norm van het garanderen van mensenrechten. Realistisch gesproken is een sociaal systeem dat mensen in staat stelt vrij over kwesties na te denken en hun mening vrij te uiten, al een heel goed systeem in de huidige samenleving. God gaf mensen een vrije wil en het vermogen om onafhankelijk over kwesties na te denken; dit is slechts één aspect van het kaliber dat Hij hun gaf. God heeft je echter nooit verteld: “Wees egoïstisch, wees autonoom. Alles moet gericht zijn op je eigen belangen. Je eigen belangen staan voorop. In alle dingen moet je onafhankelijk zijn en je eigen meester zijn, en het is niet nodig om de waarheid te zoeken, naar de wil van de Hemel te vragen of rekening te houden met de belangen van anderen.” God heeft niemand ooit op deze manier onderwezen. Vanaf het eerste moment dat God leiding gaf over het leven van de mens, heeft Hij specifieke manieren aangewezen waarop de mens moet leven en zich moet gedragen in alle aspecten. Hij heeft mensen verteld de waarheid na te streven, zich te onderwerpen aan Zijn orkestraties en regelingen, eerlijke mensen te zijn, de plicht van schepselen te vervullen, enzovoort. Deze dingen behoren allemaal tot de belangrijkste dingen waar iemand naar zou moeten streven in zijn leven. Van de vele waarheden die God heeft uitgedrukt, heeft Hij je nooit verteld dat je voor je rechten moet opkomen, en Hij heeft je ook nooit verteld vrij over kwesties na te denken en je eigen onafhankelijke ruimte te waarborgen. God heeft nooit zoiets gezegd. God gaf je alleen het vermogen om onafhankelijk over kwesties na te denken – dat is alles. Je hebt dit vermogen, en je hebt ook de aangeboren eigenschap van de vrije wil. Hoewel God mensen dergelijke aangeboren eigenschappen heeft gegeven, heeft Hij ook wetten en geboden voor hen vastgesteld, en hen voorzien van diverse waarheden, waarbij Hij hun heeft verteld hoe ze zich moesten gedragen en hoe ze God moesten aanbidden – voor alle zaken zijn er waarheidsprincipes waaraan mensen zich moeten houden. Maar in al Gods woorden en Zijn vermaningen aan mensen heeft Hij mensen nooit verteld autonoom te zijn, onafhankelijk te zijn of te leren hun rechten te verdedigen. Dergelijke gedachten, gezichtspunten, uitspraken en leringen zijn nooit in Gods woorden of in de waarheid naar voren gekomen. Integendeel, in de woorden waarin God de verdorven gezindheden van mensen blootlegt, legt Hij hun arrogantie en hun egoïsme bloot. Dit egoïsme is een eigenschap die door de menselijkheid van mensen wordt geopenbaard nadat ze door Satan zijn verdorven. Bij sommige mensen komt het tot uiting doordat ze proberen hun eigen belangen veilig te stellen nadat ze door Satan zijn verdorven; bij anderen is het puur het product van het onderwijs van deze samenleving. In beide gevallen is het egoïsme. Het maakt niet uit hoe het wordt voortgebracht, als je egoïstisch bent, is dat kort gezegd een eigenschap en openbaring van menselijkheid die je vertoont terwijl je onder verdorven gezindheden leeft. Is dit nu duidelijk? (Ja.)
De verschillende vermogens die besloten liggen in de aangeboren eigenschappen die God aan mensen geeft, of het kaliber en de capaciteiten die mensen van nature bezitten, hebben niets te maken met westers of oosters onderwijs. De verschillende vermogens binnen de door God gegeven aangeboren eigenschappen van mensen zijn positieve dingen. Waarom zeg Ik dat het positieve dingen zijn? Omdat deze aangeboren eigenschappen van God komen. Concreet stelt het bezitten van deze aangeboren eigenschappen een geschapen mens in staat om positieve dingen te aanvaarden, en om te leren van de verschillende mensen, gebeurtenissen en dingen die hij in het werkelijke leven tegenkomt, erover na te denken, ze te bevatten en te begrijpen. Dit is door God voor mensen gearrangeerd en voorbereid, dus is het een positief ding. Of het nu gaat om oosters of westers onderwijs, of om oosterse of westerse cultuur, geen van beide heeft iets te maken met de waarheid die God de mensen onderwijst en waarin Hij voor hen voorziet. Het druist zelfs in tegen de waarheid en tegen de menselijkheid die God eist dat mensen bezitten. Daarom is noch oosters onderwijs, noch westers onderwijs een positief ding. Of het nu voortkomt uit de maatschappij, uit kwaadaardige trends of uit een of andere heersende klasse, het is niet positief. Hoewel westers onderwijs iets geavanceerder en beter is dan oosters onderwijs, en in staat is mensen enige vrijheid te geven en aan sommige van hun behoeften te voldoen, maakt het slechts gebruik van de vrije wil van mensen en hun vermogen om over kwesties na te denken en vrijelijk meningen te uiten. Dat wil zeggen, het maakt gebruik van positieve dingen, maar de gedachten die het propageert en de doelen die het wil bereiken, zijn er niet op gericht om mensen het juiste pad te laten bewandelen, noch om hen te helpen de ware geschapen mensen te worden die God wil. In het licht hiervan heeft westers onderwijs, hoewel het superieur is aan oosters onderwijs en aan de behoeften van de mensheid voldoet, mensen er door het gebruik van hun vrije wil of bepaalde vermogens niet toe in staat gesteld zich aan God te onderwerpen, zich op de juiste manier als schepselen te gedragen en de plicht van een schepsel te vervullen. Dit onderwijs heeft mensen evenmin tot God gebracht, noch heeft het hen geholpen God te aanbidden en het kwaad te mijden. Oosters onderwijs en westers onderwijs hebben dezelfde functie: ze zorgen er beide voor dat mensen afstand nemen van God en van de waarheid. Ongeacht of het oosterse cultuur of westerse cultuur is, beide zijn ontstaan tegen de bredere maatschappelijke achtergrond van Satans heerschappij over de mensheid en door het proces waarin Satan de mensheid verdierf. Of het dus gaat om onderwijs in de culturele vorm van het Oosten of het Westen, iedereen leeft in deze menselijke wereld van Satans verdorvenheid. Op vergelijkbare wijze is de mensheid ook verdorven in verschillende maatschappijen of onder het onderwijs van verschillende maatschappijvormen, en het resultaat van deze verdorvenheid is dat mensen een menselijkheid zijn gaan bezitten die – dwars door verschillende niveaus en vormen van cultuur heen – de verdorven gezindheden als haar leven heeft. Oosterse mensen bezitten de verdorven gezindheden van de eigenschappen van menselijkheid die door de oosterse cultuur zijn voortgebracht, terwijl westerlingen de verdorven gezindheden bezitten van de eigenschappen van menselijkheid die tegen de achtergrond