Hoe de waarheid na te streven (21)

We hebben onlangs gecommuniceerd over enkele uitingen met betrekking tot geweten en verstand die wijzen op een gebrek aan menselijkheid, nietwaar? (Ja.) Door enkele negatieve voorbeelden op te sommen, hebben we enkele uitingen blootgelegd van mensen die geen geweten en verstand in hun menselijkheid hebben. Hebben jullie dus, door over deze negatieve voorbeelden te communiceren, geleerd welke uitingen mensen met geweten en verstand in hun leven zouden moeten bezitten? (Door Gods communicatie over enkele uitingen van mensen die geen geweten en verstand hebben, ben ik gaan begrijpen dat mensen met een normale menselijkheid een gevoel van schaamte zouden moeten hebben, en dat ze, wanneer hun dingen overkomen, in staat zouden moeten zijn daar rationeel over na te denken en ze rationeel te benaderen.) Wie heeft er nog iets aan toe te voegen? (Door Gods communicatie ben ik gaan begrijpen dat niet-mensen uitingen van onbuigzaamheid en koppigheid vertonen, terwijl mensen met een normale menselijkheid goed van kwaad kunnen onderscheiden en weten wat juist en wat onjuist is; ze kunnen positieve dingen aanvaarden, en ze bekijken mensen, gebeurtenissen en dingen op een relatief objectieve en rationele manier. Bovendien hebben ze een gevoel van schaamte; wanneer ze iets verkeerds doen, kunnen ze hun fouten toegeven, ze onmiddellijk corrigeren en berouw tonen.) Simpel gezegd komt het in feite op deze dingen neer. Enerzijds zijn degenen met geweten en verstand in staat om mensen, gebeurtenissen en dingen correct te behandelen, en kunnen ze mensen, gebeurtenissen en dingen ook objectief evalueren en bekijken. Anderzijds hebben ze ook een gevoel van schaamte, en doen ze dingen op basis van hun geweten en verstand. Nu we het over geweten en verstand hebben, laten we eens kijken naar het specifieke karakter dat mensen in hun geweten zouden moeten bezitten en die ze tot uiting zouden moeten laten komen. We hebben al eerder gezegd dat mensen met een geweten twee eigenschappen bezitten: de ene is oprechtheid en de andere is goedheid. Dat wil zeggen, naast het vermogen om goed van kwaad te onderscheiden en te weten wat juist en wat onjuist is, is iemand die de eigenschap en het kenmerk van geweten en verstand bezit, op zijn minst een oprecht en goed mens. Deze oprechtheid en goedheid omvatten specifieke details. Het verwijst niet naar het uiterlijk heel oprecht overkomen, of de schijn wekken niet slecht te zijn door geen overduidelijk wangedrag of slechte daden te vertonen – het verwijst niet naar deze uiterlijke uitingen waaraan mensen in hun noties denken. Het betekent veeleer dat men in specifieke situaties enkele uitingen heeft die in overeenstemming zijn met de essentie van oprechtheid en goedheid.

Laten we het eerst hebben over oprechtheid en goedheid. De voornaamste uitingen die in het geweten besloten liggen, zijn oprechtheid en goedheid. Laten we dit eerst bekijken in termen van zelf-gedrag. Hoe kan men aan de manier waarop iemand zich gedraagt zien of hij oprecht en goed is? Gewoonlijk hebben mensen met een geweten een grens voor hun zelf-gedrag; dit betekent dat ze in hun hart een norm hebben voor hun gedrag. Ze maken bijvoorbeeld geen misbruik van anderen in hun omgang met hen. Is dit een norm voor zelf-gedrag? (Ja.) Geen misbruik maken van anderen in de omgang met hen is een basisnorm voor zelf-gedrag. Mensen met geweten en verstand hebben een grens voor hoe ze zich gedragen, zaken aanpakken en met anderen omgaan, en dat is geen misbruik maken van mensen. Of ze nu met iemand omgaan die arm is of met iemand die rijk is, ze maken geen misbruik van hen. Ze denken: het geld van andere mensen is van hen. Hoe arm ik ook ben, ik mag geen misbruik van hen maken. Als ze geld tekortkomen of hulp nodig hebben, zullen ze, zelfs als ze zien dat iemand anders rijk is, absoluut geen misbruik van hem maken. Als iemand hen helpt, zullen ze een manier vinden om hem terug te betalen, en zullen ze het er absoluut niet zomaar bij laten zitten. Als iemand hen bijvoorbeeld op een maaltijd trakteert, zullen ze een gelegenheid zoeken om iets terug te doen, of hun uiterste best doen om te helpen wanneer de ander in nood verkeert. Ze zijn ervan overtuigd dat ze slechts op deze wijze werkelijk vrede in hun hart kunnen ervaren. Zie je, is dit niet een grens hebben voor je zelf-gedrag? (Ja.) Dit is ook een norm voor zelf-gedrag. Mensen met een geweten kunnen dit bereiken. Als ze iemand geld of een gunst schuldig zijn, voelen ze altijd een knagend gevoel in hun hart, en zullen ze voortdurend zoeken naar gelegenheden om die persoon terug te betalen. Ze betalen hem misschien terug met geld of materiële zaken, of ze helpen naar hun beste vermogen wanneer die persoon op een of andere moeilijkheid stuit. Alleen op deze manier kunnen ze vrede ervaren en in hun hart het gevoel hebben niet bij de ander in het krijt te staan. Als ze geen gelegenheid krijgen om die persoon te compenseren of niet het vermogen hebben om hem terug te betalen, zullen ze voor altijd het gevoel hebben bij hem in het krijt te staan. Wanneer ze die persoon zien, zullen ze altijd het gevoel hebben dat ze hem niet in de ogen kunnen kijken, en zullen ze niet met een gerust hart kunnen eten of slapen. Pas wanneer ze die persoon volledig hebben gecompenseerd, valt er een last van hun schouders en ervaren ze weer vrede in hun hart. Alleen zulke mensen bezitten geweten, verstand en een gevoel van schaamte. Als je met dit type persoon omgaat, zullen ze jou absoluut nooit iets schuldig zijn, en zul je niet de hele tijd hun schuldeiser zijn. Is dit geen uiting van het hebben van een geweten? (Dat is het.) Geen misbruik maken van anderen is de grens die dit soort mensen hebben voor hun zelf-gedrag. Je kunt ook zeggen dat het een principe van hun zelf-gedrag is. Ze moeten gewoon op deze manier handelen; als ze dat niet doen, zullen ze zich ongemakkelijk voelen in hun hart en zullen ze altijd geplaagd worden door een gevoel van zelfverwijt. Is dit een uiting van de oprechtheid of de goedheid van het geweten? (Het is oprechtheid.) Oprechtheid is hier iets prominenter aanwezig. Zit er ook goedheid in? (Er zit ook goedheid in – geen misbruik van anderen willen maken en niet willen dat anderen schade of verlies lijden.) Er zit een element van goedheid in als je wilt dat anderen geen verlies lijden. Heeft dit principe van hun zelf-gedrag dan iets te maken met hun persoonlijkheid? (Nee.) Heeft het iets te maken met wat hun door hun familie of door de maatschappij is geleerd? (Nee.) Heeft het iets te maken met of ze arm of rijk zijn? (Nee.) Heeft het iets te maken met hun inzicht? (Nee.) Er is maar één ding belangrijk, en dat is dat het te maken heeft met hun geweten en verstand, en dat het te maken heeft met hun classificatie. De enige reden waarom ze zich op deze manier gedragen is dat ze binnen hun menselijkheid de eigenschappen van oprechtheid en goedheid bezitten, en het geweten en verstand van menselijkheid. Het is niet het resultaat van menselijke opvoeding. Zelfs als ouders hun kinderen wel onderwijzen, kunnen ze hun slechts enkele doctrines voor zelf-gedrag leren – ouders kunnen de aard-essentie van hun kinderen niet veranderen, en ze zijn absoluut niet in staat hun kinderen dingen te laten doen op basis van geweten en verstand. Dit principe van zelf-gedrag komt dus in wezen voort uit hun menselijkheid. Dat ze dit soort principe en grens voor hun zelf-gedrag hebben, is niet het resultaat van de invloed van een ander; het komt volledig voort uit hun eigen aard-essentie, en uit hun geweten en verstand. Daarom, als iemand de eigenschappen van oprechtheid en goedheid bezit, is het in zijn dagelijks leven en voor hoe hij zich gedraagt en zaken aanpakt onbelangrijk of hij rijk of arm is, of hij inzicht heeft of niet, en of zijn persoonlijkheid nu snel en efficiënt, langzaam en op zijn gemak, of prikkelbaar of zachtaardig is – geen van deze dingen is belangrijk. Wat is er belangrijk? Dat ze een grens hebben voor hun zelf-gedrag. Ze hebben een grens of een basisprincipe voor hun zelf-gedrag, namelijk geen misbruik maken van anderen. Dit ‘geen misbruik van anderen maken’ betekent dat je geen misbruik van anderen wilt maken en nooit zult maken. Deze grens en dit principe van zelf-gedrag komen voort uit hun menselijkheid; ze ontstaan vanwege de eigenschappen van hun menselijkheid. Daarom is het feit dat ze zo’n principe van zelf-gedrag hebben onlosmakelijk verbonden met hun geweten en de oprechtheid en goedheid van hun menselijkheid. Dat wil zeggen, alleen als iemands menselijkheid de eigenschappen van oprechtheid en goedheid heeft, zal hij in zijn zelf-gedrag het principe van geen misbruik van anderen maken hanteren; dit principe komt voort uit de eigenschappen van oprechtheid en goedheid in zijn menselijkheid. Zeg Mij, hebben mensen met eigenschappen van menselijkheid, naast het feit dat ze oprecht en goed zijn, schaamtegevoelens en een gevoel van schaamte? (Ja.) Ze lijden liever zelf verlies dan dat ze misbruik van anderen zouden maken. Als ze misbruik van iemand maken, zullen ze altijd het gevoel hebben dat ze hem iets schuldig zijn. Telkens wanneer ze die persoon zien, zullen ze het gevoel hebben dat ze als mens tekortschieten. Ze zullen zich ongemakkelijk en onrustig voelen in hun hart, en zullen altijd naar gelegenheden willen zoeken om het goed te maken. Als ze geld van iemand anders lenen en het niet volledig hebben terugbetaald, zullen ze zich ongemakkelijk voelen in hun hart. Zelfs als iemand de kwestie onbedoeld ter sprake brengt, zullen ze hun gezicht voelen gloeien, en zich beschaamd en zelfs opgelaten voelen. Als iemand wat op een wat luidere toon over deze kwestie spreekt, zouden ze wel door de grond willen zakken, en voelen ze zich werkelijk te beschaamd om wie dan ook onder ogen te komen. Zijn dit uitingen van het hebben van schaamtegevoelens? (Ja.) Dit zijn allemaal uitingen die mensen met eigenschappen van menselijkheid aangespoord door hun geweten vertonen. Als dit type persoon een schuld heeft of iemand een gunst verschuldigd is, voelt hij zich ongemakkelijk in zijn hart, alsof hij iets beschamends heeft gedaan. Ze voelen zich vaak veroordeeld door hun geweten, en ze proberen op alle mogelijke manieren de andere partij terug te betalen. Sommigen hebben meerdere banen; sommigen verkopen hun meest geliefde bezit; sommigen verkopen hun familiebezittingen; en sommigen worden zelfs ziek maar zijn niet bereid geld uit te geven om naar een dokter te gaan – ze lijden liever zelf armoede en raken uitgeput om geld opzij te kunnen zetten en snel hun schulden af te lossen. Sommige mensen begrijpen dit niet en zeggen: “Als iemand anders geld verdiende zoals jij, had hij al lang een auto en een huis gekocht. Jij gebruikt al je geld om je schulden af te lossen, terwijl je zelf een zwaar leven leidt – is dat niet veel te dwaas? Als je niet in staat bent om het geld terug te betalen, betaal het dan gewoon niet terug.” Maar zij denken: ‘Hoe zou ik me zo kunnen gedragen? Als ik me op die manier zo gedragen zou dat getuigen van zo’n gebrek aan geweten – zou ik dan nog wel een mens zijn? Het geld van andere mensen uitgeven om een goed leven te leiden – hoe is dat anders dan fout geld uitgeven? Zou mijn geweten dan gerust kunnen zijn? Het is zo verachtelijk en smerig om je toe te eigenen wat van anderen is! Ze hebben veel moeite gedaan om hun geld te verdienen. Ze hebben me destijds al een enorme gunst bewezen door me geld te lenen, en ik ben er eindeloos dankbaar voor; ik moet hen snel terugbetalen. Je moet je gedrag laten sturen door je geweten en betrouwbaar zijn; je kunt je alleen op je gemak voelen als je geld uitgeeft dat je zelf hebt verdiend. Geen misbruik maken van anderen en mensen niets schuldig zijn – dit is de meest elementaire grens voor iemands zelf-gedrag.’ Zie je, mensen met een geweten bezitten het meest elementaire, correcte principe om dingen te doen. Hoewel er nog steeds een grote afstand is tussen de doelen die ze voor hun zelf-gedrag stellen en de waarheidsprincipes, is, wat zelf-gedrag betreft, het principe van het zelf-gedrag dat dit type persoon heeft – geen misbruik te maken van anderen – voldoende om aan te tonen dat hun menselijkheid de eigenschappen van oprechtheid en goedheid bezit. Als het gaat om de kwestie van het misbruik maken van anderen of het hebben van schulden, kan uit het principe van zelf-gedrag waar deze mensen over spreken worden opgemaakt dat ze relatief oprecht en goed zijn. Ze gebruiken geen verwrongen redeneringen en handelen niet onredelijk. Ze zeggen: “Die persoon stak een helpende hand uit door mij geld te lenen toen ik het financieel het zwaarst had; dat was al een enorme gunst. Als ik dat geld kan terugbetalen, zou ik dat meteen moeten doen.” Is dit geen uiting van oprecht gedrag? (Ja.) Ze hebben op z’n minst een geest van gerechtigheid, en hun menselijkheid is niet kwaadaardig. Hoe denken kwaadaardige mensen daarentegen? “Wie vertelde je destijds dat je me dat geld moest lenen? Had je me het niet gewoon niet kunnen lenen? Je was bereid het te lenen. Als ik het niet wil terugbetalen, doe ik dat niet. Ik zal jouw geld gebruiken om zaken te doen en enorme winst te maken; je hebt toch geld over. Bovendien, zodra het geld in mijn handen is, is het van mij, en kan ik het uitgeven zoals ik wil. Of ik het terugbetaal of niet hangt af van mijn humeur. Wanneer ik geld heb en in een goed humeur ben, zal ik het je terugbetalen – je kunt dat beschouwen als een onverwachte meevaller. Als ik je het niet terugbetaal, kun je er niets aan doen. Ik heb geen schuldbekentenis voor je geschreven, dus zelfs als je een rechtszaak aanspant, zul je niet winnen.” Dit is de mentaliteit van kwaadaardige mensen. Is dit niet onredelijk? (Ja.) De manier waarop kwaadaardige mensen denken is het exacte tegenovergestelde van hoe oprechte mensen denken. Het denken van oprechte mensen is zeer rechtschapen. In de woorden van ongelovigen: ze zijn begripvol en redelijk, ze houden in alle opzichten rekening met anderen, en ze hechten waarde aan genegenheid en gerechtigheid, aan redelijk zijn en aan menselijkheid. Ze handelen niet onredelijk en gebruiken geen verwrongen redeneringen. Dit is oprechtheid. En hoe denken oprechte mensen? ‘Het was voor hen niet gemakkelijk om hun geld te verdienen. Zelfs als ze veel geld hebben, is het van hen, het is niet de bedoeling dat jij het gebruikt. Dat ze het aan jou lenen was een gunst; zodra je iemand iets schuldig bent, ben je een schuld aangegaan, en heb je vervolgens de verantwoordelijkheid en verplichting om die terug te betalen.’ Zie je, is de manier waarop ze denken niet rechtschapen? Zijn ze niet verstandig? Zijn ze niet begripvol en redelijk? (Dat zijn ze.) Dit is een uiting van oprechtheid. Als iemands menselijkheid de eigenschap van oprechtheid bezit, zal hij op deze manier denken. Hij zal begripvol en redelijk zijn, en verstandig – dit is een uiting van het hebben van menselijkheid. Een uiting van het niet hebben van menselijkheid is handelen als een kwaadaardig persoon: onredelijk handelen, weigeren rede aan te nemen, amok maken, bazig en dominant zijn, altijd verwrongen redeneringen gebruiken, zelfs de rede van de menselijkheid niet begrijpen, en er volkomen in falen begripvol en redelijk te zijn, waardoor ze des te meer tekortschieten om zich te verheffen tot het niveau van het beoefenen van de waarheid. Mensen die de eigenschappen van oprechtheid en goedheid in hun menselijkheid bezitten, zijn begripvol en redelijk; de dingen die ze zeggen zijn heel eerlijk en redelijk, hebben een menselijk karakter en snijden hout. Alleen zulke mensen bezitten de voorwaarden om de waarheid te aanvaarden. Bij het horen van Gods woorden voelen alleen mensen met dergelijke eigenschappen van menselijkheid: ‘Gods woorden zijn zo juist, dit is werkelijk de waarheid! Dit is hoe mensen zich zouden moeten gedragen. Mensen zouden een grens moeten hebben voor hun zelf-gedrag. Mensen met geweten en verstand zouden anderen op deze manier moeten behandelen, en ze zouden zich op deze manier moeten gedragen en zaken op deze manier moeten aanpakken. Gods woorden zijn zo juist!’ Zie je, de eigenschappen van oprechtheid en goedheid binnen hun menselijkheid geven hun de basisvoorwaarden om de waarheid te aanvaarden, waardoor ze Amen kunnen zeggen en de waarheid kunnen aanvaarden nadat ze die hebben gehoord, zonder weerstand te voelen, erdoor te worden afgestoten of die te verwerpen. Ze voelen dat Gods woorden juist zijn, volledig in overeenstemming met de behoeften van de normale menselijkheid, in staat om de behoeften in de harten van mensen te bevredigen, en datgene zijn wat mensen met een normale menselijkheid zouden moeten bezitten, en dat alleen de waarheid hen kan bevredigen en hun menselijkheid in staat kan stellen te verbeteren. Daarom kunnen alleen mensen die de eigenschappen van oprechtheid en goedheid in hun menselijkheid bezitten, dorsten naar de waarheid, kunnen ze weten dat Gods woorden de waarheid zijn wanneer ze die horen, kunnen ze vervolgens de waarheid in hun hart aanvaarden, en kunnen ze de waarheid beoefenen zodra ze die begrijpen.

