De app van De Kerk van Almachtige God

Luister naar Gods stem en verwelkom de wederkomst van Heer Jezus!

We nodigen alle zoekers van de waarheid uit om contact met ons op te nemen.

Uitspraken van Christus van de laatste dagen

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Paginabreedte

0 zoekresulta(a)t(en)

Geen resultaten gevonden

De essentie van het door God bewoonde vlees

Snelheid

De essentie van het door God bewoonde vlees

De eerste vleesgeworden God leefde drieëndertig en een half jaar op aarde. Toch voerde Hij Zijn bediening in slechts drie en een half van die jaren uit. Zowel tijdens als vóór de aanvang van Zijn werk bezat Hij een normale menselijkheid. Hij bewoonde Zijn normale menselijkheid drieëndertig en een half jaar. Tijdens de laatste drie en een half jaar onthulde Hij dat Hij de vleesgeworden God was. Voordat Hij Zijn bediening begon uit te voeren verscheen Hij met gewone, normale menselijkheid. Er was geen teken van Zijn goddelijkheid te zien. Pas nadat Hij formeel Zijn bediening begon uit te voeren werd Zijn goddelijkheid duidelijk. Zijn leven en werk tijdens die eerste negenentwintig jaar lieten zien dat Hij een echt mens was, een zoon van een mens, een vlees; Zijn bediening begon pas serieus op de leeftijd van negenentwintig. De betekenis van incarnatie is dat God in het vlees verschijnt en dat Hij komt werken tussen de mensen die Hij geschapen heeft naar het beeld van vlees. God moet dus om te incarneren eerst vlees worden, vlees met een normale menselijkheid. Dit moet minimaal het geval zijn. De implicatie van Gods incarnatie is in feite dat God leeft en werkt in het vlees, dat de ware essentie van God is dat Hij vlees wordt, mens wordt. Zijn geïncarneerde leven en werk kan in twee stadia worden onderverdeeld. Eerst is er het leven dat Hij vóór het uitvoeren van Zijn bediening leidt. Hij leeft in een gewoon gezin, in volslagen normale menselijkheid, en gehoorzaamt de gewone morele beginselen en wetten van het menselijk leven, heeft gewone menselijke behoeftes (voedsel, kleding, slaap en onderdak), gewone menselijke zwakheden en gewone menselijke emoties. Met andere woorden, in dit eerste stadium leidt Hij een niet-goddelijk, heel gewoon menselijk leven en doet Hij met alle gewone menselijke activiteiten mee. Het tweede stadium is het leven dat Hij leidt nadat Hij met de uitvoering van Zijn bediening is begonnen. Hij verkeert nog steeds in gewone menselijkheid met een gewoon menselijk omhulsel, er is geen teken van het bovennatuurlijke waar te nemen. Toch leeft Hij alleen voor Zijn bediening, en in deze tijd staat Zijn normale menselijkheid geheel in dienst van het gewone werk van Zijn goddelijkheid; Zijn normale menselijkheid is tegen die tijd zover gerijpt, dat Hij Zijn bediening uit kan voeren. Het tweede stadium van Zijn leven is dus de uitvoering van Zijn bediening in Zijn normale menselijkheid, het is een leven van normale menselijkheid én van complete goddelijkheid. De reden dat Hij in het eerste stadium van Zijn leven in heel gewone menselijkheid leeft is dat Zijn menselijkheid nog niet gelijk is aan het geheel van het goddelijke werk, nog niet gerijpt is. Pas als Zijn menselijkheid is gerijpt en Hij Zijn bediening op de schouders kan