van de westerse cultuur zijn voortgebracht. Hoewel oosterse en westerse mensen misschien verschillend lijken wat betreft de eigenschappen van hun menselijkheid, leven zowel oosterse als westerse mensen, wat hun verdorven gezindheden betreft, aangezien ze allemaal door Satan zijn verdorven, binnen dezelfde verdorven gezindheden, en bezitten ze beiden een menselijkheid die dezelfde verdorven gezindheden als haar leven heeft. Op deze manier is de aard-essentie van oosterse en westerse mensen gelijk: ze zijn beiden vijandig gezind jegens de waarheid en jegens God. Er is dus niets prijzenswaardigs aan oosterse of westerse mensen. Of het nu oosterse cultuur of westerse cultuur is, in de aanwezigheid van God en de waarheid zijn het beide negatieve dingen, die niets lovenswaardigs bevatten. Zowel de oosterse als de westerse beschaving is in strijd met de bedoeling die God oorspronkelijk had bij het scheppen van de mensheid, namelijk dat de mensheid Hem zou aanbidden. Ze gebruiken hun respectievelijke vormen van cultureel onderwijs om mensen, die tot de gelederen van de schepselen behoren, weg te rukken uit Gods aanwezigheid. In dit opzicht zijn het Oosten en het Westen hetzelfde, nietwaar? (Ja.) Er is niets prijzenswaardigs aan het Oosten, noch aan het Westen. Je ziet dat, daar waar beiden Gods werk van de laatste dagen hebben aanvaard, oosterse mensen, nadat ze het hebben aanvaard, onmiddellijk broeders en zusters gaan ontvangen en het initiatief nemen om hen mee te nemen om het evangelie aan hun familieleden en vrienden te prediken; ze hebben grote ijver en enthousiasme voor het werk van de prediking van het evangelie – westerlingen daarentegen zijn anders. Ze zijn erg voorzichtig wat betreft het werk van de prediking van het evangelie. Zelfs wanneer ze Gods nieuwe werk al een half jaar of een jaar geleden hebben aanvaard, zeggen ze, wanneer je hun vraagt of ze het evangelie aan hun familieleden en vrienden hebben gepredikt: “Mijn ouders, familieleden, vrienden en medekerkgangers hebben veelal hun eigen onafhankelijke gedachten en gezichtspunten over de kwestie van de terugkeer van de Heer. Ik moet er goed over nadenken en eerst met ze overleggen voordat ik ze als potentiële kandidaten voor het accepteren van het evangelie aan jullie kan doorgeven. De belangrijkste eigenschap van de manier waarop wij ons in het Westen gedragen, is dat we onze rechten moeten verdedigen en onze onafhankelijke ruimte zoveel mogelijk moeten beschermen. Hoe kun je mensen zomaar het evangelie prediken zonder daar rekening mee te houden?” Jij zegt: “Je predikt hen het evangelie zodat ze de Heer kunnen verwelkomen, de waarheden kunnen verkrijgen die God in de laatste dagen uitdrukt, en de kans hebben om redding te bereiken en de rampen te overleven. Dit is Gods opdracht, en het is de verantwoordelijkheid die je behoort te vervullen.” Zij antwoorden: “Nou, ik moet nog steeds eerst mezelf beschermen; Gods opdracht kan wachten. Ik kan deze kwestie zelf wel regelen. Ik moet zelf onafhankelijk nadenken en kan me niet door jullie laten beïnvloeden. Wij in het Westen hechten waarde aan democratie en vrijheid; we zijn ons ervan bewust dat we onze rechten moeten verdedigen. We zijn niet zoals jullie oosterse mensen met jullie blinde enthousiasme. We hebben allemaal onze eigen persoonlijke leefruimte, en niemand valt een ander lastig.” Zie je? Het is op zulke kritieke momenten dat de eigenschappen van de menselijkheid van oosterse en westerse duidelijk naar voren komen en van elkaar kunnen worden onderscheiden. Maar hoe dan ook, ongeacht of de eigenschappen van menselijkheid worden voortgebracht door oosters of westers onderwijs – of het nu enthousiasme of onverschilligheid is – zolang een persoon binnen Satans verdorven gezindheden leeft, is hij een lid van de verdorven mensheid. Er is hier geen onderscheid tussen hogergeplaatsten en gewone mensen; iedereen moet inzicht hebben in de waarheid, de voorziening van Gods woorden, Gods redding en, meer nog, Gods oordeel en tuchtiging.
Hoewel oosterse en westerse mensen verschillende culturen hebben en in verschillende beschavingen onder Gods heerschappij en soevereiniteit leven, hebben ze voor God slechts één identiteit, en dat is die van schepsel. De basis van de gelijkheid van schepselen wordt gevormd door het feit dat de aangeboren eigenschappen die God voor mensen heeft geschapen, dezelfde zijn. Welke culturele verschillen er ook bestaan tussen oosterse en westerse mensen, hoe ze ook verschillen wat betreft uiterlijk, taal, of hun benaderingen en manieren om over kwesties na te denken, zolang je voor God een door Hem geschapen schepsel bent, zijn de enige positieve dingen die je hebt de aangeboren eigenschappen die Hij je heeft gegeven; alle andere dingen zijn negatieve dingen. Dit klinkt voor jullie misschien een beetje als een generalisatie, dus om specifiek te zijn: alles in jou – afgezien van de aangeboren eigenschappen die God je heeft gegeven – is iets wat God wil veranderen, en iets wat je zou moeten veranderen en afwerpen door de waarheid te aanvaarden. Wat is datgene dat je te weten moet komen? De zogenaamde cultuur van de mensheid, of die nu oosters of westers is, bestaat uit gedachten en gezichtspunten, of theorieën en beweringen, die door de heersende klassen van verschillende perioden zijn ontworpen om de massa’s te onderwijzen. Dit heeft echter, of het nu oosterse of westerse cultuur is, niets met de waarheid te maken. Zelfs als het niet in strijd is met de waarheid, kan het nog steeds geen positief ding worden genoemd. Hoe goed een bepaalde cultuur ook is, ze kan niet tippen aan de waarheid, laat staan de waarheid vertegenwoordigen. Zelfs als het niet is wat mensen als een negatief ding beschouwen, kan het absoluut niet in de categorie van positieve verschijnselen worden ondergebracht. Je moet hier duidelijk over zijn. Zelfs als een denkrichting onder de mensheid relatief geavanceerd en vooruitstrevend is, en de rechten, belangen en overleving van mensen waarborgt, en op geen enkele manier in strijd is met de waarheid, kan deze nog steeds absoluut niet in de categorie van positieve dingen worden ondergebracht. Waarom niet? Omdat alleen dingen die binnen de reikwijdte van wat door God is geschapen, door God is voorbeschikt of onder Gods soevereiniteit valt, positieve dingen zijn. Waarom worden de dingen binnen deze reikwijdte in de categorie van positieve dingen ondergebracht? Omdat ze betrekking hebben op de waarheid. Vanuit het grotere