Binnen het principe van zelf-gedrag om geen misbruik van anderen te maken, zijn de eigenschappen van menselijkheid die iemand duidelijk vertoont oprechtheid, goedheid en een gevoel van schaamte. Natuurlijk vertonen mensen met geweten en verstand, naast het feit dat ze geen gunsten of geld schuldig zijn, nog een andere uiting van het geen misbruik maken van anderen. Dat is dat, wanneer andere mensen hen misbruiken en zij verlies lijden, ze het hun niet nadragen, en soms zelfs dingen aan anderen kunnen geven zonder dat erom wordt gevraagd. Als iemand steeds maar de kwestie van het aflossen van zijn schuld ter sprake brengt, voelen deze mensen zich opgelaten: “Je brengt dit steeds ter sprake, het is net alsof ik je onder druk zet om je schuld af te lossen. Eigenlijk was ik dat nooit van plan. Je kunt het terugbetalen wanneer je geld hebt; als je geen geld hebt en het me voor altijd schuldig blijft, is dat ook prima. Als je erop staat me niet te betalen, zal ik geen terugbetaling van je eisen. Als je het kunt terugbetalen, doe dat dan; als je dat niet kunt, beschouw ik het als liefdadigheid.” Zie je, ze tonen ook dit soort uiting en beschikken over deze grens voor hun zelf-gedrag. Stel dat iemand hen iets te leen vraagt dat erg belangrijk voor hen is en dat ze zeer koesteren. Zelfs als ze niet erg rijk zijn, denken ze wanneer de ander zegt dat hij het wil lenen: ‘Hij moet wel in een moeilijke situatie verkeren om iets van mij te leen te vragen, ik zou het hem dus moeten lenen.’ Stel bijvoorbeeld dat iemand hen tijdens het drukke landbouwseizoen vraagt hun voertuig te lenen. Ze hebben het voertuig zelf nodig, en als ze het aan die persoon lenen, zal hun eigen werk vertraging oplopen. Omdat ze echter goed zijn wat betreft hun menselijkheid, lenen ze het toch uit, en vertellen ze die persoon alleen maar om zodra hij het niet meer gebruikt zo snel mogelijk terug te brengen. Een paar dagen later brengt de persoon het voertuig terug. Het is echter beschadigd en niet gerepareerd, en ze moeten het dus zelf repareren. Ze voelen zich een beetje geïrriteerd, maar ze zijn niet al te boos, en denken bij zichzelf: ‘Laat maar zitten, we zijn buren en we zien elkaar de hele tijd; ik zal het hem niet nadragen.’ Zo grootmoedig zijn ze in de manier waarop ze mensen behandelen; zelfs wanneer ze verlies lijden, maken ze er geen ophef over. Hoewel iedereen net zozeer mens is, zijn de principes en grenzen van mensen voor hun zelf-gedrag verschillend. Sommige mensen kunnen liefdadig geven, terwijl anderen dit niet alleen niet kunnen, maar ook misbruik van anderen willen maken. Hoewel dit relatief oprechte en goede type mens zich na een verlies wel wat geërgerd voelt, gaat hij geen ruzie maken met de andere partij, noch kibbelt hij met hem of eist hij compensatie; hij toont gewoon op deze manier verdraagzaamheid. Als hij eropuit moet om iets te regelen en iemands voertuig leent, wast hij het na gebruik en gooit hij de tank vol. Wanneer hij het aan de eigenaar teruggeeft, is het voertuig helemaal niet beschadigd. Ook compenseert hij de eigenaar tegen het hoogste dagelijkse huurtarief voor dit soort voertuig. Hij zal de persoon niet het gevoel geven dat er van hem is geprofiteerd. Hij denkt dat dit is wat hij behoort te doen. Sommige mensen zeggen: “Geeft dit type persoon alleen maar om zijn trots?” Hoeveel mensen binnen de verdorven mensheid kunnen dit niveau nu werkelijk bereiken, puur en alleen omwille van hun trots? Ongelovigen zeggen vaak: “Hoeveel is iemands trots waard?” en “Hoeveel is een geweten waard?” Niemand zou zijn portemonnee trekken alleen maar om de schijn op te houden of om anderen te laten denken dat hij geweten en menselijkheid heeft. Voor ieder mens zijn materiële dingen en geld belangrijker dan het leven zelf. Iets aardigs, respectabels, of onoprechts en vleiends zeggen om de schijn op te houden, is iets waartoe mensen in staat zijn, maar het is niet gemakkelijk om daadwerkelijk afstand te doen van je geld om anderen te helpen – heel weinig mensen kunnen dat. Alleen degenen van wie de menselijkheid de eigenschappen oprechtheid en goedheid heeft, kunnen dit bereiken. Zulke mensen doen dingen op basis van het principe: ‘Ik lijd liever een beetje verlies dan dat ik misbruik van jou zou maken.’ Als ze niet zo handelen, voelen ze zich daar in hun hart bezwaard over. Wanneer dit type persoon iets leent, maakt hij niet alleen geen misbruik van de uitlener, maar betaalt hij soms uiteindelijk zelfs extra uit eigen zak. Wanneer hij bijvoorbeeld iemands voertuig leent, tankt hij het vol en wast hij het, en ten slotte compenseert hij de eigenaar tegen het hoogste dagelijkse huurtarief voor dat soort voertuig. Als je het zo berekent, is hij dan niet duurder uit dan wanneer hij gewoon zelf een voertuig had gehuurd? (Ja.) Wanneer hij het voertuig terugbrengt en de eigenaar het een paar keer goed bekijkt en inspecteert, geeft dit de lener vanbinnen een ongemakkelijk gevoel, hij is bang dat de eigenaar misschien een paar plekken opmerkt waar het voertuig beschadigd is en compensatie eist. Wanneer de eigenaar uiteindelijk, na het voertuig gecontroleerd te hebben, zegt dat er geen problemen zijn, is hij heel tevreden, en merkt hij op dat de lener het voertuig in de toekomst op elk gewenst moment kan lenen. Pas dan voelen deze mensen zich in hun hart gerustgesteld, en denken ze: ah, ze vertrouwen me; dat is alles wat ik hoef te horen! Zie je waar ze naar streven in de manier waarop ze zich gedragen? Ze streven ernaar geen misbruik te maken van anderen; het enige wat ze nastreven is zich betrouwbaar te gedragen, en te voorkomen dat anderen op hen neerkijken. Zeg Mij, is iemand in staat om op deze manier te handelen omdat hij om zijn trots geeft, omdat hij laf is, omdat hij arm is en ambitie mist, of omdat hij bang is dat er op hem wordt neergekeken? Geen van deze dingen kan er de oorzaak van zijn. Het meest elementaire principe voor de omgang met anderen dat iemand met een geweten bezit, is geen misbruik van andere mensen te maken. Wat hij zoekt is gemoedsrust. Zelfs als hij zelf verlies lijdt of daardoor een zwaar leven leidt, geeft hij anderen niet de schuld en probeert hij geen rekeningen met hen te vereffenen. Hij probeert alleen maar recht te doen aan zijn eigen geweten en niemand iets verschuldigd te zijn. Wat hij ook doet, hij voelt dat hij op zo’n manier moet handelen dat hij zich niet schuldig voelt, dat zijn geweten hem niet aanklaagt, en dat hij van niemand misbruik maakt. Hij doet niets waardoor hij bij mensen in het krijt staat en waardoor mensen hem achter zijn rug om bekritiseren. Hij kan op deze manier handelen, niet omdat hij arm is, of omdat hij een zwakke persoonlijkheid heeft, laat staan omdat hij ijdel is; het zijn veeleer de eigenschappen van zijn menselijkheid – oprechtheid en goedheid – die hem ertoe aanzetten deze dingen te doen. Vooral als het gaat om de kwestie van geen misbraak te maken van anderen wanneer je met hen omgaat, gedraagt hij zich op een bijzonder goede en oprechte manier.

Stel dat iemand het financieel zwaar heeft, en wanneer hij in contact komt met iemand die welgesteld is, geeft die persoon hem uit naastenliefde wat spullen die hij thuis niet meer gebruikt. De ontvanger denkt bij zichzelf: ‘Het feit dat hij me deze dingen heeft gegeven, betekent dat hij niet op me neerkijkt; hij heeft me een gunst bewezen. Hoe kan ik dus iets voor hem terugdoen? Ik kan me geen dure cadeaus veroorloven – het enige wat ik heb, zijn verse groenten van het land en eieren van onze scharrelkippen thuis. Hij geeft misschien niet veel om deze dingen, maar het is het beste wat wij arme mensen hebben, de meest representatieve dingen die we kunnen aanbieden. Ik zal hem hiervan geven zodat hij iets vers kan proeven; als teken van mijn waardering.’ Eigenlijk gaf de welgestelde persoon hem dingen die hij zelf niet meer nodig had, maar de ontvanger vatte de zaak op de juiste manier op. Hij zou nooit zeggen: “Je hebt me dingen gegeven die je niet gebruikt en waar je niet om geeft – scheep je me zo niet gewoon af als een bedelaar? Had je me dit ook gegeven als je het zelf nog nodig had? Waarom geef je me niet de mooie dingen die je bezit?” Iemand die werkelijk geweten en verstand heeft, denkt niet zo. Die denkt gewoon: ‘Het feit dat hij me deze dingen heeft gegeven, betekent dat hij niet op me neerkijkt.’ Zelfs als andere mensen onaangename opmerkingen maken en hij zich innerlijk enigszins gekrenkt voelen, kan hij de zaak nog steeds correct benaderen en probeert hij niet zijn gelijk te halen. Bovendien is hij in staat zijn weldoener iets terug te geven met wat hij beschouwt als de mooiste dingen die hij heeft, op basis van zijn eigen gezinssituatie en financiële omstandigheden. Je ziet, zijn principe voor de omgang en interactie met anderen is om geen misbruik van hen te maken. Hoewel dit principe niet opmerkelijk lijkt en het een alledaagse vanzelfsprekendheid is waaraan de meeste mensen gewend zijn geraakt, kan niet iedereen zich eraan houden. Ook beschouwt niet iedereen het als het meest fundamentele principe voor zelf-gedrag – laat staan dat het iets is wat iedereen waardeert. Mensen die werkelijk oprecht en goed zijn, hechten er veel waarde aan om mensen niets schuldig te zijn of van hen misbruik te maken in de omgang en interactie met hen. Of ze nu een comfortabel leven leiden of in armoede verkeren, ze zoeken in hun zelf-gedrag en de afhandeling van zaken naar gemoedsrust en dat ze niet worden beschuldigd door hun geweten. Alleen dit soort mensen streeft ernaar zich op die manier te gedragen. Ongeacht het tijdperk, de sociale omgeving of de groep waarin ze verkeren: degenen die zich op deze manier kunnen gedragen, doen dat omdat hun menselijkheid de eigenschappen oprechtheid, goedheid en schaamtegevoel bezit. Omgekeerd geldt dat als deze eigenschappen geen deel uitmaken van zijn menselijkheid, hij geen grens zal hebben voor zijn zelf-gedrag, en zelfs als hij die wel heeft, hij die niet zal kunnen handhaven. Wat is de reden dat hij geen grens voor zijn zelf-gedrag kan handhaven? Dat komt voornamelijk doordat het zijn menselijkheid ontbreekt aan de eigenschappen oprechtheid, goedheid en schaamtegevoel. Sommige mensen zeggen: “Kunnen zulke mensen dan niet af en toe een grens voor hun zelf-gedrag handhaven?” Dat kunnen ze in speciale omstandigheden. Soms lijken ze inderdaad in staat een grens te handhaven; dat zijn speciale omstandigheden. Soms slagen ze erin geen misbruik van anderen te maken of hun niets schuldig te zijn. Dat komt dan omdat de omstandigheden er niet naar zijn, of omdat ze geen geschikte kans kunnen vinden. Zo heeft het bijvoorbeeld gevolgen als ze spullen of geld lenen en het niet teruggeven: ze worden door de publieke opinie veroordeeld, wettelijk aansprakelijk gesteld, achter hun rug om bekritiseerd, of ze kunnen uiteindelijk niet eens meer in hun dorp, gehucht of gemeenschap blijven. Ze zien er alleen van af omdat ze ertoe gedwongen worden en geen andere uitweg zien; uit pure onmacht geven ze met tegenzin hun weldoener iets terug of zien ze er tijdelijk van af misbruik van hem te maken. Dit type persoon, dat geen grens voor zijn zelf-gedrag kan handhaven, handelt echter nooit uit zichzelf op deze manier, omdat zijn menselijkheid simpelweg de eigenschappen oprechtheid, goedheid en schaamtegevoel niet bezit. Daarentegen doet het type persoon dat er werkelijk van af kan zien om misbruik van anderen te maken dit uit zichzelf en is het iets wat hij op natuurlijke wijze onthult. Het kan ook zijn dat hij zelf dit soort principe en deze grens voor zijn zelf-gedrag heeft vastgesteld. Het is duidelijk dat het feit dat hij dit soort principe voor zijn zelf-gedrag heeft, een natuurlijke onthulling is die voortkomt uit zijn geweten en verstand, en deze natuurlijke onthulling is er volledig op gebaseerd dat hij de eigenschappen oprechtheid en goedheid bezit; hij wordt niet beïnvloed door anderen, noch wordt hij gedwongen door zijn omgeving. Het is gewoon iets wat hij op natuurlijke wijze onthult, wat zijn menselijkheid nodig heeft en wat zijn innerlijke wereld nodig heeft. Dit is een voldoende basis om te zeggen dat de menselijkheid van dit type persoon van nature de eigenschappen oprechtheid en goedhartigheid bezit. Als hij niet op deze manier handelt, kan hij het niet met zijn geweten in het reine brengen en zal hij zich vanbinnen ongemakkelijk voelen; hij zou zich doodschamen en zich nergens meer durven vertonen. Daardoor gedraagt hij zich op deze manier heel natuurlijk. Zeg Mij, denken jullie dat dit principe voor zelf-gedrag, dat je anderen niet willen misbruiken, belangrijk is? (Ja.) Het lijkt erop dat anderen niet misbruiken een basisprincipe voor zelf-gedrag is dat totaal niet opvalt, maar het is een belangrijke graadmeter die weerspiegelt wat voor soort eigenschappen iemands menselijkheid heeft. Is dit niet zo? (Dat is zo.)

Mensen die geen misbruik van anderen maken, laten een ander soort uiting zien. Stel bijvoorbeeld dat een relatief welgesteld persoon zo iemand iets aanbiedt van wat hij over heeft of dat nog ergens ongebruikt rondslingert. Omdat hij voelt dat hij niet van anderen kan profiteren zonder iets terug te geven, en omdat hij niemand iets schuldig wil zijn, zegt hij: “Ik heb het nu niet echt nodig, maar bedankt voor je goedheid.” Denk je dat mensen hebzuchtig zijn? Als mensen mooie dingen zien, houden ze daar dan van en willen ze ervan genieten? Iedereen houdt ervan en wil ervan genieten, maar er zijn verschillen tussen mensen. De meeste mensen gebruiken bijvoorbeeld graag merkcomputers die van goede kwaliteit zijn, snel zijn en een beeldscherm met een hoge resolutie hebben. Sommige mensen hebben het geld niet en kunnen zich er geen veroorloven, dus willen ze altijd misbruik maken van anderen. Wanneer ze zien dat iemand een merkcomputer gebruikt, vragen ze vaak om die te lenen, en gebruiken ze die zelfs zonder toestemming van de eigenaar of wanneer de eigenaar er niet is. Wanneer de eigenaar hem nodig heeft, verzinnen ze zelfs smoesjes en laten ze de eigenaar in plaats daarvan hún computer gebruiken. De eigenaar, die ziet dat ze de computer gewoon blijven gebruiken en deze niet teruggeven, heeft geen andere keuze dan een andere te kopen. Op deze manier eigenen ze zich de computer van de oorspronkelijke eigenaar toe, zonder dat hun geweten hen ook maar enig verwijt maakt. Heeft zo iemand menselijkheid? Heeft hij een geweten? (Nee.) Is hij een oprecht en goed persoon? (Nee.) Een oprecht en goed persoon zou zoiets absoluut niet doen. Stel dat iemand anders een nieuwe computer koopt en, wanneer hij ziet dat deze oprechte en goede persoon een trage computer gebruikt, hem zijn oude aanbiedt. De oprechte en goede persoon voelt dat het aannemen ervan een vorm van misbruik zou zijn en weigert. De andere persoon zegt dat hij er gewoon enkele tientallen yuan voor kan betalen, maar de oprechte persoon weet dat dit duidelijk een daad van naastenliefde is, en voelt dat hij hier geen misbruik van mag maken. Dus bedenkt hij manieren om geld te sparen, met de gedachte dat zelfs als hij een paar honderd yuan spaart om de computer mee te kopen, dat nog altijd als een aankoop tegen een gereduceerde prijs zou worden beschouwd. Als de andere persoon het geld weigert, gaat hij niet akkoord en neemt hij de aangeboden computer niet aan; hij zal absoluut geen aalmoezen accepteren. Zeg Mij, is hij koppig? Ongelovigen zeggen dat dit soort persoon koppig en onbuigzaam is, maar in deze onwil om compromissen te sluiten weerspiegelt zich een verdienste die te maken heeft met de eigenschappen van menselijkheid. Welke verdienste? Hij gelooft dat hij, ongeacht de omstandigheden, zijn principes en grenzen voor zijn zelf-gedrag moet handhaven; alleen dan kan hij gemoedsrust vinden en zich geaard voelen. Hij denkt dat als hij misbruik van anderen maakt, dat oneerlijk zou zijn en hij het niet over zijn hart zou kunnen verkrijgen hen onder ogen te komen, en dat als hij de spullen van andere mensen zou gebruiken, hij zich ongemakkelijk zou voelen, zijn gezicht rood zou aanlopen en hij zich vanbinnen onprettig zou voelen. Sommige mensen zeggen: “Maar de andere persoon is bereid hem die te laten gebruiken.” Betekent de bereidheid van de andere persoon dat hij geen misbruik meer van hem maakt? Zelfs als de andere persoon hiertoe bereid is, zou het nog steeds misbruik van hem maken zijn. Misbruik maken is altijd misbruik maken; de aard ervan verandert niet door de bereidheid van de andere persoon – de essentie blijft dezelfde. Hij denkt: ‘Het zou duidelijk misbruik zijn als ik zo’n goede computer zou kopen voor enkele tientallen yuan. Ik kan het absoluut niet aannemen. Als ik genoeg geld spaar, zal ik de computer kopen. Als ik dat niet kan, dan blijf ik gewoon mijn eigen oude computer gebruiken, simpelweg voor mijn gemoedsrust.’ Zie je, is dit geen grens voor zijn zelf-gedrag? (Ja.) Hij kan deze grens onder alle omstandigheden handhaven. Iemand wil hem zoiets geweldigs geven, hij heeft de kans om zoiets goeds te bemachtigen – de manier waarop ongelovigen dit zien is: ‘Je bent een dwaas als je het niet aanneemt. Het zou zonde zijn hier geen misbruik van te maken!’ Maar zo denkt hij er niet over. Hij gelooft dat dit geen dwaasheid is, en dat hij zichzelf niet kan bedriegen – misbruik maken is misbruik maken. Hij weet dat als hij er wel misbruik van zou maken, dit hem in zijn hart zou kwellen, zijn levensvreugde zou wegnemen, hij zich niet op zijn gemak zou voelen wanneer hij de computer zou gebruiken, en dat hij zich niet op die manier mag gedragen. Zie je, hij zal deze grens voor zijn zelf-gedrag niet overschrijden – is dit niet het geweten dat in hem aan het werk is? (Ja.) Zijn menselijkheid bevat de eigenschappen oprechtheid en goedheid, en zijn geweten vervult zijn functie; daarmee is hij dus in staat deze grens te handhaven. Dat wil zeggen, de reden dat hij deze grens kan handhaven, is dat zijn geweten voortdurend zijn functie vervult, hem bewust maakt en hem laat voelen: dat is verkeerd, dat is ongepast, dat kan ik niet doen. Zijn geweten stuurt, beteugelt en reguleert hem voortdurend, waardoor hij een grens voor zijn zelf-gedrag kan handhaven. Uiteindelijk kan hij het zich misschien veroorloven om te kopen wat hem werd aangeboden en gebruikt hij het vervolgens, of misschien kan hij het zich wel nooit veroorloven en wordt het door iemand anders gebruikt, in welk geval hij zich niet ontstemd voelt. Hij heeft in elk geval in deze kwestie deze grens en dit principe voor zijn zelf-gedrag gehandhaafd. Een persoon met de eigenschappen van menselijkheid stelt principes en grenzen vast voor zijn zelf-gedrag, en hij handhaaft deze voortdurend. Zelfs als hij in een situatie terechtkomt die zijn belangen raakt en hij zich op dat moment in de verleiding gebracht voelt, zal zijn geweten hem voortdurend sturen en beteugelen. Uiteindelijk, zelfs als anderen denken dat de belangen van deze persoon zijn geschaad of dat iemand anders ervan heeft geprofiteerd, en deze persoon zich misschien even wat ontstemd of ontevreden voelt, zal zijn hart door de functie van zijn geweten snel tot rust komen. Hij zal overwegen: ‘Het is altijd beter om geen misbruik te maken van anderen. Ik heb tenminste gemoedsrust en voel me niet beschuldigd door mijn geweten.’ Dit is wat hij nastreeft. Dit is de functie die het geweten in mensen vervult: het reguleert en beteugelt hen voortdurend, waardoor ze de juiste keuzes kunnen maken. Oog in oog met de eigen belangen, moraliteit of zelfs met bepaalde verleidingen, zal iemands geweten zijn gedrag voortdurend beteugelen, reguleren en corrigeren. Uiteindelijk zullen mensen met eigenschappen van menselijkheid er in de overgrote meerderheid van de gevallen voor kiezen om hun eigen belangen op te geven om vrede en rust voor hun geweten te verkrijgen. Onder speciale omstandigheden zullen er ook voor sommigen van deze mensen momenten voorkomen waarop ze de grens van hun geweten overschrijden, maar bij hen volgt daarop de beschuldiging en het ongemak van hun geweten; sommigen dragen dit ongemak en schuldgevoel zelfs de rest van hun leven met zich mee. Dit is de functie van het geweten. Dat wil zeggen, mensen bij wie de eigenschappen oprechtheid en goedhartigheid deel uitmaken van hun menselijkheid zullen af en toe fouten maken, en ze zullen ook, onder speciale omstandigheden, de grens van hun menselijkheid overschrijden en de principes voor zelf-gedrag schenden die ze voor zichzelf hebben vastgesteld. Het leidt er bij hen echter toe dat hun geweten hen zal veroordelen. Als ze geen gelegenheid kunnen vinden om dit goed te maken, of als hun omstandigheden het niet toelaten, zullen ze leven met innerlijke beschuldiging, ongemak, zelfverwijt en schuldgevoel. Dit zijn normale uitingen die onder alle omstandigheden eigen zijn aan een persoon die geweten en verstand bezit, en wiens menselijkheid de eigenschappen oprechtheid en goedheid bezit.