nemen, kan Hij aan de taak van de uitvoering van Zijn bediening beginnen. Omdat Hij, als vlees, moet groeien en rijpen, is het eerste stadium van Zijn leven dat van de normale menselijkheid. Omdat Zijn menselijkheid in het tweede stadium in staat is het werk te ondernemen en Zijn bediening uit te voeren, is het leven van de geïncarneerde God tijdens Zijn bediening een leven van menselijkheid en complete goddelijkheid. Als de geïncarneerde God vanaf Zijn geboorte Zijn bediening serieus had opgepakt en bovennatuurlijke tekenen had gegeven en wonderen had verricht, dan zou Hij geen lichamelijke essentie hebben. Daarom bestaat Zijn menselijkheid in het belang van Zijn lichamelijke essentie; er kan geen vlees zijn zonder menselijkheid, een persoon zonder menselijkheid is geen menselijk wezen. Zo is de menselijkheid van Gods vlees een wezenlijke eigenschap van het geïncarneerde vlees van God. Het is blasfemie te zeggen dat “als God vlees wordt Hij helemaal goddelijk is en helemaal niet menselijk”, omdat dit een onmogelijk standpunt is, dat het grondbeginsel van de incarnatie geweld aandoet. Zelfs nadat Hij Zijn bediening begint uit te voeren bewoont Zijn goddelijkheid nog steeds het menselijke omhulsel als Hij Zijn werk doet. Zijn menselijkheid dient alleen op dat moment het enige doel om Zijn goddelijkheid het werk in het gewone vlees te laten uitvoeren. De handelende factor van het werk is dus de goddelijkheid die Zijn menselijkheid bewoont. Zijn goddelijkheid, niet Zijn menselijkheid, is aan het werk, maar deze goddelijkheid is verborgen in Zijn menselijkheid. In de kern wordt Zijn werk door Zijn complete goddelijkheid gedaan, niet door Zijn menselijkheid. Maar de uitvoerder van het werk is Zijn vlees. Je zou kunnen zeggen dat Hij mens en ook God is, want God wordt een God die in het vlees leeft, met een menselijk omhulsel en een menselijke essentie maar ook met de essentie van God. Omdat Hij een mens met de essentie van God is, staat Hij boven alle geschapen mensen, boven iedere mens die het werk van God kan uitvoeren. En dus is Hij, onder allen met een menselijk omhulsel net als Hij en onder allen die menselijkheid bezitten de enige die de geïncarneerde God Zelf is – alle anderen zijn geschapen mensen. Hoewel ze allen menselijkheid bezitten zijn geschapen mensen slechts menselijk, terwijl de vleesgeworden God anders is: in Zijn vlees heeft Hij niet alleen menselijkheid, maar ook – nog belangrijker – goddelijkheid. Zijn menselijkheid kan herkend worden in de uiterlijke verschijning van Zijn vlees en in Zijn dagelijks leven, maar Zijn goddelijkheid is moeilijker waar te nemen. Omdat Zijn goddelijkheid alleen duidelijk wordt als Hij menselijkheid heeft, en niet zo bovennatuurlijk is als de mensen zich voorstellen, kunnen zij die slechts met de grootste moeite zien. Zelfs vandaag de dag vinden mensen het nog heel moeilijk de ware essentie van de vleesgeworden God te doorgronden. Ik denk in feite dat zelfs nu ik er al zolang over heb gesproken, de meesten van jullie het nog steeds een mysterie vinden. Het is eigenlijk heel eenvoudig: Omdat God vlees is geworden is Zijn essentie een combinatie van menselijkheid en goddelijkheid. Deze combinatie wordt God Zelf genoemd, God Zelf op aarde.