geheel, vanaf Gods niveau en vanuit Gods perspectief bekeken, hebben ze betrekking op Gods kracht en gezag; Gods gezindheid; de principes en oorspronkelijke bedoelingen achter Gods schepping, voorbeschikking en soevereiniteit over al deze dingen; en het doel dat Hij wil bereiken, en alle effecten die teweeg worden gebracht door de positieve dingen die Hij in stand wil houden. Aangezien ze, gezien vanaf Gods niveau, betrekking hebben op Gods gezag, kracht en gedachten, evenals op de vastgestelde wetten en regels die een rol spelen bij het feit dat God dit alles doet en de impact die dit op de mensheid heeft, zijn dingen binnen deze reikwijdte absoluut positieve dingen. Vanuit het menselijk perspectief is alles wat door God is geschapen, door God is voorbeschikt of onder Gods soevereiniteit valt, gunstig voor mensen; het bestaat allemaal om de ordelijke overleving en voortplanting van de mensheid in stand te houden en te handhaven. Er is ook nog een ander, specifieker punt, dat betrekking heeft op Gods management: deze dingen bestaan om mensen in staat te stellen de waarheid te begrijpen en God beter te leren kennen, om uiteindelijk het pad in te slaan waarop ze redding bereiken en mensen worden die God vrezen en het kwaad mijden – dit is het resultaat dat bereikt moet worden. Of het dus vanuit Gods perspectief of vanuit het menselijk perspectief wordt bekeken, de mensen, gebeurtenissen en dingen binnen de reikwijdte van wat door God is geschapen, door God is voorbeschikt of onder Gods soevereiniteit valt, zijn allemaal positieve dingen. Daar kan geen twijfel over bestaan. Denk er eens over na: kunnen de menselijke beschaving en cultuur tippen aan dingen die op het niveau liggen van Gods woorden en Gods vereisten voor de mens? Ze kunnen daar beslist niet aan tippen of zulke dingen evenaren. De inhoud van menselijk onderwijs of menselijke cultuur heeft geen betrekking op Gods essentie, Gods gezindheid of de wetten en regels die God voor de mensheid heeft vastgesteld, laat staan op Gods oorspronkelijke bedoeling bij het scheppen van alle dingen. Bovendien kunnen dit soort onderwijs en cultuur, vanuit het menselijk perspectief, de mensheid niet helpen God, de Schepper, te leren kennen, noch kunnen ze de mensheid helpen beter te leven, of zich op een normale en ordelijke manier voort te planten en voort te leven. Integendeel, binnen de educatieve omgeving van zo’n cultuur en beschaving zal de mensheid afstevenen op verval en vernietiging. Er is nog een ander, belangrijker aspect: omdat de mensheid overgeleverd is aan dit zogenaamde ‘culturele onderwijs’ en deze ‘sociale beschaving’, kan ze de waarheid niet begrijpen, noch de betekenis van het feit dat ze leeft, noch de manier om het te overleven. Ze kan daardoor ook geen correcte levensbeschouwing verkrijgen en het pad inslaan waarop ze redding bereiken, noch zullen ze in staat zijn God te aanbidden, of God te vrezen en het kwaad te mijden. Integendeel, in een sociale omgeving van dergelijk cultureel onderwijs en dergelijke beschaving wordt de mensheid steeds verdorvener en boosaardiger, drijft ze steeds verder van God af en doet ze buitensporig veel kwaad. Uiteindelijk zou de mensheid, zelfs als God haar niet zou vernietigen, toch haar eigen vernietiging bewerkstelligen. Als de mensheid zichzelf zou besturen, zou ze afstevenen op vernietiging; dit is onvermijdelijk. De mensheid heeft zo’n hoog niveau van cultuur, zoveel kennis, zo’n grote beschaving, ze gelooft in de wetenschap en vertrouwt erop – waarom zou ze dan toch haar eigen vernietiging bewerkstelligen? De mensheid jaagt kennis na en vereert de wetenschap zozeer, maar niet alleen heeft zij de waarheid niet begrepen en is ze niet het pad ingeslagen van het geloven in God, het volgen van God en het in staat zijn God te vrezen en het kwaad te mijden, maar kan ze zelfs haar eigen ondergang bewerkstelligen. Wat is hier aan de hand? Wat is er van de aarde geworden doordat de mensheid de aarde heeft beheerd? Het water, de bodem en de lucht van de hele planeet zijn vervuild, de ecologische milieu is ernstig aangetast en het leven van de hele mensheid is geleidelijk in een wanhopige situatie beland. Dit is een feit dat iedereen kan zien; het is dus niet nodig om hierover in detail te treden, nietwaar? (Inderdaad.) Of het dus de oosterse of westerse cultuur betreft, wat voor soort beschaving de mensheid ook heeft, zelfs als deze op geen enkele manier in strijd is met de waarheid, dan kan ze nog steeds niet als een positief ding worden geclassificeerd. De gezichtspunten, gedachten, theorieën, doctrines, argumenten en gedragingen die onder het onderwerp ‘menselijke cultuur en beschaving’ vallen, alle producten, werken of hervormingen die onder dit onderwerp worden geproduceerd, enzovoort, zijn geen positieve dingen. Sommige mensen zeggen: “Aangezien dit geen positieve dingen zijn, betekent dit dan dat we ze moeten bekritiseren en als negatieve dingen moeten classificeren?” Ik heb het niet zo zwart-wit gesteld. Het gaat hier misschien niet om positieve of negatieve dingen, maar het zijn in ieder geval zeker geen positieve dingen. Dat wil zeggen, zelfs als deze dingen niet in strijd zijn met de waarheid en het principe van Gods schepping, voorbeschikking en soevereiniteit niet schenden – als het geen negatieve dingen zijn – zijn het nog steeds absoluut geen positieve dingen. Kortom, dit is wat Ik je vertel: zelfs als iets niet in strijd is met de waarheid, zolang het niet door God is geschapen, door God is voorbeschikt of onder Gods soevereiniteit valt, is het geen positief ding. Dit is het principe om te onderscheiden of iets een positief ding is; je zou dingen voor jezelf moeten onderscheiden op basis van dit principe. Wat is hier het belangrijkste punt? Het is dat je in je hart duidelijk voor ogen moet houden dat, wanneer je niet helder kunt zien of iets positief of negatief is, je het eerst gewoon opzij kunt zetten en negeren. Wanneer je gestalte is gegroeid en de waarheid je duidelijk is, zul je natuurlijk in staat zijn het te onderscheiden. Maar voor nu moet je duidelijk onderscheiden welke dingen positieve dingen zijn, de dingen die van God komen, en je moet ze aanvaarden en correct behandelen. Dit is bevorderlijk voor je levensgroei. Er is nog een belangrijk punt: als iets een positief ding is dat onder de definitie van positieve dingen valt, dan mag je het absoluut niet behandelen alsof het een negatief ding is. Dit is een principekwestie, en daar moet je duidelijk over zijn.