Deze uitingen van mensen die de eigenschappen oprechtheid en goedheid bezitten, zijn vanuit het perspectief van de menselijkheid relatief gewoon en alledaags. Ze zijn niet verheven of bovennatuurlijk, en ook niet bepaald nobel. In de ogen van de mens betekenen ze gewoon dat iemand een beetje integriteit heeft en met een beetje waardigheid leeft. Maar in Gods ogen zijn de eigenschappen oprechtheid en goedheid binnen de menselijkheid die door zulke mensen worden uitgeleefd, kostbaar. Omdat deze mensheid boosaardigheid vereert en niemand om geweten of verstand geeft, worden mensen die oprecht en goed zijn uit de maatschappij gestoten. De basisprincipes voor zelf-gedrag die zij naleven en uitleven, worden door de grote massa van de maatschappij bespot, veracht en veroordeeld. Hoe bespotten mensen hen? (Mensen zeggen dat ze dwazen zijn, onbuigzaam en traag van begrip.) Zo is het precies. In deze maatschappij worden mensen met een normale menselijkheid door anderen bespot, belachelijk gemaakt, veracht en veroordeeld; ze kunnen de erkenning van andere mensen niet verkrijgen, noch hun goedkeuring. Als je binnen een groep mensen altijd vasthoudt aan je principes voor zelf-gedrag, leid je een heel vermoeiend leven. Elke dag, wat je ook tegenkomt, voel je je verstikt en woedend, en overdenk je: ‘Wat is er mis mee dat ik me op deze manier gedraag? Waarom bespotten anderen mij? Mensen zeggen altijd: “Hoeveel is een geweten waard?” Het geweten is het kostbaarste wat er is. Is iemand überhaupt een mens als hij geen geweten heeft?’ Mensen zoals jij zijn het mikpunt van spot en uitsluiting in elke groep ongelovigen; niemand geeft je zijn goedkeuring en niemand kiest jouw kant. Jij bent oprecht en houdt vast aan principes in je zelf-gedrag, en mensen zeggen: “Leveren principes geld op? Zal het je de waardering van je meerderen opleveren als je vasthoudt aan principes? Zal iedereen je accepteren als je vasthoudt aan principes? Als je in deze maatschappij vasthoudt aan principes, ben je de grootste dwaas die er is; je zult klein worden gehouden en uiteindelijk je hoofd niet boven water kunnen houden!” Je vraagt je dus af: ‘Wat is er mis mee dat ik vasthoud aan principes? Hoe komt het dat ik als oprecht en goed persoon word bespot, uitgestoten en klein wordt gehouden?’ Uiteindelijk kom je tot de conclusie dat mensen tot op het bot verrot zijn, dat er niet één goed mens onder hen is, dat het allemaal duivels en Satans zijn! Je zegt dat je je met een zuiver geweten gedraagt, dat je je op een waardige en oprechte manier wilt gedragen, alles volgens de regels wilt doen en op je eigen vaardigheden wilt vertrouwen om de kost te verdienen zonder je toevlucht te nemen tot slinkse praktijken, maar door je op deze manier te gedragen, loop je de kans om in de maatschappij te worden weggedrukt; mensen kunnen je met een beetje gemanipuleer zo uitschakelen. Welke vaardigheden je ook hebt, je wordt uitgestoten en onderdrukt. Je voelt dat er in deze mensenwereld geen plek is om je recht te halen, en dat zo leven te verstikkend is. Leven tussen deze mensen is niet alsof je in een enorm vat met verf zit, maar alsof je in een vleesmolen zit – je zult levend worden vermalen. Zelfs als je niet wordt vermalen, zul je sterven van uitputting, je gaat elke dag van je leven in tegen je eigen wil in en bevindt je in een staat van fysieke en mentale vermoeidheid, waarbij elk woord dat je zegt en alles wat je doet verraad aan je eigen wil is. Terwijl je voortdurend op een slap koord balanceert, blijf je maar bespot worden als een dwaas en als iemand die onbuigzaam is, die niet weet dat hij geschenken aan zijn meerderen moet geven of connecties met zijn collega’s moet opbouwen. Je gedraagt je op basis van het principe dat je geen misbruik van anderen moet maken, maar andere mensen proberen op alle mogelijke manieren misbruik van jou te maken, en je kunt het niet eens vermijden. Uiteindelijk verricht je veel werk, maar de meerderen merken je niet op, en alle eer wordt door anderen weggekaapt. Nadat je in God bent gaan geloven, zie je dat er eerlijkheid is in Gods huis, dat God rechtvaardig is, en dat zelfs als sommige mensen onrechtvaardig handelen, er waarheid is in Gods woorden, er rechtvaardigheid is in Gods woorden, God een rechtvaardige gezindheid heeft, en dat het de waarheid en rechtvaardigheid zijn die de scepter zwaaien in Gods huis. Je zegt: “Goede mensen kunnen dus gedijen in Gods huis. Ik kan mijn hart openen en alle woorden spreken die ik voor me heb gehouden. Ik kan alle sterke punten en talenten die ik heb, benutten. Leven in Gods huis is werkelijk vredig en vreugdevol; ik zal nooit meer door andere mensen worden onderdrukt en uitgestoten. Het is zo geweldig om in God te geloven en naar Gods huis te komen! Als ik niet in God zou geloven, zou ik leven als een wandelend lijk en hoe langer ik zou leven, hoe meer uitgeput en gekweld ik me zou voelen; ik zou geen richting in het leven kunnen vinden, mijn hart zou duister worden, en ik zou het licht of de toekomst niet kunnen zien. Het zou werkelijk pijnlijk zijn!” Voordat dit soort mensen in God gaan geloven en de waarheid verkrijgen, voelen ze dat ze geen pad in het leven hebben en dat hun toekomst somber is en verstoken van licht. Na verscheidene tegenslagen en mislukkingen te hebben doorstaan, en vele ontberingen te hebben geleden, twijfelen ze niet alleen aan hun leven, maar voelen ze des te sterker dat het geen zin heeft om te leven. Ze voelen dat zelfs de dood te verkiezen zou zijn boven het leven tussen zulke mensen en het leven in zo’n wereld! Mensen leven niet eens zo gelukkig als de vogels in de lucht, noch zo vrij als de vissen in de zee – vogels kunnen op zijn minst tjilpen wanneer ze willen, zonder enige belemmering in de lucht vliegen en hebben hun eigen stukje ongerept land. Mensen die in deze wereld leven, hebben niet eens het recht of de vrijheid om de waarheid te spreken; ze leven elke dag met een masker op en kunnen alleen dingen zeggen die ze niet willen zeggen, wat indruist tegen wat ze vanbinnen werkelijk voelen – ze hebben geen andere keuze dan zulke dingen te zeggen, maar ze voelen er walging over zodra ze dat doen. Waarom moet leven zo moeilijk zijn? Dergelijke mensen voelen walging bij het zien van de gezichten van degenen om hen heen, met een gevoel van afkeer en weerzin in hun hart, ze kunnen hen echter niet vermijden of uit de weg gaan, en moeten zich ook nog altijd onder hen begeven. Soms spelen ze met de gedachte om maar gewoon wat aan te modderen om in hun levensonderhoud te voorzien en hun gezin te onderhouden, maar ze kunnen zich er toch niet bij neerleggen om dat te doen. Ze voelen dat mensen iets zinvols in het leven moeten nastreven, dat ze een menselijke gelijkenis moeten uitleven, de waarheid moeten spreken en een grens voor hun zelf-gedrag moeten handhaven, en dat dit het allerminste is wat mensen zouden moeten bereiken. Ze voelen dat als iemand dit niet eens kan bereiken, hij geen mens is. Maar zonder een pad om te bewandelen, zijn ze hulpeloos en kunnen ze zich alleen maar op een verwarde en versufte manier door het leven slaan, en kunnen ze maar nauwelijks het hoofd boven water houden. Vooral wanneer ze op moeilijkheden stuiten en ten einde raad zijn, voelen ze zich vanbinnen intens gekweld: ‘Waarom leven we? Is het alleen maar om elke dag leugens te vertellen en ons onder mensen te begeven die niet eens op mensen lijken en maar wat aanmodderen in afwachting van de dood? Aangezien ik vroeg of laat toch zal sterven, kan ik, in plaats van aan te modderen in afwachting van de dood, net zo goed nu sterven en er sneller van verlost zijn.’ Hoewel mensen er allemaal van verlost willen zijn, komt het maar zelden voor dat iemand ernaar durft te handelen; ze maken zich zorgen dat als ze op deze manier sterven, ze zich op geen enkele manier kunnen verantwoorden tegenover hun ouders en geliefden, en ze hebben ook bedenkingen in hun hart: ‘Zal het me werkelijk bevrijden wanneer ik op deze manier sterf’? Als het me werkelijk bevrijdt, zou dat goed zijn, maar als dat niet zo is, zou dat des te erger zijn.’ Zo worstelen mensen in pijn. Dit is precies hoe meelijwekkend degenen zijn die de waarheid niet hebben verkregen. Mensen voelen dat er altijd hoop is en iets om naar uit te kijken in het leven, maar diep in hun hart voelen ze dat deze dingen steeds vager en afstandelijker worden. Hoe vager en afstandelijker mensen deze dingen voelen, hoe meer ze in hun hart worstelen en lijden. Zulke mensen hopen allemaal de grens van hun geweten en hun principes voor zelf-gedrag te handhaven, en niet te leven op een manier die indruist tegen hun wil. Ze stellen geen strenge eisen aan zichzelf, noch stellen ze erg hoge doelen voor hun leven – ze zoeken geen grote rijkdom en hoge rang, maar willen alleen maar met een gerust gemoed leven. Toch kunnen ze zich niet eens aan zulke eenvoudige principes en zo’n eenvoudige grens voor hun zelf-gedrag houden, dus leven ze elke dag als wandelende lijken en voelen ze zich enorm uitgeput. Deze uitputting is geen fysieke vermoeidheid, noch is het de pijn die door ziekte wordt veroorzaakt, maar een uitputting van zowel lichaam als geest. Deze uitputting is een gevoel van zwaarte dat wordt teweeggebracht door het zinken van hun hart; het drukt als een rotsblok op hun hart, waardoor ze zich vanbinnen beklemd en gekweld voelen. Maar dan moeten ze nog altijd het leven en allerlei mensen, gebeurtenissen en dingen onder ogen zien, dus zetten ze zich schrap en gaan ze dag in dag uit door, brengen ze hun dagen door te midden van ontberingen en leiden ze een uiterst pijnlijk leven. Sommige mensen willen een Peking-opera bezoeken. Ze zien dat de verhaallijnen in de Peking-opera allemaal gaan over het leven van de hoofdpersoon, een leven dat moeilijk is en vol hobbels en tegenslagen zit, waarbij de artiest aan het eind ten slotte uitroept: “Wat een lijden…” en degenen die pijn in hun hart hebben, vinden hierin herkenning. Waarom vinden ze hierin herkenning? Omdat de artiest verwoordt wat er in hun hart leeft. Als je naar je geweten leeft, is leven in deze wereld niet gemakkelijk en brengt het je nergens; je zult tegen muren aanlopen, tegenslagen lijden en bij elke stap worden gekweld. Als je probeert een slecht persoon, een kwaadaardige persoon of een boosaardige persoon te zijn, zal het je overal voor de wind gaan en zul je geen obstakels tegenkomen. Als je een oprecht en goed persoon bent, en je menselijkheid de eigenschappen oprechtheid en goedheid bezit, dan zullen, zelfs als je oprechtheid en goedheid vervuild of zelfs besmet raken en enige onzuiverheden gaan bevatten nadat je verschillende dingen in de maatschappij hebt ervaren, de eigenschappen oprechtheid en goedheid in je menselijkheid nooit veranderen, en niemand zal ze kunnen veranderen. Zelfs als je niet langer de waarheid durft te spreken of de principes en grenzen voor je zelf-gedrag durft te handhaven, zul je er diep in je hart naar verlangen om de waarheid te spreken, je principes voor zelf-gedrag te handhaven, de grens van je geweten te bewaren en een gevoel van innerlijke vrede en rust te verkrijgen.

Nadat dit type oprechte en goede persoon in God is gaan geloven, is Gods huis – de kerk – voor hem een plek van zuiverheid en stilte, een plek waar zijn hart vrede en bevrijding kan vinden. Natuurlijk kan ook worden gezegd dat het een plek is waar hij de verwezenlijking van zijn levensaspiraties kan nastreven, en een plek die hem in staat stelt licht in zijn leven te zien en zich niet langer verloren te voelen wat betreft de vraag hoe hij richting moet geven aan zijn zelf-gedrag. Voor iemand met geweten en verstand is Gods huis dus zijn ware thuis. Dit thuis is geen thuis in vleselijke of materiële zin; maar een veilige plek waar hij in God kan geloven en zich aan Hem kan onderwerpen met een hart dat eenvoudig, blootgelegd en open is. Het kan ook een veilige haven worden genoemd. Hoe luidt het gezegde ook alweer? Gods huis is een haven waar oprechte en goedhartige mensen die eigenschappen van menselijkheid bezitten, kunnen aanmeren. Dat wil zeggen, dit is waar ze hun anker kunnen uitwerpen; ze hoeven niet meer rond te rennen en zijn in staat de waarheid te aanvaarden en hun richting en pad in het leven te vinden, zodat hun hart tevreden is. Een waar mens voelt zich dus pas echt tevreden in zijn hart wanneer hij naar Gods huis komt; iemand met geweten en verstand voelt pas dat hij zijn ware thuis heeft gevonden, een plek die zijn hart in staat stelt vrede en rust te verkrijgen, wanneer hij terugkeert naar Gods huis en terugkeert voor de Schepper. Hoewel zijn aspiraties voor zijn zelf-gedrag en de principes waarnaar hij zich gedraagt ver afstaan van het beoefenen van de waarheid, voelt hij op zijn minst dat zijn hart in Gods huis en in de kerk vrede en troost heeft verkregen. Dit is het verschil dat dit type persoon voelt tussen in Gods huis zijn en in de wereld zijn; het is een verschil in zijn hart. Daarom verkrijgt het hart van dit type persoon troost en vrede wanneer hij naar Gods huis komt; hij voelt dat alleen Gods huis de plek is waar hij zijn levensrichting kan nastreven, en dat het ook de omgeving is die hij het meest nodig heeft, en natuurlijk de plek waarnaar hij verlangt. Hij houdt van deze plek en is bereid om te leven en zich te gedragen in een dergelijke omgeving; natuurlijk is het zijn persoonlijke wens om dat te doen. Wat deze persoonlijke wens van hem betreft zijn de omgeving van Gods huis, de manier waarop God werkt, Gods vereisten voor mensen en alle andere aspecten al genoeg om aan de behoeften van zijn menselijkheid te voldoen. Hij streeft dus met een gerust hart de waarheid na en praktiseert volgens Gods vereisten. Of iemand de waarheid kan nastreven, hangt dus volledig af van zijn menselijkheid. Alleen als zijn menselijkheid de eigenschappen goedhartigheid en oprechtheid bezit, als hij eerlijkheid en rechtvaardigheid liefheeft, als hij ervan houdt om naar Gods huis te komen en innerlijke vrede en rust te verkrijgen, of als zijn hart volledige troost heeft verkregen nadat hij naar Gods huis is gekomen en voor God is gekomen, kan hij rust vinden om naar Gods woorden te luisteren, ze te aanvaarden en zich eraan te onderwerpen; alleen dan kan hij rust vinden om de waarheid na te streven en een echt schepsel te zijn. Dat wil zeggen, alleen wanneer iemand in de omgeving van Gods huis komt en daar troost in zijn hart vindt, en zich innerlijk vervuld voelt als gevolg van het feit dat hij de waarheid begrijpt, en de levensaspiraties en doelen bereikt die hij nastreeft – alleen onder deze basisvoorwaarden heeft hij de kans om de waarheid na te streven. Dit is een specifieke uiting van degenen die eigenschappen van menselijkheid bezitten. Als het gaat om het nastreven van de waarheid, is het natuurlijk erg belangrijk of iemand eigenschappen van menselijkheid bezit. Als men geen eigenschappen van menselijkheid bezit, voldoet men in wezen niet aan de voorwaarden om de waarheid na te streven.