Het leven dat Jezus op aarde leidde was het gewone leven van het vlees. Hij leefde in de normale menselijkheid van Zijn vlees. Zijn gezag – om Gods werk te doen en Gods woord te spreken, of zieken te genezen en duivels uit te drijven, om zulke buitengewone dingen te doen – werd pas grotendeels duidelijk toen Hij Zijn bediening begon. Zijn leven voor Zijn negenentwintigste, voordat Hij Zijn bediening uitvoerde, was bewijs genoeg dat Hij gewoon normaal vlees was. Daarom, en omdat Hij nog niet met de uitvoering van Zijn bediening was begonnen, zagen de mensen geen spoor van goddelijkheid in Hem, ze zagen niets anders dan een gewoon, normaal mens – net als toen de mensen in het begin geloofden dat Hij de zoon van Jozef was. De mensen dachten dat Hij de zoon van een gewoon mens was, ze konden op geen enkele manier zien dat Hij Gods geïncarneerde vlees was. Zelfs toen Hij tijdens de uitvoering van Zijn bediening wonderen verrichtte zeiden de meeste mensen nog steeds dat Hij de zoon van Jozef was, want Hij was de Christus met het omhulsel van normale menselijkheid. Zijn normale menselijkheid en Zijn werk bestonden beide om de inhoud van de eerste incarnatie te vervullen, waarmee bewezen werd dat God helemaal in het vlees was gekomen en een volslagen gewoon mens was geworden. Dat Hij normale menselijkheid had voor Hij aan het werk ging was het bewijs dat Hij van gewoon vlees was, en dat Hij daarna werkte bewees ook dat Hij van gewoon vlees was, omdat Hij tekenen en wonderen verrichtte, zieken genas en duivels uitdreef in het vlees van de normale menselijkheid. De reden dat Hij wonderen kon verrichten was dat Zijn vlees het gezag van God herbergde, het vlees was waarin de Geest van God zich kleedde. Hij had dit gezag vanwege de Geest van God, en het betekende niet dat Hij niet van vlees was. Zieken genezen en duivels uitdrijven was het werk dat Hij moest doen in Zijn bediening, een uitdrukking van Zijn goddelijkheid die in Zijn menselijkheid verborgen lag, en wat voor tekenen Hij ook gaf of hoe Hij Zijn gezag ook demonstreerde, Hij bleef in normale menselijkheid leven en was nog steeds van gewoon vlees. Tot het moment van Zijn herrijzen nadat Hij aan het kruis was gestorven heeft Hij in het gewone vlees geleefd. Het verlenen van genade, het genezen van de zieken en het uitdrijven van duivels maakte allemaal onderdeel uit van Zijn bediening en vormde al het werk dat Hij in Zijn gewone vlees deed. Voordat Hij werd gekruisigd had Hij Zijn gewone vlees nog nooit verlaten, wat Hij ook deed. Hij was God Zelf en deed het werk van God. Maar omdat Hij het geïncarneerde vlees van God was, at Hij voedsel, droeg Hij kleren, had Hij gewone menselijke behoeftes, een gewoon menselijk verstand en een gewone menselijke geest. Dit was allemaal bewijs dat Hij een gewoon mens was, waarmee het bewijs werd geleverd dat het geïncarneerde vlees van God vlees was met een gewone en niet met een bovennatuurlijke menselijkheid. Het was Zijn opdracht het werk van de eerste incarnatie van God af te maken, de bediening van de eerste incarnatie te vervullen. Het belang van de incarnatie is dat een gewoon, normaal mens het werk van God Zelf uitvoert; dat wil zeggen dat God Zijn goddelijke werk in menselijkheid uitvoert en daarbij Satan overwint. Incarnatie houdt in dat de Geest van God vlees wordt, dat wil zeggen dat God vlees wordt. Het werk dat Hij in het vlees doet is het werk van de Geest en het wordt in het vlees gerealiseerd, door middel van het vlees tot uitdrukking gebracht. Niemand anders dan Gods vlees kan de bediening van de vleesgeworden God vervullen, dat wil zeggen, alleen Gods geïncarneerde vlees, deze normale menselijkheid – en niemand anders – kan het goddelijke werk uitdrukken. Als God bij Zijn eerste komst niet voor Zijn negenentwintigste de normale menselijkheid had gehad, als Hij meteen vanaf Zijn geboorte wonderen had kunnen verrichten, als Hij zodra Hij leerde praten meteen de taal van de hemel had gesproken, als Hij vanaf het moment dat Hij voet op aarde zette alle wereldlijke zaken had kunnen bevatten, de gedachten en bedoelingen van ieder mens had kunnen doorzien, dan had Hij geen gewoon mens kunnen worden genoemd en had Zijn vlees geen menselijk vlees kunnen worden genoemd. Als dat het geval was geweest met Christus, dan was de betekenis en de essentie van de incarnatie van God verloren gegaan. Dat Hij een normale menselijkheid bezat bewijst dat Hij de geïncarneerde God in het vlees was. Het feit dat Hij een normaal menselijk groeiproces doorliep toont verder aan dat Hij van gewoon vlees was. Bovendien is Zijn werk voldoende bewijs dat Hij Gods vleesgeworden woord en Gods vleesgeworden Geest was. Het werk eist dat God vlees wordt, met andere woorden, dit stadium van werk moet in het vlees worden gedaan, in de