De relatie tussen de overlevingswetten en -regels die door God voor alle dingen zijn geschapen en de overleving van de mensheid
Laten we het, nu we de bespreking van de menselijke beschaving en cultuur hebben afgerond, vervolgens hebben over de relatie tussen de overleving van deze door God geschapen mensheid en de overlevingswetten en -regels die door God voor alle dingen zijn geschapen. Vanuit een macroscopisch perspectief heeft de wereld die God heeft geschapen bergen, rivieren, meren, bossen, oceanen, land, woestijnen, de zon, de maan en de sterren, de ruimte op aarde, en de kosmos die mens en niet kunnen zien. En wat is er vanuit een microscopisch perspectief? Er zijn kleine moleculen, moleculen in de lucht en verschillende micro-organismen. Of het nu vanuit een macroscopisch of microscopisch perspectief wordt bekeken, het heeft allemaal betrekking op Gods schepping – de schepping door Gods handen en door Gods gedachten. Vanuit het perspectief van Gods schepping is het doel van het bestaan van de aarde en alle levende wezens daarop dat de overleving van de mensheid op aarde in stand wordt houden, en God wil uit de mensen op aarde de geschapen mensen die Hij verlangt winnen. Daarom zijn de overlevingswetten en -regels die door God voor alle dingen zijn geschapen de meest elementaire voorwaarden voor de menselijke overleving. Er kan dus stellig worden gezegd dat het positieve dingen zijn, nietwaar? (Ja.) Wat zijn de meest elementaire voorwaarden voor de menselijke overleving? Water, lucht, zonlicht, voedsel – zijn deze dingen door God geschapen? (Ja.) Zijn het positieve dingen? (Ja.) Waarom wordt het bestaan van deze dingen dan een positief ding genoemd? Daar is een reden voor: het bestaan van deze dingen hangt af van het bestaan van de overlevingswetten en -regels voor alle dingen. Welke overlevingswetten en -regels zijn er onder alle dingen? De vier seizoenen; dag en nacht; wind, vorst, sneeuw en regen – dit zijn allemaal regels. Wat nog meer? Bedenken jullie er ook eens een paar. (Er is ook de zonnekalender.) De zonnekalender is inbegrepen in de vier seizoenen. Wat nog meer? Het wassen en afnemen van de maan, het rijzen en dalen van de getijden. Er is ook: ‘Grote vissen eten kleine vissen’ – dit is een overlevingswet en -regel, en is geen negatief ding. Mensen gebruiken de uitdrukking ‘Grote vissen eten kleine vissen’ om de meedogenloze aard van de menselijke wereld te beschrijven; dit is een normaal fenomeen van een positief ding nemen en het een negatief ding noemen. Er zijn ook de vele activiteitspatronen van levende wezens. Denk er eens over na wat dat omvat. (Telt ‘De sterken azen op de zwakken’ als een overlevingswet?) Nee, dat is een denigrerende manier waarop mensen het uitdrukken; het zou ‘survival of the fittest’ moeten zijn. (Ik herinner me dat God ooit heeft gecommuniceerd dat alle dingen elkaar versterken, elkaar tegenwerken en samen bestaan. Telt dat?) Ja, dat telt. Ze versterken elkaar allemaal, werken elkaar tegen en bestaan samen – dit is een heel belangrijk aspect. ‘De bidsprinkhaan besluipt de cicade, onbewust van de wielewaal erachter’ is er nog een; dit is enigszins gerelateerd aan dingen die elkaar versterken en tegenwerken. (Is geboorte, veroudering, ziekte en dood er een?) Ja, dat is er een. Er is ook ‘Kraaien voeden hun ouder wordende moeders en lammeren knielen om te zogen’, wat over een zoogdier en een vogel gaat – dit is een fenomeen in het dierenrijk, het is een natuurwet. Er zijn in feite veel overlevingswetten en -regels voor alle dingen: de wisseling van de vier seizoenen; het verschijnen van wind, vorst, sneeuw en regen; de cyclus van dag en nacht; het wassen en afnemen van de maan; het rijzen en dalen van de getijden; het elkaar wederzijds versterken, tegenwerken en het samen bestaan van alle dingen; evenals de geboorte, veroudering, ziekte en dood van mensen en alle andere schepselen, en de activiteitspatronen van verschillende schepselen. Sommige schepselen slapen overdag en zijn ’s nachts actief, terwijl andere overdag actief zijn en ’s nachts slapen, zoals mensen. Sommige schepselen leven in groepen, terwijl andere solitair zijn; adelaars vliegen bijvoorbeeld over het algemeen alleen, terwijl wilde ganzen in zwermen vliegen en groepsdieren zijn. Er is ook het fenomeen in de levende wereld van kraaien die hun ouder wordende moeders voeden en lammeren die knielen om te zogen. Al zulke dingen zijn verschillende soorten fenomenen en uitingen die in het werkelijke leven kunnen worden gezien en gevoeld. Het verschijnen van al deze macroscopische en microscopische fenomenen volgt de wetten en regels die door God zijn vastgesteld. Het ontstaan, het bestaan en de voortzetting van al deze wetten en regels dienen één doel: het in stand houden van de meest elementaire leefomgeving van de aarde, dit thuis voor de overleving van de mensheid. Met deze meest elementaire leefomgeving heeft de mensheid de aarde als het thuis waarvan ze voor haar overleving afhankelijk is, waardoor ze zich kan blijven voortplanten en voortleven. Het levert ook eindeloos het fundamentele water, de lucht, het zonlicht en het voedsel dat de mensheid nodig heeft. Alleen met deze eindeloze voorziening kan het fysieke leven van mensen, deze door God geschapen wezens, bestaan, zich voortplanten en voortdurend in stand worden gehouden, en heeft de mensheid de kans om voor God te komen en Zijn redding te aanvaarden wanneer Hij Zijn managementwerk uitvoert, en schepselen te worden die God aanvaardt. Daarom geldt voor alle dingen die door God zijn geschapen: ongeacht welke vorm een levend wezen heeft, ongeacht wat zijn overlevingswetten en -regels zijn, en ongeacht hoe zijn relatie met alle andere dingen is, dat het, kort gezegd, overleeft te midden van de wetten en regels die door God zijn geschapen. Dat wil zeggen, elk levend wezen houdt zich, vanuit het uitgangspunt dat het door God is geschapen, aan de wetten en regels die Hij heeft vastgesteld, en speelt daarbinnen zijn eigen onmisbare rol. Dit is de voedselketen die wordt voortgebracht door de wetten en regels die door God voor de mensheid zijn vastgesteld, en deze voedselketen is van vitaal belang voor de mensheid. De voorwaarde voor het bestaan van de voedselketen is dat alle dingen zich moeten houden aan de wetten en regels die door God zijn vastgesteld. Als ze deze wetten en regels negeren en amok maken, zal het gevolg zijn dat de voedselketen die alle door God geschapen dingen verbindt, zal breken. Zodra deze voedselketen breekt, zal dit in verschillende mate gevolgen hebben voor het water, de lucht, het zonlicht en het voedsel