Laten we het nu hebben over andere uitingen van oprechtheid en goedheid in de menselijkheid van mensen. Ik sprak zojuist over hoe mensen waarvan de menselijkheid de eigenschappen oprechtheid en goedheid heeft, een basisprincipe vaststellen voor hun omgang en interacties met anderen, en in hoe ze zich gedragen en zaken afhandelen – namelijk dat ze geen misbruik maken van anderen. Natuurlijk is dit ook de grens voor hun zelf-gedrag. Naast het feit dat ze geen misbruik maken van anderen, vertoont dit soort mensen nog een andere uiting: ze zijn bereid om met anderen mee te voelen en hen te helpen, en ze zijn ook bereid om iets aan hen te geven. In de ogen van anderen zijn zulke mensen een beetje dwaas – ze zijn te goedhartig, ze vertrouwen anderen gemakkelijk en hebben snel medelijden met hen, en, ondanks dat ze het zelf niet breed hebben, geven ze graag aan anderen. Ze komen graag op tegen onrecht; wanneer ze zien dat iemand met moeilijkheden wordt geconfronteerd, staan ze niet werkeloos toe te kijken of doen ze alsof ze het niet zien, maar proberen ze proactief te helpen. Zelfs als ze niet het vermogen hebben om te helpen, hebben ze nog steeds goede bedoelingen. Wanneer ze zien dat iemand met moeilijkheden wordt geconfronteerd, voelen ze dat als ze geen helpende hand bieden, ze dit niet met hun geweten in het reine kunnen brengen. Zelfs als de andere persoon niet om hulp vraagt, voelen ze nog steeds dat ze diegene moeten helpen. Nadat de andere persoon hun hulp heeft ontvangen, zegt deze alleen maar bedankt en laat het daarbij. De oprechte en goede persoon vindt dat niet erg; wanneer later iemand anders werkelijk met moeilijkheden wordt geconfronteerd, zullen ze diegene net zo goed helpen. Dit komt bij mensen een beetje onwetend of dwaas over. Anderen adviseren hen om te stoppen met het doen van goede daden, en vertellen hen dat ze op zijn minst dankbaarheid zouden moeten oogsten wanneer ze mensen helpen. Wanneer ze dit horen overdenken ze: ‘Moeten we dankbaarheid oogsten wanneer we mensen helpen? Hoeveel moeite kost het om een handje te helpen? Waarom zou je de dingen zo ingewikkeld maken?’ Zo ongecompliceerd zijn ze nu eenmaal; ze zijn gewoon bereid om anderen te helpen. Zeg Mij, denk je dat de bereidheid om anderen te helpen iets te maken heeft met iemands menselijkheid? (Ja.) Ze zoeken werkelijk geen enkele vorm van beloning. Is er in deze wereld iemand die vrij is van begeerten en verlangens? (Nee.) Hoe kan dit soort persoon dan anderen helpen zonder er iets voor terug te verlangen? Wat zijn voor de meeste mensen de speciale omstandigheden waar sprake van moet zijn, of hoe moet hun relatie met iemand zijn, om die persoon te helpen? Eén daarvan is de intiemste soort relatie – bloedverwantschap. Daarnaast moet de persoon die ze helpen een capabel persoon zijn, of er moet enig voordeel te behalen wanneer die persoon wordt geholpen. Er moeten voor hen alleen maar voordelen zijn en geen nadelen. Dit zijn de enige scenario’s. Wie zou anderen buiten deze scenario’s om zonder reden helpen? Om het nauwkeurig te zeggen, ze helpen anderen niet zomaar; er moet enig voordeel te behalen zijn. Zelfs als er geen onmiddellijk voordeel is, moet er toch sprake van voordeel op de lange termijn. In ieder geval helpen ze alleen wanneer ze er iets aan kunnen hebben. Wat nu de mensen betreft die bereid zijn anderen te helpen, los van hoeveel hulp ze geven of de vraag of datgene waarmee ze helpen enige waarde heeft – of het nu iets groots of iets onbeduidends is – waar komt hun bereidheid om anderen te helpen vandaan? Heeft het te maken met hun menselijkheid? (Ja.) Met welk aspect van de menselijkheid houdt het verband? (Goedheid.) Het heeft te maken met goedheid; wanneer de menselijkheid van mensen de eigenschap goedheid bezit, zijn ze bereid anderen te helpen. Laten we bijvoorbeeld zeggen dat ze zien dat een broeder of zuster negatief en zwak wordt. Eigenlijk zijn ze zelf geen kerkleider en hebben ze slechts een gewone relatie met deze broeder of zuster, maar wanneer ze zien dat diegene negatief en zwak is, voelen ze zich verdrietig en voelen ze een last op hun hart drukken. Het zit hen niet lekker als ze niet helpen, en ze denken: ‘Hoewel mijn eigen gestalte niet groot is en ik niet veel waarheden begrijp, is het toch een goede zaak voor mij om te proberen mijn verplichtingen na te komen. Misschien zal diegene, na te hebben gehoord wat ik zeg, in staat zijn om over zichzelf na te denken en niet langer negatief te zijn – zou dat niet goed zijn?’ Als dus iemand negatief en zwak wordt – tenzij het hen ontgaat – zoeken ze zodra ze het opmerken naar een gelegenheid om met die persoon te communiceren. Als ze zelf niet helder kunnen communiceren, zoeken ze een passage van Gods woorden om met die persoon over te communiceren. Kortom, door een combinatie van aansporing, begeleiding en het voorlezen van Gods woorden aan de persoon, begrijpt deze uiteindelijk Gods bedoelingen, is hij niet langer negatief en kan hij zijn plicht normaal vervullen, wat de goede persoon een gevoel van voldoening geeft. Ze kunnen het simpelweg niet verdragen om te zien dat mensen negatief zijn en niet hun best doen, of dat ze pijn hebben en lijden; het enige wat ze willen is hen troosten en ondersteunen. Als de andere persoon negatief blijft, voelen ze dat ze hun verantwoordelijkheid moeten vervullen. Wanneer die persoon, dankzij hun advies en begeleiding, niet langer negatief is, voelen ze grote blijdschap vanbinnen, en voelen ze dat het heel goed is om zich op deze manier te gedragen. Ze zoeken geen enkel voordeel; het is simpelweg zo dat, wanneer ze in staat zijn iemand te helpen, het hen een ongemakkelijk gevoel zou geven en aan hun geweten zou knagen als ze het zouden nalaten. Zeg Mij, denken jullie dat dit knagen aan hun geweten en dit gevoel van ongemak uitingen en onthullingen zijn van eigenschappen van menselijkheid? (Ja.)

Sommige mensen hebben de neiging om met anderen mee te voelen. Dit kan natuurlijk, als je het vanuit een bepaald perspectief van menselijkheid bekijkt, ook een menselijke zwakheid zijn, aangezien ze soms met kwaadaardige mensen meevoelen en hen helpen. Ze kunnen deze zwakheid echter niet veranderen. Nadat ze een kwaadaardig persoon hebben geholpen, komt deze er weer boven op en gaat het hem voor de wind, maar hij kijkt nog steeds op hen neer en negeert hen. Ze voelen zich vanbinnen overstuur en zeggen: “Waarom is hij zo? Toen hij aan de grond zat en mijn hulp zocht, voelde ik met hem mee en hielp ik hem – maar nu het hem voor de wind gaat en hij een goed leven leidt, negeert hij mij.” In hun hart kunnen ze er geen wijs uit worden; ze kunnen de essentie van kwaadaardige mensen niet doorzien. Na een tijdje, als een ander kwaadaardig persoon om hun hulp vraagt, voelen ze misschien nog steeds met diegene mee, maar zullen ze eerst kijken of deze persoon kwaadaardig is. Als de persoon niet zo verachtelijk is en best meelijwekkend is, zullen ze nog steeds met hem meevoelen. Wanneer ze een aantal broeders en zusters zien die voltijds hun plicht vervullen, maar wier families arm zijn en met moeilijkheden in het leven worden geconfronteerd, denken ze: ‘Ze slagen er nog steeds in hun plicht te vervullen ondanks dat ze zo arm zijn – dat zijn pas goede mensen! Ikzelf leef in welvaart; als ik hen niet help, zal ik het gevoel hebben dat ik hen tekort heb gedaan. Ik behoor aan hen te geven en hen uit de brand te helpen, zodat ze wat kleding of dagelijkse benodigdheden kunnen kopen.’ Zie je, ze zijn goed; wanneer ze zien dat mensen moeilijkheden ervaren, kunnen ze niet anders dan met hen meevoelen en hen helpen. In elke groep zijn er goede mensen, kwaadaardige mensen en ook onwetende mensen. Goede mensen zijn in staat om te geven en anderen te helpen, kwaadaardige mensen zijn in staat om allerlei slechte dingen te doen, en de verschillende onwetende mensen worden altijd door anderen gebruikt en rondgecommandeerd, en doen misschien allerlei domme dingen; ze zijn in verschillende mate onwetend. Kortom, er zijn allerlei soorten mensen. Mensen die eigenschappen van menselijkheid bezitten, hebben de neiging om met anderen mee te voelen. Ze zien anderen altijd als meelijwekkend, ze kunnen altijd zien wat er meelijwekkend is aan mensen, en ze kunnen altijd zien waarin mensen medeleven verdienen; hun geweten heeft een element van zachtaardigheid in zich. Dat wil zeggen, wanneer ze zien dat iemand met moeilijkheden wordt geconfronteerd, in pijnlijke situaties terechtkomt, of door kwaadaardige mensen wordt geïntimideerd of oneerlijk wordt behandeld, dan ontsteken ze vanbinnen in verontwaardiging en voelen ze met zulke mensen mee; ze hebben altijd een meelevend hart. In feite zijn hun eigen omstandigheden misschien niet veel beter dan die van anderen, en worden ze niet noodzakelijkerwijs minder geïntimideerd, maar omdat hun menselijkheid goedheid bezit, kunnen ze nooit anders dan met anderen meevoelen. Wanneer mensen met moeilijkheden worden geconfronteerd of pijn lijden, staan ze niet werkeloos toe te kijken en negeren ze hen niet. Soms, beïnvloed door de sociale omgeving – wanneer ze zien dat mensen alleen om zichzelf geven en hun medemens negeren – willen ze mensen niet langer helpen, maar dat lukt ze nooit; wanneer ze een arm persoon zien die geen maaltijd kan betalen, helpen ze diegene na wat wikken en wegen in hun hoofd uiteindelijk toch. Stel bijvoorbeeld dat iemand een zware verkoudheid oploopt – hij hoest, niest en heeft hoge koorts. Sommige mensen zijn bang dat ze het ook oplopen en blijven daarom ver uit de buurt. Goede mensen daarentegen kunnen niet anders dan bezorgdheid voor diegene tonen: “Je bent verkouden; heb je al medicijnen ingenomen?” Als de persoon geen geld heeft voor medicijnen, zullen ze hun eigen geld uitgeven om het voor hem te kopen. Zie je, wanneer een goed persoon ziet dat iemand ziek is en lijdt, blijft hij niet werkeloos toekijken. Dat wil zeggen, wanneer mensen met moeilijkheden worden geconfronteerd, wanneer ze te maken krijgen met lijden of benarde situaties, kunnen mensen met eigenschappen van menselijkheid dat altijd aanvoelen. Zij kunnen altijd beseffen dat er hulp nodig is. Ze bevinden zich in dezelfde omgeving als ieder ander, maar ze zijn bijzonder gevoelig voor dingen die anderen niet kunnen voelen. Hoe komt dit? Dat komt gewoon omdat de harten van mensen niet gelijk zijn. Mensen die menselijk gevoel missen, tonen geen belangstelling, hoeveel pijn anderen ook hebben, alsof ze het niet kunnen waarnemen. Mensen die wel menselijk gevoel hebben, kunnen, omdat de eigenschappen van hun menselijkheid een element van goedheid bevat, niet anders dan meevoelen met degenen om hen heen die pijn en moeilijkheden ervaren, en reiken vervolgens, geleid door hun geweten, de helpende hand – je zou hen niet kunnen tegenhouden, zelfs al zou je het proberen. Ze doen dit niet in de verwachting dat anderen hun goedheid zullen onthouden, noch in de hoop dat anderen hun menselijkheid en hun karakter in hoge mate zullen prijzen; ze hebben gewoon de bereidheid om dit te doen, en door het te doen verwerven ze innerlijke gemoedsrust. Dit zijn gedachten en gedragingen die voortkomen uit de eigenschappen van menselijkheid; niemand kan ze veranderen en niemand kan ze inperken. De dingen die ze doen, of de manieren waarop ze zich gedragen en de principes waarnaar ze dat doen, zijn puur natuurlijke uitingen van normale menselijkheid. Deze natuurlijke uitingen van menselijkheid komen volledig uit hun hart. Ze handelen vrijwillig op deze manier; niemand draagt hun dat op, en ze jagen geen enkel voordeel na. Ze zijn simpelweg bereid om dit te doen, en alleen het doen van zulke dingen geeft hun gemoedsrust; als ze die niet doen, krijgen ze vanbinnen een ongemakkelijk gevoel. Zelfs wanneer ze een kwaadaardig persoon tegenkomen die met moeilijkheden wordt geconfronteerd en weten dat ze kwaadaardige mensen niet zouden moeten helpen, dan vragen ze zich toch af: ‘Word ik wreed?’ Zelfs als ze deze kwaadaardige persoon niet helpen, blijft hun medeleven onveranderd, en zal het zich in een geschikte omgeving en bij de juiste mensen vanzelf weer uiten. Dit is een eigenschap van menselijkheid. Eigenschappen van menselijkheid zijn aangeboren en kunnen natuurlijk ook altijd en overal tot uiting komen; ze zijn heel natuurlijk, heel puur en heel eenvoudig. Daarom, wanneer iemands menselijkheid de eigenschappen oprechtheid en goedhartigheid bezit, komt dat niet voort uit wat zijn ouders of de maatschappij hem hebben geleerd, noch wordt het beïnvloed door welke omgeving dan ook; dit zijn de inherente eigenschappen van iemands menselijkheid.

Sommige mensen geven graag. Denk je dat mensen die graag geven ook rijk moeten zijn? Moeten het mensen zijn die de vele stormen van het leven hebben doorstaan en gedesillusioneerd zijn geraakt in de sterfelijke wereld? Moeten het mensen zijn die van alle rijkdom en pracht van de wereld hebben genoten – en het allemaal hebben doorzien – en onverschillig zijn komen te staan tegenover het genieten van materiële dingen? Moeten het mensen zijn wier persoonlijkheid relatief onbezorgd en grootmoedig is? Nee, zo hoeven ze niet te zijn. Onder de mensen van wie de menselijkheid de eigenschappen oprechtheid en goedheid bezit, is er een type persoon dat een bijzonder zuinig leven leidt. Als hij tijdens het eten een rijstkorrel laat vallen, moet hij die oprapen en opeten omdat hij de gedachte aan verspilling niet kan verdragen. Hij gebruikt maar een beetje water bij het tandenpoetsen en het wassen van zijn gezicht. Wanneer zijn kleren oud worden, kan hij het niet over zijn hart verkrijgen om ze weg te gooien; hij wast ze en blijft ze dragen. Wanneer hij dingen koopt plant en budgetteert hij zorgvuldig, en koopt hij goedkope dingen zolang de kwaliteit acceptabel is. Betekent het feit dat dit type mens zo zuinig is, dat hij gierig is? (Nee.) Dit type persoon is bijzonder zuinig als het om hemzelf gaat, maar hij is niet gierig als het om anderen gaat. Wanneer hij bijvoorbeeld ziet dat iemand een moeilijk leven leidt, geeft hij diegene een aantal van zijn eigen spullen, zoals kleding of apparaten. Sommige mensen zeggen: “Is hij een soort armoedzaaier die aan liefdadigheid doet?” Dat is het niet – hij voelt gewoon dat anderen uiterst meelijwekkend zijn, dus wil hij hen altijd helpen. In feite is hij zelf niet bemiddeld of rijk, en is hij nergens op uit wanneer hij anderen hulp biedt. Hij bezit gewoon dit soort menselijkheid; hij helpt anderen graag, en dit is ook zijn principe voor hoe hij zich gedraagt. Is dit ook een eigenschap van menselijkheid? (Ja.) Het basisprincipe van dit soort persoon voor de omgang met anderen is om te helpen wanneer hij behoort te helpen, en mee te voelen wanneer hij behoort mee te voelen. Wanneer andere mensen met moeilijkheden worden geconfronteerd, zal hij zijn liefde en praktische hulp aanbieden om hen te helpen; wanneer anderen dingen tekortkomen, geeft hij hen dingen die van hemzelf zijn. Binnen zijn eigenschappen van menselijkheid is er altijd een dergelijke bereidheid; deze gedachten kunnen altijd in hem opkomen en hij kan altijd de pijn voelen van degenen om hem heen die hulp en medeleven nodig hebben. Is dit het geweten dat in hem aan het werk is? (Ja.) Een dergelijke eigenschap van menselijkheid wordt niet bepaald door persoonlijkheid, maar is te danken aan de werking van het geweten. Hij heeft dus deze mentaliteit – of deze eigenschap van menselijkheid – waarbij hij bereid is om anderen te helpen. Wanneer mensen hulp nodig hebben en hem erom vragen, voelt hij niet alleen medeleven, maar helpt hij ook oprecht; zelfs als het wat van zijn tijd in beslag neemt en hij wat dingen aan hen moet geven, is hij daartoe bereid. Deze bereidheid is op zijn minst gebaseerd op de goedheid in iemands menselijkheid. Als iemands menselijkheid geen goedheid bezit, zal hij enerzijds niet de subjectieve bereidheid hebben om anderen te helpen, en anderzijds zal hij geen medeleven voelen wanneer hem om hulp wordt gevraagd, noch zal hij mensen oprecht helpen. Als iemand deze oprechtheid niet heeft, zal hij je alleen maar voor de vorm en plichtmatig helpen. Misschien zal hij met tegenzin een paar kleine dingen voor je doen, om geen gezichtsverlies te lijden of uit beleefdheid, of omdat hij wordt gedreven door eigenbelang – voor het geval hij op een dag onder jouw bevel komt te staan of jou nodig heeft. Er zijn tal van redenen die hem ertoe brengen je te helpen. Voor iemand wiens menselijkheid echter werkelijk de eigenschap van goedheid bezit, geldt dat de manier waarop hij mensen helpt niet passief is, laat staan dat hij onwillig of terughoudend is; veeleer is deze bereidheid inherent aanwezig binnen de eigenschappen van zijn menselijkheid. Hij helpt anderen vrijwillig, oprecht en proactief. Stel bijvoorbeeld dat je zijn hulp ergens bij nodig hebt. Wanneer je hem om hulp vraagt, zal hij veel medeleven met je voelen, en zal hij je met veel enthousiasme, oprechtheid en bereidheid uit de brand helpen. Het kan zijn dat je hem toevertrouwt iets voor je af te handelen, of een boodschap voor je door te geven, of het kan zijn dat er een bepaald voorwerp is dat je nodig hebt – wat voor soort hulp je kortom ook van hem nodig hebt, hij zal deze zaak met oprecht, ernstig, serieus en met gevoel voor verantwoordelijkheid behandelen.