normale menselijkheid. Het is een eerste vereiste voor ‘het Woord dat vlees wordt’, voor ‘Het woord dat in het vlees verschijnt’ en het is het ware verhaal achter de twee incarnaties van God. Mensen geloven misschien dat het hele leven van Jezus met wonderen gepaard ging, dat Hij tot aan het einde van Zijn werk op aarde geen normale menselijkheid liet zien, dat Hij geen normale menselijke behoeften of zwakheden of emoties had, de basisbehoefte van het leven niet voor Hem golden of dat Hij geen gewone menselijke gedachten had. Ze denken gewoon dat Hij een bovenmenselijk verstand had, een transcendente menselijkheid. Ze denken dat, omdat Hij God is Hij niet als gewone mensen zou moeten denken en leven, dat alleen een gewoon persoon, een authentiek mens, menselijke gedachten kan hebben en een gewoon menselijk leven kan leiden. Dit zijn allemaal ideeën van de mens, opvattingen van de mens die tegen de oorspronkelijke bedoeling van Gods werk ingaan. Normaal menselijk denken ondersteunt normaal menselijk verstand en normale menselijkheid; normale menselijkheid ondersteunt de normale functies van het vlees; en de normale functies van het vlees maken het normale vleselijke leven in zijn geheel mogelijk. Alleen door in dat vlees te werken kan God het doel van Zijn incarnatie bereiken. Als de vleesgeworden God alleen het omhulsel van het vlees had gehad, maar geen gewone menselijke gedachten, dan had Zijn vlees nooit het menselijk verstand gekend, laat staan de authentieke menselijkheid. Hoe zou zo'n vlees, zonder menselijkheid, de bediening die de vleesgeworden God zou moeten uitvoeren kunnen vervullen? Het normale verstand ondersteunt alle aspecten van het menselijk leven; zonder een normaal verstand kun je niet menselijk zijn. Met andere woorden, een mens zonder normale gedachten is geestesziek. En men kan niet zeggen dat een Christus zonder menselijkheid maar met alleen goddelijkheid Gods geïncarneerde vlees is. Hoe kan het geïncarneerde vlees van God dan geen normale menselijkheid hebben? Is het geen blasfemie te beweren dat Christus geen menselijkheid heeft? Alle activiteiten waar normale mensen zich mee bezig houden verlaten zich op het functioneren van een normaal menselijk verstand. Zonder dat zou de mens afwijkend gedrag vertonen; hij zou het verschil tussen zwart en wit nog niet kunnen aangeven, of tussen goed en kwaad en hij zou geen menselijke ethiek of morele principes kennen. Evenzo zou de vleesgeworden God, als Hij niet als een gewoon mens zou denken, geen authentiek vlees, geen normaal vlees kunnen zijn. Dergelijk niet-denkend vlees zou het goddelijke werk niet op zich kunnen nemen. Hij zou zich niet met gewone activiteiten van het vlees bezig kunnen houden, laat staan dat Hij met mensen samen zou kunnen leven op aarde. En zo zou het belang van Gods incarnatie, de ware essentie van Gods vleeswording verloren zijn. De menselijkheid van de vleesgeworden God bestaat om het gewone goddelijke werk in het vlees te behouden; Zijn gewone menselijke denken ondersteunt Zijn normale menselijkheid en al Zijn gewone lichamelijke activiteiten. Je zou kunnen zeggen dat Zijn gewone menselijke denken bestaat om al het werk van God in het vlees te steunen. Als dit vlees geen gewoon menselijk verstand had, zou God niet in het vlees kunnen werken en zou wat Hij in het vlees moet doen nooit tot stand komen. Hoewel de vleesgeworden God een gewoon menselijk verstand heeft is Zijn werk niet aangetast door menselijke gedachten. Hij onderneemt het werk in de menselijkheid met gewoon verstand waarvoor de eerste vereiste is dat Hij menselijkheid met verstand bezit, niet door gewone menselijke gedachten toe te passen. Hoe verheven de gedachten van Zijn vlees ook zijn, Zijn werk kan toch niet als logisch of als denkwerk bestempeld worden. Met andere woorden, Zijn werk is niet door het verstand van Zijn vlees bedacht, maar is een directe uitdrukking van het goddelijke werk in Zijn menselijkheid. Al Zijn werk is de bediening die Hij moet uitvoeren, en Hij heeft niets daarvan met Zijn eigen brein bedacht. Bijvoorbeeld, zieken genezen, duivels verdrijven en de kruisiging waren niet het product van Zijn menselijk verstand, een mens met een menselijk verstand zou daar niet in kunnen slagen. Het huidige overwinningswerk is evenzeer een bediening die uitgevoerd moet worden door de vleesgeworden God, maar het is niet het werk van de menselijke wil, het is het werk dat Zijn goddelijkheid moet uitvoeren, werk waar geen lichamelijk mens toe in staat is. De vleesgeworden God moet dus een gewoon menselijk verstand hebben, normale menselijkheid bezitten, omdat Hij Zijn werk in de menselijkheid met een gewoon verstand moet uitvoeren. Dat is de essentie van het werk van de vleesgeworden God, dat is de ware essentie van de vleesgeworden God.