waarvan de mensheid voor haar overleving afhankelijk is, hetzij geleidelijk, hetzij de een na de ander. Daarom hebben alle wetten en regels voor alle dingen die door God zijn vastgesteld, en elk levend wezen dat door God is geschapen, een vitale impact op de voedselketen. Als er een probleem ontstaat met een van de overlevingsregels voor alle dingen, zal dit een domino-effect hebben op het bestaan en de voortzetting van de voedselketen, en zo zullen het fundamentele water, de lucht, het zonlicht en het voedsel dat de mensheid nodig heeft in gevaar komen. De voedselketen is dus een belangrijke bron en een belangrijke indicator voor de vraag of de mensheid kan overleven. Wat is deze voedselketen precies? De voedselketen maakt deel uit van Gods schepping. Onder alle dingen die door God zijn geschapen, zijn er tastbare dingen, en er zijn ook enkele ontastbare dingen die onzichtbaar zijn voor het blote oog. Deze tastbare dingen omvatten bergen, rivieren, bossen, bodem, woestijnen, de Noord- en Zuidpool, de zon, sterren en maan, evenals diverse dieren en planten, enzovoort. De ontastbare dingen omvatten micro-organismen, lucht, zelfs de ultraviolette stralen in zonlicht, evenals de dingen waar mensen onderzoek naar hebben gedaan – zogenaamde atomen en energie, enkele van de onzichtbare voedingsstoffen die in de lucht en in water zitten, enzovoort. Al deze macroscopische, tastbare dingen, samen met de micro-organismen en de substanties in dingen als zonlicht en lucht die mensen niet kunnen zien – al deze dingen vormen samen de leefomgeving die essentieel is voor de menselijke overleving. Als er problemen ontstaan in deze leefomgeving, zullen de overleving en de toekomst van de mensheid voor uitdagingen komen te staan en worden bedreigd. De overlevingswetten en -regels voor alle dingen vormen dus een elementaire voorwaarde waaraan noodzakelijk moet worden voldaan om de voedselketen in stand te houden. Op zijn beurt vormt het bestaan van de voedselketen een elementaire voorwaarde voor de overleving van de mensheid. Dus, of het nu gaat om de wetten en regels, de voedselketen, of water, lucht, zonlicht en voedsel, als er een probleem ontstaat met een van deze, zal dit onvermijdelijk gevolgen hebben voor de overleving van de mensheid – dat wil zeggen, het zal gevolgen hebben voor het voortbestaan van het fysieke leven van dit schepsel, de mensheid. Voor God mogen er dus geen problemen zijn met de overlevingswetten en -regels voor alle dingen, de voedselketen, water, lucht, zonlicht en voedsel; ze moeten allemaal worden onderhouden, in stand worden gehouden en op een ordelijke manier worden voortgezet – alleen op deze manier kan de mensheid blijven overleven en kan haar fysieke leven in stand worden gehouden.
Wat is de kwestie die meespeelt bij het de voortdurende overleving van de mensheid? Onder de overlevingswetten en -regels die voor alle dingen gelden, zijn de bredere aspecten – dingen zoals dag en nacht en de vier seizoenen – noodzakelijk. Hierbinnen is er in wezen niets dat mensen volgens hun voorstellingen als slecht beschouwen. Over de verschillende levende wezens zoals bomen, bloemen en planten ontwikkelen mensen geen noties, omdat ze op geen enkele manier een dodelijke impact op mensen hebben. Er zijn echter enkele giftige en schadelijke dingen in de voedselketen, zoals muggen, die enkele negatieve effecten op het menselijk lichaam hebben. Dit zijn dingen waar mensen op basis van hun noties een hekel aan hebben – vooral enkele zeer giftige levende wezens, zoals bepaalde slangen, schorpioenen en duizendpoten. Waarom heeft God deze giftige dingen geschapen? Wat was Zijn doel toen hij deze schiep? Welke rol spelen ze in de voedselketen? Dit is cruciaal. Als we kijken naar hun vormen of hun aard, of naar enkele van de levenskenmerken die ze onder andere levende wezens bezitten, lijkt het alsof ze geen positieve rol spelen. Waarom wordt er dan toch gezegd dat het positieve dingen zijn? Dit moet worden uitgelegd in termen van de voedselketen. We bestuderen geen biologie – we zullen de dingen niet vanuit een wetenschappelijk perspectief bespreken, maar zullen dit bekijken vanuit het perspectief van Gods bedoeling bij het scheppen van dit soort levende wezens. Ten eerste gaf God hun een unieke vaardigheid om hun overleving veilig te stellen; op deze manier kunnen ze in leven blijven. Ten tweede spelen ze ook een bepaalde rol in de voedselketen – hun manier van overleven en het gif dat ze afscheiden, kunnen noodzakelijke voedingsstoffen of voedselbronnen voor andere levende wezens vormen. Daarnaast zorgen ze ook voor de noodzakelijke omstandigheden voor de overdracht, voortplanting, afleiding en evolutie van bacteriën en de overdracht van genen in de hele biosfeer, en spelen ze in dit opzicht een bepaalde rol. Alleen doordat deze levende wezens bestaan kan de biosfeer het genetisch evenwicht en een evenwicht wat betreft bacteriële diversificatie in stand houden, waardoor de verschillende soorten bacteriën in balans blijven. Neem bijvoorbeeld muggen en vliegen. Ze eten sommige parasieten en dragen ook sommige bacteriën over. We zullen er niet dieper op ingaan; het is gewoon dit eenvoudige concept. Kortom, sommige speciale levende wezens dienen enkele speciale doelen voor de mensheid, en spelen ook een onmisbare rol in de voedselketen. Deze onmisbare rol houdt het bestaan van de voedselketen in stand. Alle dingen kunnen alleen overleven en op een ordelijke manier voortbestaan als deze voedselketen bestaat en niet wordt vernietigd. Omdat alle dingen een relatie delen waarin ze elkaar versterken, tegen elkaar in werken en samen bestaan, mag de voedselketen niet worden verbroken. Het bestaan van de verschillende levende wezens binnen de voedselketen moet in een staat van evenwicht worden gehouden, en hun leefruimte en bestaan moeten in stand worden gehouden. Daarom zijn de door God vastgestelde overlevingswetten en -regels voor alle dingen van vitaal belang. Alleen het bestaan van de overlevingswetten en -regels die door God voor alle dingen zijn geschapen, kan de voortzetting van de voedselketen waarborgen en garanderen dat deze niet wordt verbroken. Het bestaan, de voortzetting en de bescherming van de voedselketen vormen een fundamentele garantie dat mensen in staat zullen zijn water, lucht, zonlicht en voedsel te verkrijgen. Alleen wanneer mensen deze fundamentele garantie hebben, kan hun fysieke leven in stand worden gehouden; alleen dan kunnen ze zich voortplanten en voortleven in dit aardse thuis, een leefomgeving als deze. Alleen op deze manier kan de mensheid een toekomst en hoop hebben.