Mensen van wie de menselijkheid de eigenschappen oprechtheid en goedheid bezit, nemen het heel serieus en nemen verantwoordelijkheid wanneer anderen hun de afhandeling van zaken toevertrouwen. Als zo iemand bijvoorbeeld naar de stad gaat om iets te regelen, en iemand anders vraagt hem om te helpen wat medicijnen te kopen, denkt hij tijdens het kopen zorgvuldig na: ‘Moet ik westerse medicijnen of Chinese medicijnen kopen? Westerse medicijnen werken snel, maar ze irriteren de maag. Misschien krijgt hij wel bijwerkingen als hij die inneemt? In dat geval zal ik vragen of er Chinese medicijnen zijn die relatief effectief zijn en de maag niet irriteren.’ Zie je, hij overweegt de dingen heel zorgvuldig. Wanneer iemand die verantwoordelijk is en de eigenschap van goedheid bezit ermee instemt om een ander te helpen iets af te handelen, zal hij diegene op een oprechte, serieuze en verantwoordelijke manier helpen de dingen te kiezen die hij nodig heeft. Het kan zijn dat hij niet zo serieus is bij het afhandelen van zijn eigen zaken, en wanneer hij dingen voor zichzelf koopt hij gewoon koopt wat oké lijkt. Wanneer hij de zaken van anderen afhandelt is hij echter bijzonder oplettend en bijzonder verantwoordelijk. Hij denkt bij zichzelf: ‘Aangezien hij deze zaak aan mij heeft toevertrouwd, betekent dit dat hij een hoge dunk van me heeft; ik moet de dingen goed voor hem regelen. Bovendien is dit niet iets moeilijks. Het is een fluitje van een cent. Ik moet ervoor zorgen dat hij tevreden is met wat ik doe. Maar ik weet niet welk soort medicijn geschikt voor hem is, en hij wil dat het medicijn zo snel mogelijk wordt gekocht zodat zijn ziekte kan worden behandeld. Ik zal dus gewoon zowel een beetje van het Chinese als het westerse medicijn voor hem kopen.’ Nadat hij de medicijnen heeft gekocht en meegebracht, kiest de andere persoon het medicijn dat toevallig precies het soort is dat hij nodig heeft. Zie je, hij legt zijn hart in wat hij doet en doet het serieus. De zaak wordt dus uitstekend afgehandeld. Als je echter iemand die onverantwoordelijk is en de eigenschap van goedheid niet bezit vraagt om te helpen medicijnen te kopen, zal ook hij instemmen. Nadat hij naar de apotheek is gegaan, koopt hij echter gewoon willekeurig wat medicijnen die bij de ziekte passen en komt dan terug. Je vraagt hem hoeveel van het medicijn je elke dag moet innemen en of er contra-indicaties zijn, en hij zegt: “Ik weet het niet. Lees de bijsluiter zelf maar. Hoe dan ook, ik ben voor je op pad gegaan en heb de medicijnen gehaald.” Uiteindelijk blijk dat de westerse medicijnen die hij heeft gekocht, niet ingenomen mogen worden door mensen die vatbaar zijn voor allergieën, en laat jij dat nu toevallig net zijn. De medicijnen zijn dus voor niets gekocht, en je zult alsnog zelf op pad moeten gaan om andere medicijnen te kopen. Hij heeft de zaak niet geregeld, en je staat ook nog eens bij hem in de schuld. Voel je je dan gelukkig vanbinnen? (Nee.) Hoe is deze zaak afgehandeld? Die is niet goed afgehandeld. Je hebt de verkeerde persoon iets toevertrouwd; je hebt niet de juiste persoon gevonden. Je moet iemand vinden die de eigenschappen van menselijkheid bezit. Als zo iemand moeilijk te vinden is, dan moet je, wanneer je iemand toevertrouwt om te helpen medicijnen te kopen, hem wat meer instructies geven en de dingen duidelijk uitleggen. Als je hem geen instructies hebt gegeven, en de persoon die je iets hebt toevertrouwd is iemand die geen menselijkheid heeft, dan zal deze zaak absoluut niet goed worden afgehandeld. Afgezien het feit dat het zonde van het geld is, sta je ook nog ben hem in de schuld. Als je iemand vindt die menselijkheid bezit, zal hij alles in zijn macht doen om dit voor je te regelen. Omdat hij een hart vol oprechtheid heeft en verantwoordelijkheid kan nemen, en zijn menselijkheid de eigenschap goedheid bezit, kan hij, wanneer hij zaken voor je afhandelt, met je meedenken, dingen voor je in overweging nemen en de dingen die je nodig hebt voor een redelijke prijs kopen. Iemand zonder eigenschappen van menselijkheid zal daarentegen alleen maar voor de vorm en plichtmatig iets voor je afhandelen. Hij zal mooie praatjes verkopen, maar bij het afhandelen van de zaak zal hij helemaal niet naar de prijs vragen, noch zal hij prijzen vergelijken; hij zal gewoon willekeurig iets voor je kopen. Als je deze twee soorten mensen niet vergelijkt, lijkt het alsof ze allebei dingen kunnen regelen. Mensen met eigenschappen van menselijkheid geven je echter een voldaan gevoel wanneer ze iets voor je afhandelen. Ze hebben de uitingen van menselijkheid; ze kunnen aan je behoeften voldoen en dingen voor je in overweging nemen. Ze hebben dit soort oprechtheid. Dit bewijst dat ze goed zijn, ware mensen zijn, en het waard zijn dat je hun iets toevertrouwt. Wanneer je daarentegen iemand zonder eigenschappen van menselijkheid iets toevertrouwt om af te handelen, zal hij het niet goed afhandelen. Zelfs als hij af en toe dingen redelijk goed regelt, doet hij het niet met oprechtheid – het is puur toeval. Je zegt: “Dat medicijn was goed spul. Ik werd niet lang nadat ik het had ingenomen beter.” Het was beter geweest als je dit niet had gezegd, maar nu je hem dit hebt verteld, wordt je dankbaarheidsschuld jegens hem groter. Het is duidelijk dat hij op pad ging om iets voor zichzelf te regelen, en toch kon hij het niet laten je te vertellen: “Zie je? Ik ben speciaal voor jou op pad gegaan.” Hij zal je om een gunst vragen, en je zult deze geringe dankbaarheidsschuld de rest van je leven niet kunnen inlossen; je bent in feite verstrikt geraakt door een kwaadaardige demon. Iemand met menselijkheid zal je echter niet om gunsten vragen, hoe goed hij ook een zaak voor je heeft afgehandeld. Wanneer je je dank aan hem uit, zegt hij: “Het was niets bijzonders. Ik moest toch die kant op.” Zie je, hij spreekt alleen de waarheid. In werkelijkheid heeft hij al geweldig werk geleverd en je enorm uit de brand geholpen. Zelfs de mensen die het dichtst bij je staan, behandelen je misschien niet op deze manier, maar een persoon met eigenschappen van menselijkheid kan doen wat zelfs je dierbaren niet kunnen. Hij handelt de zaak heel goed af en verlangt er niets voor terug. Je hebt altijd het gevoel dat je bij hem in de schuld staat, dus geef je hem af en toe wat fruit of iets anders, en je houdt hem altijd in gedachten wanneer er iets goeds opduikt. Maar in zijn hoofd beschouwt hij het niet als iets bijzonders; hij voelt dat jou helpen om iets gedaan te krijgen praktisch geen moeite van zijn kant kostte, en een heel normale zaak was. Hij vertelt je ook dat als er in de toekomst iets is waarbij je hulp nodig hebt, hij je weer zal helpen. Zie je, zijn er geen verschillen tussen mensen? (Ja, die zijn er.) Laat Mij je vertellen: mensen met menselijkheid bezitten de eigenschappen van oprechtheid en goedheid, en dit soort mensen is altijd het meest betrouwbaar. Alleen zulke mensen zijn te vertrouwen, omdat ze bij wat ze doen een grens hanteren. De reden dat ze een grens hanteren bij wat ze doen is dat zulke eigenschappen van menselijkheid zoals oprechtheid en goedheid bezitten.

Iemand die geen eigenschappen van menselijkheid bezit zal, zelfs als het iemand is die je nooit hebt beledigd, wanneer je iets doet wat zijn belangen raakt naar een gelegenheid zoeken om wraak op je te nemen. Wanneer iemand daarentegen wel eigenschappen van menselijkheid bezit, zal hij, zelfs als je hem eerder hebt gekwetst, of zelfs als je zijn belangen hebt geschaad, je absoluut niet haten of wraak op je nemen. Zelfs als hij een enigszins slechte houding heeft wanneer hij tegen je spreekt, of zijn woorden een beetje hard klinken, of hij je een beetje de les leest, dan zijn dit normale uitingen die voortkomen uit menselijkheid – hij zal absoluut niet eindeloos proberen wraak te nemen of je voor altijd haten zoals een kwaadaardig persoon dat zou doen. Waar is dit op gebaseerd? Het is gebaseerd op de grens die hij hanteert voor zijn zelf-gedrag. Juist omdat hij geweten en verstand heeft, en de zijn menselijkheid de eigenschappen oprechtheid en goedheid bezit, zal hij nooit zijn grens voor zijn zelf-gedrag overschrijden. Als iemand hem beledigt, zal zelfs als hij wraak wil nemen, zijn geweten dat absoluut niet toelaten. Als hij boos is, zal hij gewoon wat boze woorden spreken om een beetje stoom af te blazen, en daar blijft het bij – hij zal absoluut niets doen om wraak te nemen. Dit is de eigenschap van een persoon met menselijkheid. Zie je, sommigen mensen willen, zelfs als ze niet zijn beledigd, nog altijd anderen kwellen; ze willen met hen wedijveren en ruziën, en zijn zich altijd aan het bedenken hoe ze achter hun rug om complotten tegen hen kunnen smeden. Dit is ook een eigenschap van menselijkheid – het is de eigenschap die de menselijkheid van kwaadaardige demonen en kwaadaardige duivels bezit. Omgekeerd kan iemand van wie de menselijkheid de eigenschappen oprechtheid en goedheid bezit, het niet over zijn hart verkrijgen om anderen te kwellen. Als hij zulke dingen zou doen, zou zijn geweten hem verwijten maken en hem disciplineren. Zelfs als God hem niet disciplineert, de Heilige Geest hem geen verwijten maakt en de broeders en zusters hem geen verwijten maken, houdt zijn geweten hem in toom. Wanneer een persoon door zijn geweten wordt beteugeld, gaat hij niet te ver in zijn handelingen en hanteert hij een grens bij wat hij doet. Zelfs als je hem beledigt, hem kwetst, of zelfs iets doet dat te ver gaat, zal hij het niet met je willen uitvechten. In het ergste geval zal hij je gewoon uit de weg gaan en je negeren, en zal hij niet met je omgaan, geen interactie met je hebben of met je samenwerken. Maar hij zal je absoluut geen kwaad doen of proberen je te gronde te richten; hij zal niet achter je rug om complotten tegen je smeden of tactieken gebruiken om je in de val te lokken – hij zal zulke dingen absoluut niet doen. Kijk maar eens wie van de mensen om jullie heen van dit type zijn – dit zijn goede mensen van de hoogste kwaliteit. Je kunt je absoluut op je gemak voelen in de omgang met hen. Zelfs als je hen zo erg kwetst dat ze er volkomen kapot van zijn, zullen ze je hooguit vanbinnen haten, geen aandacht meer aan je willen besteden en nooit vrienden met je worden. Ze zullen echter geen complotten tegen je smeden, noch zullen ze naar een gelegenheid zoeken om wraak op je te nemen, laat staan dat ze zeggen: “Het is nooit te laat voor een heer om zich te wreken.” Dit is ware oprechtheid en goedheid. In staat zijn om dit te bereiken is absoluut niet iets dat kan worden geveinsd; dit is een ware eigenschap van menselijkheid. Alleen een persoon die eigenschappen van menselijkheid bezit, zal de juiste principes en grenzen voor zijn zelf-gedrag hanteren. Als je met hem omgaat en contact met hem hebt, zul je deze gedragingen en uitingen in hem kunnen zien, evenals deze natuurlijke uitingen van zijn menselijkheid.

Omdat de classificaties van mensen verschillend zijn, zijn hun reacties op verschillende dingen ook anders. Zie je, wanneer die kwaadaardige mensen, zij die gereïncarneerd zijn uit duivels, misbruik maken van anderen, wat is dan hun reactie als iemand hen ontmaskert? Ze zullen zeggen: “Wie maakt er geen misbruik van anderen? Zijn voordelen er niet om te worden benut? Wat is er mis met een beetje misbruik maken van de situatie? Als er een voordeeltje te behalen valt en je pakt het niet mee, ben je dan geen dwaas en een ezel?” Dit is de logica van een bandiet. Ze hebben geen gewetensbesef in hun hart, ze hebben geen schaamtebesef en ze voelen zich niet beschaamd. Omdat ze geen geweten hebben, hebben ze geen norm om de kwestie van het misbruiken van anderen te beoordelen. Hun principe is dat voordelen er zijn om te grijpen, en dat als je ze eenmaal te pakken hebt, ze van jou zijn. Ze niet grijpen zou zonde zijn, en zou je tot een dwaas maken. Is dit niet de logica van een bandiet? En hoe bekijken mensen die gereïncarneerd zijn uit dieren de kwestie van het misbruik maken van anderen? Als je tegen hen zegt: “Wat je doet is misbruik – het is niet goed om misbruik te maken van andere mensen, en het is niet goed om bij hen in het krijt te staan”, wat denken ze dan? ‘Dit voordeel behoort mij toe. Ik ben hun niets schuldig als ik van hen profiteer. Wat is er mis met profiteren? Profiteren is een vaardigheid; als je die vaardigheid niet hebt, trek je aan het kortste eind.’ Dit is de logica van een schurk. Ze kennen geen grenzen, geen schaamtebesef, geen schaamtegevoel, laat staan enig gewetensbesef. Ze hebben geen norm om iets te beoordelen. Zelfs als je ze vertelt wat de juiste norm is, beschouwen ze het niet als een norm, en weten ze niet dat deze norm juist is. Ze bezitten niet de rationaliteit van een normaal mens en kunnen geen onderscheid maken tussen wat juist en wat onjuist is. Ze brengen hun dagen door in een waas; niets wat je zegt kan helderheid bieden of ervoor zorgen dat ze het begrijpen. Het zijn gewoon verwarde mensen. Mensen met geweten en verstand daarentegen bezitten eigenschappen van menselijkheid. Als ze onbedoeld misbruik van iemand maken en je ze daarop wijst, raken ze vanbinnen van hun stuk en krijgen ze een kleur: ‘Heb ik misbruik gemaakt van hen gemaakt? Hoe heb ik dat niet kunnen beseffen? En dat iemand anders me daarop moet wijzen – wat beschamend!’ Ze zullen zeggen: “Hoeveel ik ook misbruik van hen heb gemaakt, ik moet het ze volledig terugbetalen – ik zou er zelfs wat rente aan kunnen toevoegen.” Ze moeten een manier vinden om de situatie te redden. Ze willen niet bekendstaan als mensen die misbruik maken van anderen. Als dat wel zo was, zouden ze zich diep beschaamd voelen. Daarom zullen ze, zodra iemand hen daadwerkelijk op hun probleem wijst, niet proberen zichzelf te rechtvaardigen – ze zullen niet zeggen: “Ik heb geen misbruik van hen gemaakt, en dat was ook niet mijn bedoeling.” Ze zullen dit soort schurkenlogica niet gebruiken om hun standpunt te verdedigen en zichzelf te rechtvaardigen. Omdat ze een element van oprechtheid in zich hebben, zullen ze het, zodra iemand het ter sprake brengt, correct onder ogen zien, er alles aan doen om het goed te maken en de andere partij te compenseren, en dit soort dingen nooit meer doen. Als ze dat wel doen, geven ze zichzelf een klap in het gezicht. Ze vinden het uiterst beschamend dat wat ze hebben gedaan door iemand is onthuld, en dat mensen hen nu achter hun rug om bekritiseren en hen in hun gezicht de les lezen. Ze weten zich geen raad met hun schaamte en zouden wel door de grond willen zakken; ze hadden liever gehad dat hun hele leven voorbij was gegaan zonder dat zoiets was gebeurd. Omdat ze een geweten hebben, voelen ze nadat ze misbruik van anderen hebben gemaakt schaamte in hun hart. Ze schamen zich te veel om zichzelf te rechtvaardigen en vinden dat wat ze hebben gedaan te beschamend is. Ze staan dus met hun mond vol tanden en hebben niets ter verdediging in te brengen. Ze willen alleen maar de andere partij compenseren. Mensen zoals deze zijn anders dan kwaadaardige mensen en duivels. Hoe beschamend de dingen die duivels doen ook zijn, ze voelen geen schaamte. Wanneer mensen met eigenschappen van menselijkheid van zulke dingen horen, krijgen ze onmiddellijk een kleur: zoveel mensen weten hiervan; wat vernederend! Ze voelen zich beschaamd en diep vernederd, en zijn innerlijk bijzonder ontdaan en onrustig. Zie je, diep in hun hart koesteren verschillende soorten mensen verschillende opvattingen en houdingen ten opzichte van dezelfde kwestie. Vanwege verschillen in de eigenschappen van hun menselijkheid hebben verschillende soorten mensen verschillende houdingen ten opzichte van dezelfde kwestie. Als iemand schaamte voelt, bewijst dat dat hij ook schaamtebesef heeft, wat op zijn beurt bewijst dat hij eigenschappen van menselijkheid bezit. Omgekeerd, als iemand geen schaamtebesef heeft, en nadat hij slechte daden en beschamende dingen heeft gedaan met argumenten komt om zichzelf te verdedigen, of zelfs weigert toe te geven wat hij heeft gedaan en zich van de domme houdt, is hij iemand zonder eigenschappen van menselijkheid. Mensen die geen eigenschappen van menselijkheid bezitten, zijn in ieder geval geen oprechte en goede mensen; ze hebben geen menselijkheid of verstand, en zijn het niet waard om mens te worden genoemd. Wanneer kwaadaardige mensen en duivels slechte dingen doen en slechte daden begaan, en hun vijanden met de vinger naar hen wijzen en hen uitschelden, schelden ze gewoon terug en voelen ze zich daarin volkomen gerechtvaardigd. Ze doen er zelfs alles aan om zichzelf te rechtvaardigen en te verdedigen, waarbij ze verwrongen redeneringen uiten alsof het daadwerkelijk deugdelijke redeneringen zijn, brutaal hun mond opendoen en onophoudelijk praten – ze zijn gewoonweg voor geen rede vatbaar en volkomen schaamteloos! Wat betreft mensen die gereïncarneerd zijn uit dieren: wanneer ze misbruik maken van andere mensen en daarop bekritiseerd worden, voelen ze zich vanbinnen verongelijkt en doen ze er ook alles aan om met excuses en redenen op de proppen te komen. Wanneer ze zichzelf rechtvaardigen, spreken ze ook met een gladde tong en praten ze maar door, en net als kwaadaardige mensen hebben ze ook geen schaamtegevoel. Omdat het dieren zijn zonder gewetensbesef, die hun dagen doorbrengen in een waas en in geen enkele kwestie goed van kwaad kunnen onderscheiden, hebben ze geen besef als het om dit soort dingen gaat; ze komen met een paar misleidende excuses om te proberen te verdoezelen wat ze hebben gedaan, en dan vinden ze dat het is afgehandeld. Ze denken niet dat dit een probleem is met hun zelf-gedrag; ze denken dat zolang ze maar genoeg excuses en redenen aandragen, ze de verantwoordelijkheid kunnen ontlopen en niemand zal weten wat ze hebben gedaan. Ze zullen zichzelf bedriegen en denken: ‘Het is al voorbij. Zoiets heb ik nooit gedaan, die fout heb ik nooit gemaakt. Denk niet dat ik een slecht mens ben. Ik ben in ieder geval niet iemand die misbruik maakt van anderen. Kijk eens hoe goedhartig en vriendelijk ik ben, en hoeveel begrip ik voor anderen heb!’ Zie je, dit is iemand die verward is. Alleen mensen die eigenschappen van menselijkheid bezitten, zijn bijzonder gevoelig voor dit soort kwesties waarbij waardigheid in het geding is. Zelfs als niemand weet wat ze hebben gedaan, zullen ze zich, als ze het zelf beseffen, vanbinnen ongemakkelijk en schuldig voelen, en zelfs het gevoel hebben alsof mensen naar hen kijken. Als een paar mensen die heel vertrouwd met hen zijn er daadwerkelijk achter komen wat ze hebben gedaan, zullen ze zich nog ongemakkelijker voelen en zich te veel schamen om te proberen zichzelf te rechtvaardigen. Ze zullen er alles aan doen om het snel goed te maken, en zullen dit soort dingen nooit meer doen, omdat ze het veel te beschamend vinden! Dit zijn de verschillende uitingen van de drie categorieën mensen ten aanzien van dezelfde kwestie.