Voordat Jezus het werk uitvoerde leefde Hij in Zijn normale menselijkheid. Niemand zag dat Hij God was, niemand kwam erachter dat Hij de vleesgeworden God was. De mensen kenden Hem gewoon als een volledig normaal mens. Zijn volslagen gewone, normale menselijkheid was het bewijs dat God in het vlees was geïncarneerd en dat het Tijdperk van Genade het tijdperk van het werk van de vleesgeworden God was, niet het tijdperk van het werk van de Geest. Het was het bewijs dat de Geest van God geheel in het vlees was gerealiseerd, dat in het tijdperk van Gods incarnatie Zijn vlees al het werk van de Geest uit zou voeren. De Christus met normale menselijkheid is vlees waarin de Geest gerealiseerd is met een normale menselijkheid, gewoon gevoel en menselijke gedachten. ‘Gerealiseerd worden’ betekent dat God mens wordt, dat de Geest vlees wordt. Duidelijk gezegd, het is als God Zelf vlees bewoont met een normale menselijkheid en hierdoor Zijn goddelijk werk tot uitdrukking brengt. Dit is wat gerealiseerd of geïncarneerd betekent. Tijdens Zijn eerste incarnatie moest God zieken genezen en duivels uitdrijven, omdat verlossing Zijn werk was. Om het hele menselijke ras te verlossen moest Hij barmhartig en vergevingsgezind zijn. Het werk dat Hij voor Zijn kruisiging deed was het genezen van zieken en het uitdrijven van duivels, waarmee Hij de redding van de mens van zonde en vuiligheid voorspelde. Omdat dit het Tijdperk van Genade was, was het noodzakelijk voor Hem om zieken te genezen en zo de tekenen en wonderen te laten zien die representatief waren voor de genade in dat tijdperk. Het Tijdperk van Genade draaide namelijk om het schenken van genade, waarvoor vrede, geluk en tastbare zegeningen symbool stonden – allemaal blijken van het geloof van de mensen in Jezus. Dit wil zeggen dat zieken genezen, duivels uitdrijven en genade schenken instinctieve gaven van het vlees van Jezus in het Tijdperk van Genade waren. Ze waren het werk van de Geest, gerealiseerd in het vlees. Maar terwijl Hij dit werk uitvoerde, leefde Hij in het vlees. Hij oversteeg het vlees niet. Welke genezingen Hij ook uitvoerde, Hij bleef een normale menselijkheid bezitten en een gewoon menselijk leven leiden. De reden dat ik zeg dat in het tijdperk van Gods incarnatie het vlees al het werk van de Geest uitvoerde is dat Hij al het werk, ongeacht welk, in het vlees deed. Maar door Zijn werk beschouwden de mensen Zijn vlees niet als lichamelijk in essentie. Zijn vlees kon immers wonderen verrichten, en op sommige bijzondere momenten kon het dingen doen die het vlees overstegen. Al deze gebeurtenissen, zoals het veertig dagen lang op de proef worden gesteld of de verheerlijking op de berg, vonden natuurlijk plaats nadat Hij Zijn bediening was begonnen. Met Jezus was de bedoeling van de incarnatie van God dus niet af, maar slechts gedeeltelijk volbracht. Het leven dat Hij in het vlees leidde voordat Hij met Zijn werk begon was in alle opzichten volslagen normaal. Nadat Hij met het werk begon, behield Hij het omhulsel van Zijn vlees. Omdat Zijn werk een uitdrukking van goddelijkheid was, steeg het boven de normale functies van het vlees uit. Gods geïncarneerde vlees was immers anders dan mensen van vlees en bloed. In het dagelijks leven moest Hij natuurlijk voedsel, kleding, slaap en onderdak hebben, net