Principes voor de behandeling van alle dingen die door God zijn geschapen
De wetten en regels die worden gevolgd door de vier seizoenen, dag en nacht, en wind, vorst, sneeuw en regen – dingen die bestaan onder de wetten en regels die door God zijn geschapen – evenals de vormen waarin ze verschijnen, zijn, hoe je het ook wendt of keert, positieve dingen die door God zijn geschapen. Wat betreft de verschillende levende wezens – ongeacht de vorm en manier van overleven, ongeacht hoe ze jagen of voedsel verkrijgen – geldt kortom dat, zolang ze leven binnen de wetten en regels die door God zijn vastgesteld, en zolang ze een essentieel, onmisbaar onderdeel zijn van de voedselketen die door God is geschapen, het positieve dingen zijn die van God komen. Mensen zouden niet over hen moeten oordelen op basis van hun eigen opvattingen en voorkeuren. Iemand zou kunnen zeggen: “Zijn muggen en vliegen dan positieve dingen? Hoe zit het met giftige slangen, duizendpoten en schorpioenen? En vooral padden, die zo lelijk zijn – zijn dat ook positieve dingen?” Hoe kun je dit het meest nauwkeurig verwoorden? De rollen die worden gespeeld door deze door God geschapen soorten en de wetten en regels die ze volgen, zijn allemaal positieve dingen. En hoe zit het met hun fysieke vormen en uiterlijk – zijn dat positieve dingen? Als het echt moest, zou je ze positieve dingen kunnen noemen. Het zijn in elk geval geen negatieve dingen. Op zijn minst bestaan ze, wat betreft de regels die ze volgen, de rollen die deze levende wezens spelen en het feit dat ze noodzakelijk zijn in de voedselketen, als positieve dingen. Is dit geen nauwkeurige manier om het uit te drukken? (Dat is het.) Om precies te zijn: omdat zulke levende wezens de wetten en regels volgen die door God zijn vastgesteld en de verantwoordelijkheden en missie vervullen die God voor hen heeft uitgestippeld – omdat ze hun missie waarmaken, of het nu gaat om het verspreiden van bacteriën of het in stand houden van het reproductieve evenwicht van verschillende micro-organismen – is hun bestaan zelf, bekeken in termen van de rollen die ze spelen en de betekenis en het doel van hun schepping door God, een positief ding. Als we zouden zeggen dat de mug op zichzelf een positief ding is, zou dit misschien een beetje moeilijk te begrijpen of te aanvaarden zijn. Kijkend naar Gods bedoeling bij het scheppen ervan, de wetten en regels die het volgt en de rol die het speelt in de voedselketen, is de mug echter onmisbaar – en dus is ze een positief ding. Sommige mensen zeggen: “Aangezien muggen positieve dingen zijn, betekent dit dan dat we ze moeten aanvaarden en dat we ze niet mogen doodslaan?” Als een mug op het punt staat je te steken, mag je haar doodslaan. Als er een vlieg om je heen zoemt terwijl je aan het eten bent, kun je deze wegjagen of doodslaan. Dit komt omdat een of twee muggen of vliegen minder geen problemen zullen veroorzaken voor de voedselketen, noch zal het de voltooiing van de missie van deze wezens beïnvloeden. Als zo’n wezen zijn missie wil vervullen, moet het daarvoor de juiste plek vinden. Het is niet nodig in menselijke leefomgevingen, jaag het dus gewoon weg laat daarmee de kous af zijn – leef er vreedzaam mee samen. Als het niet vreedzaam met je samenleeft en je blijft lastigvallen, dan is het prima om het weg te jagen of dood te slaan. Dit wordt redelijk management en correcte behandeling genoemd. Sommige mensen zeggen: “Muggen vallen me altijd lastig en steken me vaak. Mag ik ze vervloeken?” Dat is niet nodig. Je kunt ze gewoon doodslaan. Je hebt het volste recht om ze dood te slaan; dit is volledig in overeenstemming met het principe van hoe de mensheid – de rentmeester van alle dingen – alle dingen zou moeten behandelen. Als er bijvoorbeeld een giftige slang je huis binnenkomt en je ziet dat dit niet de plek is waar hij thuishoort, moet je hem gewoon het bos in jagen. Als je erdoor wordt gebeten en vergiftigd, moet je een manier vinden om onmiddellijk medische behandeling te krijgen. Het is niet nodig dat je hem probeert te vinden om wraak te nemen en hem te doden. Zou het niet nog meer problemen opleveren als hij je opnieuw schade zou berokkenen? Betaal hem dus niet met gelijke munt terug; leer gewoon je ertegen te wapenen. Een intelligent persoon zou in staat zijn uit deze gebeurtenis een les te trekken. Wat waren de drie principes waar we het zojuist over hadden? (Ten eerste, wees er zeker van dat het een positief ding is. Ten tweede, als het bij je in de buurt opduikt en je wilt je er niet mee bemoeien, blijf er dan gewoon bij uit de buurt – laat het niet dichtbij komen en laat het je niet storen. Ten derde, neem er een correct gezichtspunt over in. Voel er geen afkeer van en verafschuw het niet. In plaats daarvan moet je het aanvaarden en erkennen en het vervolgens redelijkerwijs managen.) Manage het redelijkerwijs en behandel het correct. Klaag niet over God en oordeel niet dat God er verkeerd aan deed om het te scheppen, of dat Hij misschien een fout heeft gemaakt, alleen maar omdat het je heeft gestoord of je soms wat problemen heeft bezorgd, of je zelfs heeft gebeten en vergiftigd – het is onjuist het op deze manier te bekijken. Het kan zijn dat je het niet goed hebt gemanaged, of het kan zijn dat het per ongeluk je huis is binnengekomen en je heeft gestoord. Maar als je het vriendelijk toespreekt en zegt: “Je bent de verkeerde kant op gegaan, dit is niet jouw thuis. Als je geen kwade bedoelingen met mij hebt, zal ik je geen kwaad doen. Ga naar de plek waar je hoort te zijn,” en het ziet dat je het geen kwaad zult doen, zal het zich omdraaien en uit zichzelf vertrekken. Je zegt ertegen: “Tot ziens. Tot weerziens! Onze ontmoeting dit keer was voorbestemd. Ook als het ons lot is dat we elkaar weer ontmoeten, zal ik je toch laten gaan.” Als het dit hoort, zal het denken: ‘Mensen zijn geweldig. Ze weten echt hoe ze ons moeten managen. Ze hebben geen kwade bedoelingen.’ Zolang je het geen kwaad doet, zal het jou ook geen kwaad doen. Sommige dieren doen mensen kwaad omdat mensen hen altijd kwaad doen; ze gaan mensen pas kwaad doen nadat ze vijandigheid jegens hen hebben ontwikkeld, en ze doen dit vanwege de dwaasheid en venijnigheid van mensen. Zulke wezens koesteren van nature geen vijandigheid of vijandschap jegens mensen. Je ziet dat, toen Noach de ark bouwde, geen van de dieren iemand kwaad deed. Noach kon zelfs met de dieren omgaan en ze trainen. In die tijd waren mensen en dieren vriendelijk tegen elkaar. Later raakten mensen steeds dieper verdorven en werden ze uiterst venijnig, ze wilden altijd op dieren jagen voor hun vlees, en zo groeide de vijandigheid tussen mensen en verschillende dieren. Zodra vleesetende dieren de geur van een mens opvangen, voelen ze dat er een smakelijke maaltijd is geserveerd en willen ze hun buik rond eten. Welke kant heeft dit veroorzaakt? Het werd volledig veroorzaakt door de uiterste venijnigheid van de mensheid. Begrijpen jullie dit? (Ja.)