We hebben zojuist gezegd dat mensen met eigenschappen van menselijkheid gewoonlijk principes hebben in hoe ze anderen behandelen. Wanneer ze rapporteren over iemands situatie, of er informatie over verstrekken, of wanneer ze iemand beoordelen, kunnen ze hem bekijken en behandelen op basis van hun oprechte en goede menselijkheid. Zelfs als ze de waarheid niet begrijpen, hebben ze nog altijd enkele ondergrenzen. Ze zullen een gemiddeld persoon bijvoorbeeld als volgt beoordelen: ‘Hij heeft niets slechts gedaan. Hij leidt een fatsoenlijk leven. Hij is een gewoon mens in de wereld, en kan worden beschouwd als een argeloos iemand.’ Zie je, ze zullen de gemiddelde persoon correct beoordelen op basis van hun eigen geweten. Ze kunnen zelfs degenen die hen in het verleden hebben beledigd, hebben gekwetst of hun belangen hebben geschaad, correct behandelen en beoordelen. Dit onthult des te meer de eigenschappen van oprechtheid en goedheid die deze mensen in hun menselijkheid hebben. Dat wil zeggen, ze kunnen de gemiddelde persoon correct beoordelen – als hij goed is, is hij goed, en als hij niet goed is, benoemen ze dat ook. Als hun wordt gevraagd leugens te vertellen, kunnen ze dat niet doen; ze voelen dat dit tegen hun wil in zou gaan. Ze vertellen het gewoon zoals het is en noemen de dingen bij hun naam. Ze kunnen ook volgens dit principe handelen ten opzichte van mensen die hen hebben beledigd. Zelfs als er iemand is die ze niet mogen of door wie ze zich afgestoten voelen, nemen ze, als van hen wordt verlangd dat ze over die persoon rapporteren of hem beoordelen, liever geen standpunt in, en zeggen ze: “Ik ben bang dat mijn beoordeling van deze persoon niet objectief zou zijn, omdat ik persoonlijke grieven en wrok tegen hem koester. Ik onthoud me dus van commentaar. Jullie kunnen hem beoordelen op basis van de evaluatie van alle anderen.” Dit is wat mensen met eigenschappen van menselijkheid in principe kunnen bereiken. In het bijzonder wanneer iemand met aanzien anderen nog steeds eerlijk kan behandelen, getuigt dat des te meer van zijn menselijkheid. Hoe ze mensen behandelen wanneer ze status hebben, is wat anderen werkelijk duidelijk kan laten zien of hun menselijkheid de eigenschappen van oprechtheid en goedheid bezit. Wanneer iemand geen status heeft, lijkt het alsof hij mensen eerlijk kan behandelen, en is zijn oordeel over hen relatief objectief. Dit bewijst op zich nog niets – wanneer hij status heeft, kijk dan eens hoe hij degenen behandelt die hem hebben beledigd of gekwetst, en hoe hij degenen behandelt die hem eerder hebben uitgesloten of zelfs opzettelijk hebben onderdrukt. Omdat mensen die werkelijk eigenschappen van menselijkheid hebben, wiens menselijkheid oprechtheid en goedheid bezit, wanneer ze status hebben, degenen die hen in het verleden hebben beledigd, gekwetst of zelfs opzettelijk hebben onderdrukt, correct kunnen behandelen. Het kan zijn dat wanneer ze de waarheid niet begrijpen, ze mensen niet volledig nauwkeurig volgens de waarheidsprincipes kunnen behandelen, maar ze hebben ook hun eigen grenzen en principes in de manier waarop ze mensen behandelen. Ze zullen bijvoorbeeld, als de andere broeders en zusters in de kerk een bepaald individu als kandidaat of leider kiezen, en deze persoon toevallig iemand is die hen eerder heeft beledigd, de verkiezing absoluut niet opzettelijk verstoren of hinderen wanneer ze zien dat de broeders en zusters allemaal zeggen dat deze persoon niet slecht is en is veranderd. Ze mogen deze persoon persoonlijk misschien niet zo erg, maar als Gods huis deze persoon gebruikt en de broeders en zusters hem kiezen, zullen ze de zaken volgens het boekje afhandelen en volgens principes handelen, onder omstandigheden waarin ze deze persoon niet volledig hebben doorzien. Ze zullen deze persoon absoluut niet oneerlijk behandelen omdat ze persoonlijke grieven tegen hem hebben, noch zullen ze hem opzettelijk rondcommanderen of kwellen. Af en toe zouden ze hem, vanwege hun verdorven gezindheden of de zwakheid van hun menselijkheid, onder speciale omstandigheden verbaal kunnen aanpakken met dingen die niet gezegd zouden moeten worden, omdat iedereen verdorven gezindheden heeft en niemand foutloos is. Ze kunnen echter basisprincipes handhaven; dat wil zeggen, ze zullen mensen met wie ze in vijandschap leven niet vervolgen, onderdrukken of wraak op hen nemen, alleen maar omdat ze zelf status hebben. Als dit incidenteel toch gebeurt, zal hun geweten hen achteraf beschuldigen en hun vertellen: ‘Het was verkeerd van je om dit te doen. Nu je status hebt, heb je de macht die je uitoefent gebruikt om wraak te nemen op die mensen – dit is ongepast!’ Ze zullen over zichzelf nadenken, hun geweten zal hen beschuldigen, en bovendien zal hun verstand hen beteugelen zodat ze andere mensen niet onderdrukken en geen wraak nemen. Hun geweten zal hun gedrag reguleren, waarbij het hen er voortdurend aan herinnert: ‘Dat is ongepast’. Zodoende zullen ze beheerst zijn in hun spreken, en zullen ze niet te ver gaan in de dingen die ze doen. Dit zijn enkele basisuitingen van mensen met het geweten en verstand van een normale menselijkheid wat betreft hoe ze anderen behandelen. Zelfs als ze zich tijdelijk door hun humeur willen laten leiden en mensen aan willen pakken tegen wie ze wrok koesteren of die hen in het verleden hebben geschaad, en zelfs als andere mensen het volkomen redelijk zouden vinden dat ze nu wraak zouden nemen, blijven ze beheerst in wat ze doen, en hebben ze een grens die ze absoluut niet zullen overschrijden. Als ze hun grens zouden kunnen overschrijden en als een bezetene wraak zouden nemen, zouden ze geen mensen zijn bij wie oprechtheid en goedheid deel uitmaken van hun menselijkheid. Juist omdat ze de zwakheden van de menselijkheid hebben en binnen de normale menselijkheid leven, voelen ze ook haat en woede jegens degenen die hen hebben gekwetst, en willen ze ook wraak nemen. Echter, omdat hun menselijkheid de eigenschappen van oprechtheid en goedheid bezit, en ze worden beteugeld en gereguleerd door hun geweten en verstand, zullen ze, wanneer ze wraak op iemand willen nemen, door hun geweten worden berispt en door hun verstand beheerst worden, en bij zichzelf denken: ‘Laat maar zitten. Dat zou ongepast zijn. Wat ze eerder deden heeft me niet echt gekwetst, en zelfs als ik nu wraak op hen neem, zal dat geen enkel probleem oplossen.’ Ze zullen rationele middelen gebruiken om zichzelf te beheersen en in toom te houden, terwijl ze ook op zichzelf inpraten en zichzelf op andere gedachten brengen. Als ze bovendien ook enkele waarheden begrijpen, dan zal hun gedrag in dit opzicht nog beter worden en meer in overeenstemming zijn met de waarheidsprincipes. Kortom, als het gaat om hoe ze anderen behandelen, zullen ze van tijd tot tijd de eigenschappen van oprechtheid en goedheid in hun menselijkheid openbaren, en zullen ze vaak enkele gedachten en gedragingen openbaren die worden geleid door eigenschappen van menselijkheid. Wat je hen vaak hoort zeggen is: “Laat maar zitten. Als ik me tot hun niveau verlaag, zou ik dan niet net als zij zijn? Bovendien ligt wat er is gebeurd in het verleden. We zijn allemaal volwassenen – heeft het enige zin om zo met gelijke munt terug te betalen?” Ze zullen enkele gedachten en gezichtspunten die voortkomen uit eigenschappen van menselijkheid gebruiken om zichzelf te beteugelen. Natuurlijk is het ook zo dat hun gedachten en gezichtspunten, die ontstaan onder de leiding van hun geweten en verstand, voortdurend hun woorden en daden reguleren, beteugelen, beheersen en intomen. Achteraf zullen die gedachten om wraak te nemen op anderen, die de grenzen van het verstand overschrijden, in hun hart steeds zwakker worden. Onder de voortdurende correctie van geweten en verstand, in combinatie met het nastreven van de waarheid en het met de jaren steeds volwassener worden, zullen de gedachten en handelingen van degenen waarvan de menselijkheid zulke eigenschappen als oprechtheid en goedheid bezitten – naarmate deze mensen de waarheid nastreven – steeds meer naar het positieve neigen, steeds meer in overeenstemming zijn met de waarheidsprincipes en steeds meer gereguleerd worden. Dat wil zeggen, door dit proces zullen mensen geleidelijk haat, grieven en verschillende persoonlijke problemen loslaten die voortkomen uit hun eigen bekrompen denken. Als men louter wordt beheerst en beteugeld door geweten en verstand, kan men haat en grieven eenvoudig loslaten en simpelweg zeggen: “Laat maar zitten, het is voorbij.” Maar als men de waarheid kan nastreven en de waarheid kan begrijpen, blijft men niet beperkt tot het eenvoudigweg loslaten, het de dingen laten rusten en het er klaar mee zijn. In plaats daarvan zal men in staat zijn de waarheidsprincipes toe te passen en, gedreven door geweten en verstand, correcter te leven, waarbij men deze kwesties aanpakt en degenen met wie men verschillende grieven had behandelt op de manier die God onderwijst. Daarom kan men alleen als men basisprincipes heeft voor het behandelen van anderen, en uitgaande van dit fundament ook de waarheid begrijpt, geleidelijk de waarheidswerkelijkheid binnengaan en gaan beoefenen volgens de waarheidsprincipes.

De principes volgens welke mensen met geweten en verstand anderen behandelen, worden beteugeld door de eigenschappen van oprechtheid en goedheid in hun menselijkheid. Mensen van wie de menselijkheid deze eigenschappen van oprechtheid en goedheid niet bezit, hebben dus geen principes in hun omgang met anderen. Zie je, wanneer sommige mensen geen status hebben, lijken ze, als iemand hen kwetst of op hen neerkijkt en het hun capaciteiten te boven gaat om wraak te nemen, heel volgzaam. Het is alsof de manier waarop ze zich gedragen heel grootmoedig is, en je zou het gevoel kunnen hebben dat ze best goed zijn, en je zult hen nooit wraak hebben zien nemen op iemand die hen heeft beledigd. Maar dit kan niet bepalen welke eigenschappen hun menselijkheid werkelijk heeft. Je moet kijken naar hoe ze mensen behandelen – of ze mensen eerlijk kunnen behandelen, of ze degenen die hen in het verleden hebben beledigd kunnen behandelen op basis van geweten en verstand, en of ze principes kunnen hebben in het behandelen van mensen – wanneer ze status, zeggenschap en beslissingsbevoegdheid hebben. Dit vertelt je in welke categorie iemand werkelijk valt. Mensen zonder eigenschappen van menselijkheid doen wanneer ze geen status hebben alsof ze zich heel goed gedragen. Wanneer wraak nemen op anderen hun capaciteiten te boven gaat, durven ze daar niet naar te streven, maar in hun hart onthouden ze elke belediging. Hun geest is vervuld van haat en wraakzucht, en zit vol manieren om anderen te kwellen en tegen hen te complotteren. Ze zullen hun tijd afwachten en zoeken naar kansen om wraak te nemen, wachtend tot degenen die hen in het verleden hebben beledigd ten onder gaan. Zodra ze status hebben, en wanneer ze deze status hebben geconsolideerd, is hun houding ten opzichte van degenen die hen in het verleden hebben beledigd of die met hen overhoop liggen, compleet anders dan de houding die mensen met geweten en verstand zouden hebben. Ze moeten simpelweg wraak nemen, en zullen zich het hoofd breken om manieren te bedenken om dat te doen. Ze zullen hun haat absoluut niet loslaten, noch zullen ze enige grieven loslaten. Ze zullen absoluut niet zijn als mensen met eigenschappen van menselijkheid, die zouden zeggen: “Laat maar zitten. Er zijn zoveel jaren verstreken. Het gaat prima met me, en wat ze deden heeft me niet echt gekwetst. Bovendien, wat zou wraak nemen opleveren?” Ze zullen absoluut niet zeggen: “Laat maar zitten”; in hun hart zullen ze de score bijhouden. Wanneer ze status hebben, zeggen ze: “Dacht je dat ik mijn haat was vergeten? Je hebt me eerder beledigd, gekwetst en onderdrukt – dacht je dat het hiermee ‘zand erover’ was? Dat is onmogelijk! Ik heb nu status; de dingen zijn anders dan vroeger – hoe zou ik geen wraak op je kunnen nemen? Ik ga de macht die ik uitoefen gebruiken om je te laten zien waartoe ik in staat ben, om je te laten weten dat ik geen gewoon mens ben!” Hun innerlijke wereld is vol haat, en hun geest is vervuld met manieren om wraak te nemen en om een nederlaag in een overwinning te veranderen, in een poging ervoor te zorgen dat niemand vergeet hoe geducht ze zijn, en dat mensen hen niet langer zoals vroeger rondcommanderen, maar hen in plaats daarvan vrezen. Zie je, is dit type persoon niet anders dan iemand met eigenschappen van menselijkheid? (Ja.) Wat zitten ze voortdurend over na te denken? ‘Ik zal je laten zien hoe geducht ik ben. Ik zal je laten zien dat er met mij niet te spotten valt. Ik zal ervoor zorgen dat je elke keer dat je mij ziet bang wordt en dat je me nooit meer durft rond te commanderen!’ Zeg Mij, denk je dat ze naar deze gedachten kunnen handelen? (Ja.) Dat kunnen ze zeker. Hun hart is vervuld van haat, en bovendien vallen ze onder de categorie van de duivels, en ze hebben geen norm om te meten of het juist of onjuist is om op deze manier te denken. Wanneer ze op deze manier denken, hebben ze geen geweten en verstand om zichzelf te beteugelen – niets kan hen beteugelen of reguleren. Terwijl deze boosaardige, venijnige dingen voortdurend in hen aanzwellen en overlopen, zijn ze ook voortdurend aan het complotteren en zoeken ze naar kansen om de dingen te doen die ze willen doen. Nu hebben ze status – hun kans is eindelijk gekomen. Zeg Mij, denk je dat ze zullen inbinden? Ze zullen absoluut niet inbinden. Ze zullen deze kans grijpen en de macht die ze nu uitoefenen gebruiken om al hun gedachten werkelijkheid te laten worden. Daarmee boezemen ze angst in bij hun vijanden en degenen die hen in het verleden hebben gekwetst, laten ze iedereen zien hoe competent en capabel ze zijn, en zorgen ze ervoor dat al deze mensen hen in hun hart gaan bewonderen en hun status toekennen. Het volgende wat ze zullen doen, is deze mensen in verlegenheid brengen, en woorden en daden gebruiken om hen te onderdrukken en aan te vallen. Ze zullen op zoek gaan naar wie hen in het verleden heeft beledigd en overdenken: ‘Ik moet hen wegsturen om het evangelie te prediken op de meest zware, gevaarlijke plek die er is. Als ze niet willen gaan, zal ik hen snoeien. Als ze ook daarna niet gaan, zal ik hen in diskrediet brengen en verdrijven! En iedereen die het voor hen opneemt, zal hetzelfde lot ondergaan!’ Sommige mensen die hen in het verleden hebben beledigd zijn nu als leiders gekozen. Ze zijn echter nog steeds hun ondergeschikten. Ze overdenken: ‘Welke preek kan ik prediken om hun prestige volledig te ondermijnen? Als ze zich goed gedragen en in alle zaken naar me luisteren, zal ik met hen met een schone lei beginnen. Maar als ze ongehoorzaam zijn, me weerzinwekkend vinden en ontevreden over me zijn, en zelfs mijn problemen willen rapporteren, zal ik hun een lesje moeten leren! Ik zal er alles aan doen om ervoor te zorgen dat de broeders en zusters hen verwijderen en van hun functie ontheffen, en ervoor zorgen dat ze de zaken nooit meer kunnen omdraaien! Ik zal ze wegsturen naar een boerderij om het land te bewerken of varkens te fokken. Als ze nog steeds niet luisteren, zal ik voor hen de gevaarlijkste plek zoeken om naartoe te gaan en hun plicht te vervullen, een plek waar ze op elk moment door de politie kunnen worden gearresteerd!’ Alleen al het koesteren van zulke gedachten is al heel ernstig; er wordt al een grens overschreden. Dat ze op deze manier kunnen denken, bewijst al dat ze niet echt enig geweten of verstand hebben. En als ze deze dingen daadwerkelijk kunnen doen, dan hebben ze, naast het feit dat ze geen geweten en verstand hebben, ook het element van een demonische aard in zich. Hun hart is niet alleen verstoken van menselijkheid, maar bevat ook een demonische aard. Zijn het geen duivels? Wanneer dit type persoon geen status heeft, is hij er vrij goed in zichzelf te vermommen en dingen te verdragen. Hij heeft ‘slapen op kreupelhout en gal likken’ onder de knie. Hij heeft geleerd van de uitdrukkingen ‘Het is nooit te laat voor een heer om zich te wreken’ en ‘Zolang je nog leeft, heb je een kans’, evenals ‘Een groot man is grootmoedig’. Hij heeft zich tot nu toe vermomd, en eindelijk wordt zijn ware aard blootgelegd. Wat voor ellendeling is hij? Hij is geen mens, hij is een duivel. Kijk maar eens welke mensen zich goed gedragen wanneer ze geen status hebben, maar onmiddellijk andere mensen lijken te zijn zodra ze die wel krijgen. Ze informeren snel naar de verblijfplaats en situaties van iedereen die hen heeft beledigd, en welke plichten ze momenteel vervullen. Vervolgens zoeken ze naar kansen om problemen met deze mensen te veroorzaken en hun kwesties buiten proportie op te blazen. Ze pakken deze mensen zo hard aan dat ze volgzaam worden en zich aan hen overgeven, op welk moment ze geloven dat het werk van de kerk goed is gedaan. Mensen zoals deze zijn kwaadaardige demonen en moeten snel van hun functie worden ontheven. Als ze niet van hun functie worden ontheven, zul je samen met de anderen lijden – vroeg of laat zullen ze ook achter jou aan gaan.

Wat voor soort persoon zou als kerkleider moeten worden gekozen? Ten eerste zou hij zich verantwoordelijk moeten voelen voor het vervullen van zijn plicht en van voldoende kaliber moeten zijn. Ten tweede zou zijn menselijkheid oprecht en goed moeten zijn, en zou hij in staat moeten zijn mensen eerlijk te behandelen. Toen hij geen status had, waren er daadwerkelijk enkele broeders en zusters die hem hadden beledigd of met hem overhoop hadden gelegen, maar nu hij een leider is geworden, kan hij deze mensen correct behandelen, hen bevorderen wanneer ze bevorderd moeten worden, en hen gebruiken wanneer ze gebruikt moeten worden. Sommige mensen vertellen hem: “Die persoon heeft eerder slecht over jou gesproken”, maar hij kan het loslaten. Hij geeft prioriteit aan het werk van Gods huis en zegt: “Gods huis heeft op dit moment mensen nodig. Als ze geschikt zijn om deze plicht te vervullen, zouden we hen moeten gebruiken.” Wie er ook tweedracht probeert te zaaien, hij wordt er niet door beïnvloed. Zelfs als het de persoon is die hem het slechtst heeft behandeld, zal de leider, als deze persoon voldoet aan de principes van Gods huis voor het gebruiken van mensen, hem naar behoefte gebruiken. Als we de vraag of zo iemand Gods bedoelingen in acht neemt, of hoe zijn kaliber is, of dat hij het werk goed kan doen buiten beschouwing laten, is hij, puur in termen van de classificatie van mensen, absoluut een waar mens. Hij kan mensen eerlijk behandelen, vooral degenen die met hem overhoop hebben gelegen of hem in het verleden hebben onderdrukt, gekwetst, of zelfs beledigd of rondgecommandeerd – hij kan hen allemaal correct en eerlijk behandelen. Dat is voor ons genoeg om te zeggen dat deze persoon voldoende oprecht en goed is; hij voldoet aan de principes en aan de voorwaarden om door God te worden vervolmaakt. Sommige mensen zeggen: “Is deze persoon dan iemand die de waarheid nastreeft? Als hij de waarheid niet nastreeft, zou het dan niet onmogelijk zijn dat hij mensen op deze manier kan behandelen?” Is dit juist? Zeg Mij, zelfs als iemand de waarheid niet nastreeft, zal hij dan, zolang hij van nature de eigenschappen van oprechtheid en goedheid in zijn menselijkheid bezit, een basisprincipe kunnen hebben in hoe hij mensen behandelt? (Ja.) Zal hij, wanneer hij status heeft, in staat zijn persoonlijke grieven los te laten, mensen fouten uit het verleden niet na te dragen, en mensen niet te behandelen op basis van zijn persoonlijke grieven? Hij zal in staat zijn dit te bereiken. Als je zelfs dit niet kunt bereiken, hoe kun je dan überhaupt hopen de waarheid te beoefenen en je aan Gods woorden te onderwerpen? Als zelfs dit je capaciteiten te boven gaat, ben je geen oprecht en goed persoon; er zou ook kunnen worden gezegd dat je niet iemand bent die eigenschappen van menselijkheid bezit – je bent geen mens. Als je geen mens bent en geen geweten of verstand hebt, hoe haal je het dan in je hoofd om te proberen de waarheid na te streven? Als je niet voldoet aan de basisvoorwaarden voor het je onderwerpen aan Gods woorden en het nastreven van de waarheid, kun je de waarheid niet verkrijgen en ben je het niet waard om een mens te worden genoemd. Als je mensen niet eerlijk kunt behandelen, kun je de waarheid dan liefhebben? Kun je Gods woorden beoefenen? Als je niet eens kleine persoonlijke grieven kunt loslaten, en je in staat bent om wraak te nemen op iedereen die je schade heeft berokkend of die je eerder heeft beledigd, en je niet eens enige normen van geweten en verstand hebt, zul je dan in staat zijn Gods woorden te beoefenen? Absoluut niet! Daarom zou je bij het kiezen van een leider eerst moeten kijken naar hoe een persoon anderen behandelt; dit is een van de normen om te meten of iemand eigenschappen van menselijkheid heeft. Dat wil zeggen, ongeacht wie hem in het verleden heeft beledigd, hij koestert geen wrok, en hij heeft nog nooit wraak op iemand genomen. Hij blijft zelfs nadat hij status heeft verworven dezelfde. Het kan zijn dat hij zich superieur gedraagt, een beetje verlangen naar status heeft, of geniet van de voordelen van status, maar hij gebruikt degenen die hem in het verleden hebben beledigd naar behoefte, en gaat met hen om zoals het hoort – misschien herinnert hij zich in zijn hart die wrok, maar hij voert geen vergeldingsacties uit. Dit is iets wat niemand zonder eigenschappen van menselijkheid kan bereiken; beesten kunnen het niet bereiken, en duivels al helemaal niet. Alleen mensen die een geweten bezitten, kunnen het bereiken. Wanneer mensen met een geweten iets doen, spoort hun geweten hen aan en reguleert het hun gedrag van binnenuit, en hun verstand beteugelt hun impulsen en onstuimigheid; meer nog, het beteugelt en reguleert hun irrationele gedachten en gedragingen. Zelfs als ze status hebben, zullen ze geen dingen doen om wraak te nemen op anderen. Dit is een duidelijk teken dat iemand eigenschappen van menselijkheid heeft. Kijk naar de mensen om jullie heen – wie zo is, is een waar mens. Het kan zijn dat zijn kaliber gemiddeld is, hij niet hoogopgeleid is en hij nog vrij jong is; het kan ook zijn dat hij uiterlijk niet zo enthousiast lijkt, en dat hij niet zo heel veel lijkt na te streven, en het kan zijn dat hij de waarheid in de toekomst niet zal nastreven – maar zo iemand is in jouw ogen op zijn minst een betrouwbaar iemand, nietwaar? (Ja.)

Laten we nu we de communicatie hebben afgerond over de uitingen van oprechte en goede mensen wat betreft de manier waarop ze anderen behandelen, het vervolgens hebben over de specifieke uitingen die dit soort mensen vertoont en welke kenmerken ze hebben wanneer ze iets verkeerds doen en overtredingen begaan. Als verdorven mensen zullen zij, indien zij in hun menselijkheid de eigenschappen van oprechtheid en goedheid bezitten, wanneer zij iets verkeerds doen, ongeacht of zij zich daarvan bewust zijn of niet, nadenken over hun eigen woorden en daden en deze onderzoeken. Als ze iemand schade hebben berokkend, of als iemand negatieve feedback over hen geeft of hen negatief beoordeelt, zullen ze zichzelf onderzoeken: ‘Welke woorden van mij woorden waren verkeerd? Wat heb ik verkeerd gedaan? Had ik bepaalde bedoelingen toen ik sprak? Had ik het op die persoon gemunt? Is het werkelijk mijn schuld dat ik nadelige gevolgen voor hen heb veroorzaakt? Zijn ze overgevoelig, of was ik op dat moment niet zorgvuldig genoeg in mijn afweging en ongepast in mijn woordkeuze?’ Ze zullen zichzelf vaak onderzoeken en een houding aannemen waarbij ze zich nederig gedragen. Deze houding komt voort uit hun oprechtheid en goedheid, en natuurlijk ook uit hun rationaliteit. Dat is één aspect. Bovendien, als ze door zelfreflectie ontdekken dat ze bepaalde problemen hebben, of als anderen hen op hun problemen wijzen, zullen van streek raken en zal hun hart overslaan: ‘Was mijn aanpak in dezen verkeerd? Had ik het niet zo moeten doen? Ik deed het op dat moment niet expres en ik had er geen bedoelingen mee.’ Als verdorven mensen kunnen ze onder bepaalde speciale omstandigheden of met betrekking tot bepaalde speciale zaken zeggen: “Ik deed het niet expres of met bepaalde bedoelingen”, om hun trots te redden, maar vanbinnen zullen ze zich schuldig voelen. Als ze tijdens het proces van voortdurend zichzelf onderzoeken en over zichzelf nadenken ontdekken dat wat ze deden werkelijk verkeerd was, zullen ze zich opnieuw ongemakkelijk voelen, en zullen ze het gevoel hebben dat ze het niet zo hadden moeten doen; ze zullen spijt hebben en van streek zijn, en ze zullen proberen manieren te vinden om wat ze hebben gedaan goed te maken of op zoek gaan naar kansen om het te corrigeren, waarbij ze zichzelf zelfs proactief verontschuldigen en hun fout toegeven. Zodra ze ontdekken dat ze iets verkeerds hebben gedaan, zullen mensen met eigenschappen van menselijkheid eerst een steek van pijn in hun hart voelen, ze zullen rood aanlopen en hun hoofd zal bonzen; dit zijn normale reacties die voortkomen uit het geweten. Waarop zijn deze normale reacties gebaseerd? Ze zijn erop gebaseerd dat een persoon in zijn menselijkheid de eigenschappen van oprechtheid, goedheid en rationaliteit bezit. Ze vertonen deze uitingen niet omdat ze hun eigen trots willen redden, noch omdat ze zichzelf in verlegenheid hebben gebracht of door anderen met de nek worden aangekeken, maar omdat ze zich schuldig voelen en het zichzelf verwijten dat ze iets verkeerds hebben gedaan, waarbij ze het gevoel hebben dat ze het niet op die manier hadden moeten doen. Dit is een houding waarbij ze hun fouten toegeven, en het is tevens een reactie die voortkomt uit de veroordeling door hun geweten en de werking van hun rationaliteit. Ze zullen een reactie vertonen; ze zullen absoluut niet volkomen gevoelloos zijn, noch proberen schaamteloos in discussie te gaan en zichzelf te rechtvaardigen, noch manieren proberen te vinden om verantwoordelijkheid te ontlopen. In plaats daarvan zullen ze een houding aannemen van proactieve erkenning en aanvaarding, en van de bereidheid om verantwoordelijkheid te dragen. Omdat dit soort mensen in hun menselijkheid de eigenschappen van oprechtheid en goedheid bezitten, zijn hun gevoelens van schaamte heel duidelijk zichtbaar. Als ze ook maar iets verkeerds doen, zullen ze, op het moment dat iemand hen daarop wijst, hun schaamte niet kunnen verbergen. Als ze ook maar enigszins in discussie zouden gaan, zouden ze voelen: ‘Het is duidelijk mijn eigen schuld, en ze hebben het al helder uitgelegd, waarover zou ik dan nog in discussie gaan?’ Ze zullen hun fout direct toegeven, waarbij ze zich volkomen te schande gezet voelen en wel door de grond zouden willen zakken. Zijn dit de effecten van geweten en verstand? (Ja.) Als veel mensen weten wat ze hebben gedaan, zullen ze zich des te meer schamen om zich te vertonen, en zullen ze proberen manieren te vinden om het goed te maken en te corrigeren wat ze hebben gedaan. Dat wil zeggen: nadat mensen met geweten en verstand iets verkeerds hebben gedaan, is hun basishouding de fout toe te geven; ze zijn in staat dit feit te aanvaarden en bezitten gevoelens van schaamte. Bovendien is het niet zo dat ze alleen maar hun fout toegeven en het daarbij laten; ze zullen ook proberen manieren te vinden om het goed te maken. Omdat ze een geweten hebben, leggen ze hun ziel en zaligheid in wat ze doen. Wanneer ze met een situatie worden geconfronteerd, trekken ze zich die aan en behandelen ze deze serieus en verantwoordelijk. Ze zetten zich ertoe om over het voorliggende probleem na te denken en dit serieus te behandelen, in plaats van plichtmatig te handelen of het voor de vorm aan te pakken – laat staan dat ze hun verantwoordelijkheid ontlopen. Ze kunnen verantwoordelijkheid dragen, hun fout serieus en met heel hun hart aanvaarden, en vervolgens verantwoordelijk spreken en handelen, ernaar strevend het verlies tot een minimum te beperken. Ze zijn absoluut niet als mensen van het kaliber van duivels, die in woede uitbarsten op het moment dat iemand kritiek op hen heeft omdat ze iets verkeerds hebben gedaan, die op alle mogelijke manieren proberen verantwoordelijkheid te ontwijken en te ontlopen, die alles in het werk stellen om de schuld af te schuiven, en die zich de allure aanmeten van een heilige die nooit iets verkeerds doet. Voor degenen die uit dieren zijn gereïncarneerd, geldt des te meer dat ze bij alles wat ze doen niet weten wat juist en wat onjuist is. Als je hen erop wijst dat ze iets verkeerds hebben gedaan, geven ze het wel toe, maar als je hun vraagt waar ze de fout in zijn gegaan, zeggen ze: “Ik weet het niet, maar aangezien jij zegt dat ik fout zit, zal ik wel fout zitten.” Toch zullen ze, wanneer ze weer met zoiets worden geconfronteerd, het nog steeds op dezelfde manier doen. Hoeveel verkeerde of slechte dingen ze ook doen, of hoeveel verdorven gezindheden ze ook onthullen, uiteindelijk vallen ze altijd terug op diezelfde paar zinnen: “Wat heb ik verkeerd gedaan? Was het verkeerd van mij om zoveel jaren te lijden en een prijs te betalen? Als ik niet in God geloofde en geen geweten en verstand zou hebben, zou ik dan zoveel kunnen lijden?” Degenen die uit dieren zijn gereïncarneerd zijn onnozel en komen altijd weer uit bij diezelfde paar zinnen. Maar mensen van het kaliber van duivels zijn veel sluwer dan degenen die uit dieren zijn gereïncarneerd; ze zullen verschillende middelen en methoden gebruiken om kwaad te doen en mensen te misleiden, en sommige mensen die een kleine gestalte hebben en geen onderscheidingsvermogen bezitten, kunnen werkelijk worden bedrogen. Kortom, duivels zullen het absoluut niet toegeven wanneer ze iets verkeerds doen. Niet alleen geven ze niet toe dat ze mensen met verdorven gezindheden zijn, maar ze willen zelfs dat mensen denken dat ze heilig en onschendbaar zijn, en onberispelijke mensen die nooit fouten maken. Wat ze ook verkeerd doen, ze dragen altijd redenen aan waarom ze het deden, en proberen zichzelf altijd te rechtvaardigen. Uiteindelijk beweren ze dat ze niet in staat zijn tot wangedrag, dat ze, zelfs als ze iets verkeerds doen, daar een reden voor hebben, dat ze geen mensen met verdorven gezindheden zijn, dat ze nooit iets verkeerds zullen doen, en dat ze simpelweg heiligen en onberispelijke mensen zijn. Mensen die in hun menselijkheid echter de eigenschappen van geweten en verstand bezitten, zijn anders. Omdat het oprechte mensen zijn die niet vals of bedrieglijk zijn, zijn ze, als je zegt dat ze iets verkeerds hebben gedaan, bereid dit eerst te aanvaarden, zelfs als ze het niet hebben gedaan of het niets met hen te maken heeft. Wanneer anderen tegen hen zeggen: “Ben je achterlijk? Als je het aanvaardt, zul je verantwoordelijkheid moeten dragen”, zeggen ze: “Ik had ook een aandeel in wat er is gebeurd; ik was er ook bij betrokken.” Ze zijn in staat het te aanvaarden; hun houding is eerlijk en oprecht. Soms zullen ze ook verantwoordelijkheid willen ontlopen, maar dan overdenken ze: ‘Waarom zou ik de verantwoordelijkheid ontlopen voor iets waarvan iedereen met ogen kan zien dat het is gebeurd? Bovendien onderzoekt God het diepste van de harten van mensen nauwkeurig. Als je betrokken bent bij wat er is gebeurd, zal God je niet vrijuit laten gaan. Voor God zijn alle mensen een open boek, en al hun handelingen en daden liggen open en bloot. Kun je aan God ontsnappen? Daarom moet deze zaak volgens de regels worden afgehandeld; de verantwoordelijkheid moet komen te liggen waar ze hoort. Als ik in deze zaak fout zit, zal ik de verantwoordelijkheid dragen. Ik ben bereid straf te aanvaarden, en ik ben ook bereid het snoeien te aanvaarden. Ik zal het aanvaarden, hoe Gods huis ook met mij omgaat; ik was tenslotte degene die ervoor koos om verkeerd te handelen.’ Zie je, wanneer ze iets verkeerds doen en ermee worden geconfronteerd dat ze worden gesnoeid, nemen ze enerzijds een houding van aanvaarding aan; anderzijds zijn ze in staat het correct te begrijpen. En nog een ander aspect is dat, omdat dit type persoon zich ertoe zet om de situatie te overdenken en over zichzelf na te denken na iets verkeerds te hebben gedaan, ze, wanneer ze weer met zoiets worden geconfronteerd, zullen nadenken over hoe ze kunnen voorkomen dat ze fouten maken. Omdat ze gevoelens van schaamte bezitten en om hun trots geven, zijn ze in staat berouw te tonen wanneer ze iets verkeerds doen.