Of het nu vanuit een macroscopisch of microscopisch perspectief wordt bekeken, alle dingen die door God zijn geschapen, zijn absoluut positieve dingen. Of ze nu worden bekeken in termen van Gods oorspronkelijke bedoeling bij het scheppen ervan, de wetten en regels die God voor hen heeft geschapen, of het doel en het effect dat uiteindelijk wordt bereikt, ze bestaan allemaal voor de mensheid; ze zijn allemaal ontworpen en geschapen voor mensen in hun rol als de rentmeesters van alle dingen. Daarom zouden mensen, ongeacht de vormen of het uiterlijk van alle dingen die door God zijn geschapen, of wat hun tijdelijke impact op mensen ook is, ze correct moeten behandelen, managen en begrijpen, en ze van God moeten aanvaarden – dit is van het grootste belang. Ten eerste moeten mensen er zeker van zijn dat, zolang iets door God is geschapen – ongeacht of het goed of slecht, mooi of lelijk is; ongeacht wat voor vorm het heeft; en, des te meer, ongeacht wat voor tijdelijke impact het heeft op het menselijk vlees – kortom, zolang het van God komt en door Gods hand is geschapen, het iets bij te dragen heeft aan de fundamentele overleving van de mensheid. Op basis hiervan zouden mensen alle dingen die door God zijn geschapen van God moeten aanvaarden, en niet willekeurig of eenzijdig, op basis van hun eigen opvattingen en voorkeuren, moeten kiezen of ze deze veroordelen of aanvaarden. In plaats daarvan zouden ze alle dingen vanuit het perspectief van een schepsel moeten begrijpen, leren om ze correct te managen en te behandelen, en – om nog beter te worden – leren om er op de juiste manier mee samen te leven en om te gaan. Dit is de verantwoordelijkheid en verplichting die mensen – de heersers over deze aarde en de rentmeesters van deze wereld, geschapen door God – behoren te vervullen. Het is de rol die mensen zouden moeten spelen te midden van alle andere schepselen, en het is ook een principe waaraan mensen, uitgaande van het standpunt van de mensheid, zich het meest zouden moeten houden. Als er bepaalde dingen die door God zijn geschapen zijn waar je niet van houdt, kun je erbij uit de buurt blijven. Als je er wel van houdt, kun je er nauw mee omgaan en ze benaderen om erover te leren en ze te managen – of, nog beter, om hun leefomgeving te beschermen, ze vriendelijk te behandelen, ze voldoende leefruimte te laten, en hun recht om te overleven veilig te stellen en op de juiste manier te handhaven. In feite zijn alle dingen zwak vergeleken met mensen. Hoewel God alle dingen overlevingsvaardigheden en instincten heeft gegeven, kan geen enkele andere soort dan de mens gereedschappen en wapens maken; geen van hen heeft de macht om de wetten en regels die door God zijn vastgesteld te ondermijnen, en geen van hen neemt het initiatief hiertoe. Alleen mensen kennen een grenzeloze hebzucht – zowel in hun mentaliteit als in hun eisen – jegens alle levende wezens en de hele schepping. Tegelijkertijd voeren alleen mensen wetenschappelijk onderzoek uit, vervaardigen chemische producten en maken verschillende gereedschappen en wapens om te overleven of om een beter leven te creëren. En alleen mensen kunnen academische kennis opdoen en de leefomgevingen van verschillende levende wezens onderzoeken of veranderen. De meeste dingen die de mensen hebben gedaan met betrekking tot de overleving van verschillende dieren en levende wezens en de wetten van de voedselketen, zijn echter destructief en ontwrichtend geweest en niet bevorderlijk. Per slot van rekening kunnen dus alleen mensen wapens maken om elkaar af te slachten en hun eigen fundamentele leefomgeving te vernietigen. Alleen mensen ontwikkelen industrie, in het bijzonder de chemische industrie, en produceren allerlei schadelijke stoffen die de aarde waarop de mensheid woont – dit enige thuis waar ze kunnen overleven – beschadigen en vernietigen. En alleen mensen zelf hebben ervoor gezorgd dat fundamentele dingen zoals het water, de lucht, het zonlicht en het voedsel dat nodig is voor hun overleving, vervuild en bedorven zijn geraakt. Dit betekent dat het de mensen zelf zijn die hun eigen pad naar overleving hebben geruïneerd; het werd niet veroorzaakt door andere levende wezens. Daarom is het van vitaal belang dat de geschapen mens, als de heerser over alle dingen, de rol van het managen van alle dingen, waaronder alle levende wezens, op de juiste manier vervult. Als mensen wetenschappelijke methoden blijven gebruiken om wapens of allerlei gereedschappen te maken, of zich bezighouden met de productie van chemische stoffen, zal dat een catastrofale ramp betekenen, of dat nu voor henzelf of voor andere levende wezens is. Dat wil zeggen, mensen hebben zelf met hun eigen handen de overlevingswetten en -regels voor alle dingen met voeten getreden, en ook persoonlijk de voedselketen vernietigd. Natuurlijk zijn het de mensen die persoonlijk de aarde hebben geruïneerd, het thuis waarvan ze voor hun overleving afhankelijk zijn. Dit is diep tragisch. Wie is er verantwoordelijk voor al deze gevolgen? (De mens.) Ze zijn te wijten aan het feit dat de mens de positieve dingen die door God zijn geschapen verwoest en vernietigt. Uiteindelijk kunnen mensen alleen maar oogsten wat ze hebben gezaaid. Als mensen vanaf het begin in staat waren geweest de verschillende rollen te begrijpen die worden gespeeld door alle dingen die door God zijn geschapen, de verschillende levende wezens te respecteren, te koesteren en te verzorgen, de regels en de overlevingswetten voor alle dingen die door God zijn vastgesteld te volgen, en de fundamentele omgeving van de aarde te beschermen, het thuis waarvan ze voor hun overleving afhankelijk zijn, dan zou de mensheid niet het punt hebben bereikt waarop ze zich vandaag de dag bevindt. Wat betreft het thema dat al Gods scheppingen positief zijn, is het essentieel dat mensen de overlevingswetten en -regels begrijpen die God voor alles heeft geschapen, inclusief de redenen waarom en de manier waarop ze deze moeten volgen. Tegelijkertijd moeten mensen beseffen dat God dit alles heeft geschapen ten behoeve van de mensheid, dat ze het dus zouden moeten koesteren en beschermen. Als je de betekenis van dit alles niet kunt begrijpen, zou je het op zijn minst als een positief ding moeten beschouwen, als een essentieel, onmisbaar positief ding waarvan je overleving afhankelijk is. Je zou het moeten koesteren, verzorgen en managen. Je zou het correct moeten behandelen en beschermen in je hoedanigheid en rol als heerser. Alleen op deze manier kan de mensheid een toekomst en hoop hebben, en in staat zijn gelukkig te blijven leven, nietwaar? (Ja.)
Is het onderwerp dat al Gods scheppingen positieve dingen zijn nu veel duidelijker? (Ja.) Laten we nog een laatste keer bekijken hoe we op de juiste manier moeten omgaan met de verschillende objecten en levende dingen die God heeft geschapen. Ga je gang en herhaal de drie principes waarover we zojuist hebben gecommuniceerd. (Ten eerste, zolang iets binnen de reikwijdte van positieve dingen valt zoals door God gedefinieerd, zouden we er in ons hart van overtuigd moeten zijn dat het van God komt, dat het een positief ding is en dat er een betekenis zit achter het feit dat God het heeft geschapen: dat mensen er enkele lessen uit kunnen trekken. Ten tweede, op basis van de zekerheid dat het een positief ding is, kunnen we het negeren als we er niet van houden of er niet mee in contact willen komen. Als het ons leven verstoort, kunnen we het wegjagen of erbij uit de buurt blijven, en we zouden er ook enkele lessen uit moeten trekken en iets van moeten leren. Ten slotte, als het door God is geschapen, door God is voorbeschikt of onder Gods soevereiniteit valt, zouden we er geen afkeer van moeten voelen of het verafschuwen, maar het veeleer met een correcte houding moeten aanvaarden en erkennen, en het redelijkerwijs moeten managen.) Het redelijkerwijs managen is van vitaal belang. Als mensen niet weten hoe ze alle dingen op aarde die God heeft geschapen moeten managen, zal dat waarschijnlijk nadelige gevolgen hebben voor hun overleving. Als de wetten en het bestaan van de voedselketen worden vernietigd, zal de overleving van de mensheid in gevaar komen. Bevindt de mensheid zich momenteel niet in een dergelijke leefomgeving? (Ja.) De mensheid heeft op grote schaal industrie ontwikkeld, waarbij afvalgassen, afvalwater en giftige stoffen worden geloosd die rivieren, meren en zelfs grondwater hebben vervuild. Er is geen schoon water meer om te drinken; mensen kunnen alleen nog maar wat gerecycled water drinken dat kunstmatig is verwerkt, wat weliswaar niet giftig is, maar veel minder voedingsstoffen bevat. De vissen in de rivieren, meren en zeeën zijn ook vervuild en ongezond. Het is niet gemakkelijk om voedsel te vinden dat niet besmet is. Brengt de mensheid zichzelf niet in een benarde situatie? Wordt dit niet door de mensheid zelf veroorzaakt? Niet alleen het drinkwater is vervuild, maar ook de lucht is slecht; er zitten veel schadelijke stoffen in de lucht, en zelfs als je nu een teug schone lucht zou willen inademen, is dat moeilijk voor elkaar te krijgen – soms moeten mensen zelfs maskers dragen om zich tegen virussen te beschermen. De luchtkwaliteit is verschrikkelijk, mensen zijn huiverig om allerlei soorten voedsel te eten, en mensen krijgen nu allerlei soorten ziekten, waarbij sommige jonge mensen ook kanker of diabetes krijgen. Wie heeft al deze gevolgen veroorzaakt? (De mensen.) Ze zijn allemaal door mensen veroorzaakt. Dit is hoe mensen het aardse thuis dat God voor hen heeft geschapen, hebben gemanaged, waarbij ze zichzelf kwellen tot het punt waarop ze niet meer fatsoenlijk kunnen eten of drinken, en zich toch heel gelukkig voelen. Dit is het gevolg van het verlaten van God; er is geen sprake van werkelijk geluk. De enige uitweg voor de mensen van vandaag de dag is de redding van de Schepper te aanvaarden, de waarheid na te streven en het pad van het vrezen van God te bewandelen. Alleen op deze manier kun je gered worden, kun je de hoop op leven verkrijgen en kun je een lid van de nieuwe mensheid worden. Zo simpel is het; er is geen andere weg. Oosterse mensen hebben het gevoel dat de westerse beschaving nobel is en dat westerlingen wel een uitweg hebben. Hebben ze die? (Nee.) Oosterse mensen hebben het gevoel dat ze enorm hebben geleden, diep haatdragend zijn geworden en veel te veel tegenspoed hebben doorstaan, en dat ze door westerlingen gered moeten worden. Ze denken altijd aan het Westen als een paradijs, dat naar het Westen gaan hetzelfde is als de hemel binnengaan, dat ze in het Westen vrij en gelukkig zullen zijn. Maar westerlingen hebben niet het gevoel dat ze erg gelukkig zijn. Ze zeggen: “Hoewel ons leven iets welvarender is dan dat in het Oosten, zijn we nauwelijks gelukkiger.” Zolang je een persoon op deze aarde bent, een lid van het menselijk ras, heb je geen geluk op deze aarde, want terwijl je in dit aardse thuis leeft, komt alles wat je aanvaardt van Satan. Of het nu gaat om menselijke gedachten en gezichtspunten of overlevingswetten, of het nu oosters of westers onderwijs is, er is niet één ding dat je de gelijkenis van een waar mens kan laten uitleven, en er is geen enkele vorm van sociaal onderwijs, geen enkele gedachte en geen enkel gezichtspunt dat jou, als schepsel, in staat kan stellen jezelf te een positie te veroveren in de mensenwereld. Omdat deze mensheid in Satans macht leeft en door Satan wordt beheerst, is de enige manier waarop mensen kunnen voortbestaan, het aanvaarden van Gods verlossing, het aanvaarden van alle waarheden die van God komen, het handelen in overeenstemming met Gods woorden en het bereiken van verlossing. Alleen dan kan de mensheid werkelijk terugkeren naar een wereld waar de overlevingswetten en -regels voor alle dingen vrijelijk kunnen functioneren, en werkelijk leven in een wereld met een complete voedselketen – alleen op deze manier kan de mensheid werkelijk de rol van rentmeester van alle dingen spelen en de verantwoordelijkheden van deze rol vervullen. Er is geen tweede weg die de mensheid kan nemen dan deze. Dit is de enige uitweg voor de mensheid, de enige uitweg die de mensheid hoop en geluk kan brengen. Begrijpen jullie dit? (Ja.) Zodra je het begrijpt, heb je een pad dat je kunt nemen. Blijf gewoon je best doen en streef deze richting na, op weg naar dit doel. Kijk niet achterom, geef niet op en stop nooit!
Laten we onze communicatie hier voor vandaag beëindigen. Tot ziens!
14 april 2024