Ongelovigen zeggen vaak: “Je kunt in een vuilnisbak leven zonder te beseffen dat het stinkt.” Mensen zonder geweten en verstand hebben, zelfs als ze honderd keer dezelfde fout maken, geen gevoelens van schaamte en geen schuldgevoel. Het zijn geen mensen! Als iemand een mens is, zal hij, na een of twee keer dezelfde fout te hebben gemaakt, voelen: ‘Ik heb het nu echt te bont gemaakt. Wanneer zal ik ooit veranderen?’ Ze zullen bezorgd en angstig worden, en voor God komen om te bidden en hun zonden te belijden. Ze zullen zich zelfs afvragen of ze niet meer te redden zijn – ze zullen deze misvatting hebben. Omdat ze om hun trots geven en gevoelens van schaamte bezitten, voelen ze: ‘Ik heb dit soort fout nu al een paar keer gemaakt; zal ik door Gods huis worden gesnoeid? Heeft God mij opgegeven? Ik schaam me te erg om door God gered te worden!’ Kortom, zulke mensen zullen, ongeacht welke misverstanden ze over God hebben, na iets verkeerds te hebben gedaan, absoluut enige ervaring opdoen en er lessen uit trekken. Ze zullen op alle mogelijke manieren proberen hun fouten goed te maken en te corrigeren, en ernaar streven ze niet opnieuw te maken. Ze zullen bij zichzelf denken: ‘Ik streef er niet naar anderen tevreden te stellen, maar ik moet op zijn minst in het reine zijn met mezelf. Alleen als ik in het reine ben met mezelf, kan ik me voor God verantwoorden in Zijn aanwezigheid. Als ik niet eens in het reine ben met mezelf, hoe zou ik dan de brutaliteit kunnen hebben om God onder ogen te komen?’ Als iemand zulke gedachten heeft, wordt hij absoluut gedreven door de eigenschappen van geweten en verstand in zijn menselijkheid. Als je zulke gedachten niet hebt, zul je keer op keer dezelfde fouten maken. Bovendien zul je niet willen luisteren naar wat anderen zeggen of het willen aanvaarden; je zult misschien zelfs nooit een houding van berouw aannemen, noch ooit de feiten of je fouten willen toegeven, laat staan verantwoordelijkheid dragen. Er zijn ook mensen die een hekel hebben aan degene die hen op hun fouten wijst; ze gaan de strijd met hem aan, maken het hem moeilijk, en vallen hem zelfs aan en nemen wraak op hem. Zulke mensen zijn niet meer te redden; dit zijn mensen zonder eigenschappen van menselijkheid. Mensen die echter wel eigenschappen van menselijkheid bezitten, zullen absoluut niet op deze manier handelen. Na een of twee keer dezelfde fout te hebben gemaakt, zullen ze overdenken: ‘Hoe komt het dat ik deze fout nog steeds kan maken?’ Ze zijn in staat de waarheid te zoeken om dit op te lossen. Zou je zeggen dat dit een houding is waarmee je een ommekeer kunt maken? (Ja.) In staat zijn om over jezelf na te denken wanneer je iets verkeerds doet en bereid zijn om je fouten te corrigeren – dit is een houding waarmee je een ommekeer maakt. Wat voor soort mensen bezitten dan een houding waarmee ze een ommekeer maken? Is dit niet een houding die alleen kan ontstaan bij mensen van wie de menselijkheid de eigenschappen van geweten en verstand bezit? (Ja.) Als mensen niet het geweten en verstand van menselijkheid bezitten, zullen ze dan een omkeer maken? (Nee.) Zullen ze wroeging voelen en zichzelf haten? (Nee.) Zullen ze zich de verkeerde dingen die ze hebben gedaan en de overtredingen die ze hebben begaan aantrekken? Dat zullen ze zeker niet doen, toch? Om precies te zijn: mensen zonder geweten hebben geen hart. Ze leggen dan ook niet hun hart en ziel in wat ze doen, noch trekken ze het zich aan wanneer ze iets verkeerds doen. Aangezien ze geen hart hebben, zullen ze niet over zichzelf nadenken, noch zullen ze de waarheid aanvaarden; ze hebben dit vermogen niet. Alleen mensen met een geweten kunnen, wanneer ze anderen horen zeggen dat ze iets verkeerds hebben gedaan, de zaak serieus en met heel hun hart aanpakken, zich de zaak aantrekken, en vervolgens schuld en wroeging voelen. Alleen op basis van het voelen van schuld en wroeging kunnen ze een omkeer maken, en alleen wanneer ze een omkeer maken, maken ze kans om zich aan Gods woorden te onderwerpen, en te beoefenen en zich te gedragen volgens Gods woorden en de waarheidsprincipes. Mensen zonder geweten voelen echter nooit schuld of wroeging; ze trekken het zich nooit aan, wat ze ook verkeerd doen. Hoe anderen hun problemen ook blootleggen, ze nemen het niet serieus en houden zich er doof voor. Omdat ze geen geweten hebben, zullen ze de zaak niet serieus en met heel hun hart aanpakken, noch zullen ze er met hart en ziel bij stilstaan en over nadenken. Als ze niet met heel hun hart en ziel over zichzelf nadenken, zullen ze geen wroeging of schuld voelen, en zonder wroeging en schuld zullen ze geen omkeer maken. In dat geval is het voor dit soort mensen absoluut onmogelijk om de waarheid te aanvaarden en zich aan Gods woorden te onderwerpen; ze zijn simpelweg mensen die absoluut geen hoop hebben op het verkrijgen van redding. Vanuit een menselijk perspectief is het dus niet zo dat God deze mensen, die geen eigenschappen van menselijkheid bezitten, niet redt. Het is veeleer zo dat, omdat iemand geen eigenschappen van menselijkheid bezit – de basisvoorwaarde voor het verkrijgen van redding – hij de waarheid niet kan aanvaarden of zich eraan kan onderwerpen, waardoor zijn hoop op het verkrijgen van redding praktisch tot nul wordt gereduceerd. Met dit in gedachten is er een direct verband tussen het bezitten van eigenschappen van menselijkheid en het verkrijgen van redding; zo is het precies. Als je geen eigenschappen van menselijkheid bezit, zul je het niet eens toegeven wanneer je iets verkeerds doet. Je zult het je ook niet aantrekken, er niet bedachtzaam mee omgaan, het niet serieus overdenken, geen schuld en wroeging voelen, en het vervolgens corrigeren en veranderen. Als je al geen omkeer kunt maken als het gaat om zoiets eenvoudigs als het maken van een fout, dan zul je nog veel minder in staat zijn een omkeer te maken als het gaat om het onthullen van verdorven gezindheden. Omdat verdorven gezindheden lijnrecht tegenover God staan, zijn verdorven gezindheden, wat hun aard en essentie betreft, veel ernstiger dan iets verkeerds doen. Als je je verdorven gezindheden niet kent en niet de waarheid zoekt om ze op te lossen, dan zullen je verdorven gezindheden heel moeilijk op te lossen zijn. Omdat verdorven gezindheden inherent diepgeworteld zijn, zul je, als je niet iemand bent die de waarheid nastreeft, geen manier hebben om je verdorven gezindheden op te lossen. Bijgevolg zul je geen manier hebben om een verandering in je levensgezindheid te verwezenlijken. In dat geval zal het verkrijgen van redding voor jou niet simpelweg moeilijk zijn – het zal een onmogelijkheid zijn. Daarom hangen iemands houding en reactie nadat hij iets verkeerds heeft gedaan of een overtreding heeft begaan, direct af van de vraag of hij eigenschappen van menselijkheid bezit. Het is heel belangrijk om dit helder te zien.

Kijk naar de mensen om jullie heen, en onderscheid of ze, nadat ze iets verkeerds hebben gedaan, het proactief toegeven en aanvaarden, of ze wroeging voelen en van streek zijn, en of ze na een tijdje een omkeer maken – dat wil zeggen, of ze een omkeer maken wat betreft hun gedachten, houdingen en gedragingen. Als ze geen omkeer maken, dan zijn ze honderd procent geen mens. Als ze, door het eten en drinken van Gods woorden, de verlichting van de Heilige Geest, de invloed van hun omgeving, of de hulp van broeders en zusters – ongeacht door welk middel men een omkeer maakt – in hun hart een eerlijke houding hebben van het aanvaarden van de waarheid, ze zichzelf steeds minder rechtvaardigen – zelfs tot het punt dat ze er helemaal mee stoppen – en, afgaande op hun woorden en daden, ze wroeging voelen en van streek zijn over de fout die ze eerder hebben gemaakt en op zoek gaan naar een gelegenheid om die goed te maken, dan heeft deze persoon hoop op het verkrijgen van redding; dit is een persoon die eigenschappen van menselijkheid bezit. Sommige mensen trekken het zich echter niet aan als ze een fout hebben gemaakt. Ze spreken nooit over de fout die ze hebben gemaakt, ze geven hun fout niet toe, ontleden zichzelf niet en raken niet van streek. Ze lijken totaal niet de intentie te hebben om een omkeer te maken; ze zijn gevoelloos en traag van begrip, brengen de hele dag door in zorgeloze lichtzinnigheid, en voelen absoluut niet dat ze een fout hebben gemaakt. Zelfs als ze het toegeven, stappen ze er gewoon luchtig overheen en laten het erbij. Net als schaamteloze schurken geven ze het ene moment hun fouten toe om het volgende moment weer dezelfde fouten te begaan, die ze vervolgens direct weer bekennen. Het is alsof ze een grapje maken of aan het spelen zijn; ze nemen de zaak niet serieus. Ze behandelen het als kinderspel, als een procedure en een formaliteit, in plaats van te aanvaarden wat er is gebeurd en vanuit het diepst van hun hart te veranderen. Wat voor soort mensen zijn dit? Dit zijn geen mensen. Ze weten niet hoe ze zich moeten gedragen, noch weten ze wat voor weg ze moeten kiezen voor hun zelf-gedrag. Ze begrijpen deze dingen niet; ze beschouwen ze als heel simpel en oppervlakkig. Nadat ze de fout in zijn gegaan, bedenken ze achteraf altijd wel een manier om zichzelf te rechtvaardigen en hun naam te zuiveren – zelfs als ze op het moment zelf niets zeggen. Zodra de gelegenheid zich voordoet tijdens bijeenkomsten, of wanneer de zaak door anderen wordt aangekaart, willen ze steevast dat iedereen hoort en begrijpt wat ze ter verdediging van zichzelf hebben te zeggen: wat ze dachten en hoe ze op dat moment handelden, dat hun bedoelingen goed waren, dat hun doelen juist waren, dat ze niets verkeerds hebben gedaan. Niet alleen voelen ze geen wroeging voor hun fouten en overtredingen, ze willen ze ook niet toegeven, en willen zelfs de verantwoordelijkheid ontwijken en ervan vrijgesteld worden, in de hoop hun imago in ieders ogen te redden. Hoewel het aardig klinkt wanneer zulke mensen spreken, is het afgaande op hun uitingen op alle gebieden duidelijk dat ze het feit dat ze een fout hebben gemaakt niet toegeven en niet aanvaarden. Zou je dan zeggen dat ze een omkeer zullen maken? Dat zullen ze niet. Ze brengen deze zaak van tijd tot tijd ter sprake, en voelen zelfs de drang het aan iedereen te vertellen die er niet van afweet. Nadat ze het hebben verteld, bedenken ze alle mogelijke manieren om zich van hun beste kant te laten zien wanneer ze andere dingen doen, om hun imago, dat in die eerdere zaak was geschaad, te herstellen, en zo mensen voor zich te winnen. Zodra ze zich een tijdje goed hebben gedragen en iedereen is vergeten wat ze eerder hebben gedaan, beginnen ze weer na te denken hoe ze zichzelf kunnen verheerlijken en over zichzelf kunnen getuigen. Ze tellen voortdurend op hoeveel bijdragen ze aan Gods huis hebben geleverd, hoeveel goede dingen ze voor Gods huis hebben gedaan en hoeveel verliezen ze Gods huis hebben bespaard. Ze hebben simpelweg niet de intentie om een omkeer te maken; ze hebben geen schaamtegevoel. Wanneer mensen die geen schaamtegevoel hebben fouten maken en overtredingen begaan, maken ze niet alleen geen omkeer – ze worden zelfs nog erger. Ze denken bij zichzelf: ‘Wie heeft er geen fouten gemaakt? Die fout die ik eerder maakte, stelde eigenlijk niets voor. En bovendien was ik niet de enige die erbij betrokken was. Maar dat kan ik niet zeggen. Ik moet iedereen laten zien dat mijn prestatie acceptabel is en dat ik een houding van berouw heb, en vervolgens zal ik wat goede dingen doen om het goed te maken, om ieders aandacht af te leiden en hen een beetje voor me te winnen – zal dat niet werken?’ In hun hart geloven ze niet dat God alles nauwkeurig onderzoekt. Ze willen deze dingen in het bijzijn van anderen doen; ze denken dat God niet kan zien wat ze in hun hart denken – voor hen is het feit dat God het diepste van de harten van mensen nauwkeurig onderzoekt slechts een doctrine. Ze weten niet dat God nauwkeurig onderzoekt, en ze erkennen of geloven niet dat God het diepste van de harten van mensen nauwkeurig kan onderzoeken. Alles wat ze doen is dus bedoeld om door anderen te worden gezien. Diep vanbinnen zijn ze onbuigzaam en onwillig. Ze verzetten zich tegen de waarheid, verzetten zich tegen het aanvaarden van de feiten, verzetten zich tegen het toegeven van hun fouten, en verzetten zich er nog meer tegen om een omkeer te maken. Ze maken geen omkeer – wijst dit niet op een probleem? Hoe groot de fouten die ze maken of hoe groot de overtredingen die ze begaan ook zijn, ze maken geen omkeer. Ze zijn net als Paulus, die zich tegen God verzette en direct door God werd neergeslagen, maar toch dacht dat hij behoorlijk goed was. Dit type persoon denkt: ‘Als ik rondren en me inzet, en veel mensen win en veel vrucht draag door het evangelie te prediken, en bijdragen lever om voor mijn zonden te boeten, dan behoort God mij een kroon te geven. Kronen komen mensen zoals ik toe. Als ik geen kroon krijg, wie dan wel?’ Wat is er zo erg aan het maken van een fout? Zolang ik maar, nadat ik me tegen God heb verzet, bereid ben dit te corrigeren, is er niets aan de hand. Als ik in de toekomst gewoon meer het evangelie predik, zal God zich mijn overtredingen niet herinneren. Zie je wat hun houding is ten opzichte van God? Wat is hun houding ten opzichte van de waarheid? Dit is een houding die verstoken is van menselijkheid; dit is de houding van een duivel. Ze beschouwen Gods woorden, de waarheid of de juiste levensweg nooit als dingen die ze zouden moeten kiezen en nastreven. Ze hebben nooit de intentie gehad om een omkeer te maken, en ze zullen absoluut nooit hun hoofd buigen en hun zonden belijden, en ze zullen nooit hun fouten toegeven en een nederlaag erkennen. De woorden ‘falen’ en ‘fout’ komen in hun woordenboek niet voor, laat staan het woord ‘overtreding’. Dit soort mensen zal geen berouw tonen. Zou je dan zeggen dat dit soort mensen geweten en verstand hebben? Bezitten ze in hun menselijkheid de eigenschappen van oprechtheid, goedheid en gevoelens van schaamte? (Nee.) Absoluut niet. Hoe groot de overtreding die ze hebben begaan ook is, zelfs met de feiten recht voor hun neus, voelen ze geen schuld in hun hart. Dit is beangstigend! Als je iemand met een geweten bent, zul je je zeker schuldig voelen wanneer je iets verkeerds doet en een overtreding begaat. Als je werkelijk een grote fout maakt en Gods huis verliezen toebrengt, zul je zoveel verdriet voelen dat je zou willen dat je dood was, je zult jezelf vervloeken en je zult het gevoel hebben dat je het onwaardig bent om voor God te leven. Mensen echter die als Paulus zijn, hebben dit soort wroeging niet. In Gods huis zien we vaak dat sommige mensen zich in hun hart voortdurend veroordeeld voelen, ook als ze maar één enkele leugen hebben verteld of maar één enkel ding hebben gedaan dat de principes schendt. Pas nadat ze hun fout aan anderen hebben toegegeven, voelen ze alsof er een zware last van hun schouders is gevallen. Er zijn heel wat van dit soort mensen. Welke fouten ze ook maken, ze zijn in staat over zichzelf na te denken, en tegelijkertijd kunnen ze het als een waarschuwing opvatten en zichzelf vermanen om niet nogmaals dezelfde fout te maken. Als iemand om zijn trots geeft, schaamtegevoel heeft en bovendien over verstand beschikt, schaamt hij zich wanneer hij iets verkeerds doet te veel om te proberen zichzelf te rechtvaardigen of de verantwoordelijkheid te ontwijken en de schuld op anderen af te schuiven. In plaats daarvan zijn ze bereid verantwoordelijkheid te nemen, voelen ze zich van tijd tot tijd schuldig en zijn ze van streek, en maken ze vervolgens een omkeer. Sommige mensen voelen zich vernederd wanneer ze iets verkeerds doen en overtredingen begaan, en schamen zich te veel om God en de broeders en zusters onder ogen te komen, terwijl degenen zonder eigenschappen van menselijkheid deze gevoelens niet hebben. Zie je, hoewel beide typen mensen menselijke wezens zijn, geldt voor sommigen dat, als er achter hun rug om een gerucht wordt verspreid dat ze een affaire met iemand hebben gehad – en dit misschien iets is wat ze slechts voor een moment hebben overwogen – ze zich, zodra ze een paar mensen erover horen praten, volkomen vernederd voelen en zich te veel schamen om wie dan ook onder ogen te komen. Mensen met een schaamtegevoel zullen dergelijke uitingen hebben. Toch zijn er ook mensen die het niets kan schelen, zelfs niet wanneer ze met iemand in bed worden betrapt: “Wat heb ik verkeerd gedaan? Ik heb toch gewoon een slippertje gemaakt? Wat is daar zo erg aan? Is dit tegenwoordig niet de gewoonste zaak van de wereld?” Zie je, dit is duidelijk anders, nietwaar? Als mensen met eigenschappen van menselijkheid horen dat anderen alleen maar over hen praten, voelen ze zich zo beschaamd en verdrietig dat ze niet kunnen eten, schamen ze zich te veel om zich te vertonen en hebben ze het gevoel dat ze niet verder kunnen leven, terwijl het sommige andere mensen niets kan schelen, zelfs niet wanneer ze met een ander in bed worden betrapt. Mensen verschillen nu eenmaal van elkaar; als iemand geen schaamtegevoel heeft, is hij geen mens. Kunnen mensen zonder schaamtegevoel de waarheid verkrijgen? Mensen zonder geweten en verstand hebben de waarheid niet lief. Dit komt doordat ze zonde, boosaardige dingen of negatieve dingen niet haten. Bovendien hebben ze geen schaamtegevoel wanneer ze iets verkeerds doen, en proberen ze schaamteloos verantwoordelijkheid te ontwijken. Als gevolg daarvan zal dit type persoon nooit proactief voor God komen om het oordeel en de tuchtiging van Gods woorden te aanvaarden, proactief zijn verdorvenheid toegeven, of zich bereidwillig aan de waarheid onderwerpen; ze hebben die behoefte niet, ze denken dat het onnodig en overbodig is. Voor mensen die echter werkelijk geweten en verstand hebben, geldt dat, omdat hun principes en grenzen voor hun zelf-gedrag in alle aspecten hen het gevoel geven dat Gods woorden en Gods vereisten voor mensen datgene zijn wat ze nodig hebben, ze bereid zijn om volgens Gods woorden te beoefenen; als ze dat niet doen, voelen ze zich vanbinnen ongemakkelijk. Als ze Gods vereisten horen en begrijpen, maar er niet naar handelen, voelen ze enerzijds dat de broeders en zusters hun ogen op hen gericht hebben, en anderzijds, wat nog belangrijker is, voelen ze dat God hen in het geheim gadeslaat en dat ze, waar ze ook gaan, niet aan Zijn nauwkeurig onderzoek kunnen ontsnappen. Ze denken: ‘Wat je ook zegt, God weet het. Als je iets verkeerds doet maar je het niet toegeeft, geen wroeging voelt, het je niet aantrekt, het niet corrigeert en helemaal geen omkeer maakt, hoe zal God daar dan tegenaan kijken?’ Deze vraag – ‘Hoe zal God er tegenaan kijken?’ – komt enerzijds voort uit hun geloof in God en erkenning van God, en anderzijds komt de vraag voornamelijk voort uit de werking van hun geweten en verstand. Alles welbeschouwd bepalen het geweten en verstand van een persoon dus de behoeften van zijn menselijkheid, de weg die hij bewandelt, en nog meer zijn principes en houdingen ten opzichte van allerlei dingen. Natuurlijk bepalen ze ook of iemand de weg van het nastreven van de waarheid kan inslaan, en in nog grotere mate bepalen ze of iemand uiteindelijk redding kan verkrijgen.

De inhoud van de communicatie van vandaag ging in zijn geheel over verschillende triviale zaken in het leven die betrekking hebben op iemands menselijkheid, en raakte aan de vraag of iemand er in de manier waarop hij zich gedraagt en met dingen omgaat blijk van geeft grag misbruik van anderen te maken, of iemand warmhartig is en bereid is anderen te helpen en met hen mee te voelen, of hij bereid is te geven, wat zijn principes voor de omgang met anderen zijn, en wat iemands houdingen en gezichtspunten zijn wanneer hij iets verkeerds doet. Hoewel dit triviale zaken in het leven zijn, enkele heel onopvallende uitingen van menselijkheid in het dagelijks leven van mensen, weerspiegelen ze achter de schermen de kwaliteiten van iemands menselijkheid. Gedreven door hun geweten en verstand zullen mensen met eigenschappen van menselijkheid zich aan fundamentele morele grenzen houden, terwijl mensen zonder eigenschappen van menselijkheid simpelweg niet begrijpen wat de grens van menselijkheid en de principes van het zelf-gedrag zijn. Of iemand geweten en verstand heeft, bepaalt dus de weg die hij bewandelt. Men zou ook kunnen zeggen dat het iemands toekomst en bestemming bepaalt – zo is het nu eenmaal. Goed, laten we onze communicatie voor vandaag hier beëindigen. Tot ziens!

18 mei 2024

Vorige: Hoe de waarheid na te streven (20)

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud

Het zuchten van de Almachtige

Er is een enorm geheim in je hart, waar je je nooit bewust van bent geweest, want je hebt steeds in een wereld zonder licht geleefd. Je...

Instellingen

  • Tekst
  • Thema's

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Regelruimte

Paginabreedte

Inhoud

Zoeken

  • Zoeken in deze tekst
  • Zoeken in dit boek

Neem contact op via Messenger