als iedereen, had Hij alle gewone behoeften, en redeneerde en dacht Hij als een gewoon mens. De mensen hielden Hem nog steeds voor een normaal mens, alleen het werk dat Hij deed was bovenmenselijk. Wat Hij ook deed, Hij leefde eigenlijk in een gewone en normale menselijkheid, en voor zover Hij het werk uitvoerde redeneerde Hij bepaald normaal, waren Zijn gedachten bijzonder helder, meer dan bij enig ander normaal mens het geval was. De vleesgeworden God moest wel zo denken en redeneren, want het goddelijke werk moest worden getoond door het vlees dat zeer normaal kon redeneren en helder kon denken – alleen zo kon Zijn vlees het goddelijke werk uitdrukken. Gedurende de hele drieëndertig en een half jaar dat Jezus op aarde heeft geleefd, heeft Hij Zijn normale menselijkheid behouden. Maar door Zijn werk tijdens Zijn bediening van drie en een half jaar dachten de mensen dat Hij heel transcendent was, dat Hij veel bovennatuurlijker was dan daarvoor. In werkelijkheid bleef de normale menselijkheid van Jezus onveranderd zowel voor Hij met Zijn bediening begon als daarna. Zijn menselijkheid bleef al die tijd dezelfde, maar door het verschil tussen voor en na het begin van Zijn bediening, ontstonden er twee verschillende visies met betrekking tot Zijn vlees. Wat de mensen ook dachten, de vleesgeworden God behield de hele tijd Zijn oorspronkelijke, normale menselijkheid, want sinds God geïncarneerd was leefde Hij in het vlees, het vlees dat een normale menselijkheid had. Of Hij nu Zijn bediening aan het uitoefenen was of niet, de normale menselijkheid van Zijn vlees kon niet uitgewist worden omdat menselijkheid de essentie van vlees is. Voordat Jezus Zijn bediening uitvoerde bleef Zijn vlees heel gewoon en hield het zich met alle gewone menselijke handelingen bezig; Hij leek niet in het minst bovennatuurlijk en toonde geen tekenen van wonderen. Hij was toen eenvoudigweg een heel gewoon mens die God vereerde, hoewel Hij eerlijker was in de beoefening, eerlijker dan andere mensen. Zo manifesteerde Zijn volslagen normale menselijkheid zich. Omdat Hij, voordat Hij Zijn bediening op zich nam, helemaal geen werk deed was niemand zich bewust van Zijn identiteit, niemand zag dat Zijn vlees anders was dan dat van alle andere mensen, want Hij verrichtte zelfs niet één wonder en Hij deed zelfs niet een klein stukje van het werk van God. Echter, nadat Hij Zijn bediening begon te verrichten, behield Hij Zijn omhulsel van normale menselijkheid en bleef Hij met menselijke rede leven. Maar omdat Hij met het werk van God Zelf was begonnen, de bediening van Christus op zich had genomen en het werk waartoe stervelingen, mensen van vlees en bloed, niet in staat waren, namen de mensen aan dat Hij geen normale menselijkheid had en geen volledig gewoon vlees was maar onvolledig vlees. Door het werk dat Hij uitvoerde zeiden de mensen dat Hij God in het vlees was zonder een normale menselijkheid. Dit is een onjuist begrip, want de mensen begrepen het belang van de incarnatie van God niet. Dit misverstand ontstond doordat het werk dat God in het vlees had uitgedrukt het goddelijke werk was, uitgedrukt in een vlees met normale menselijkheid. God was in het vlees gekleed, Hij woonde in het vlees en Zijn werk in Zijn menselijkheid verhulde het gewone van Zijn menselijkheid. Daarom geloofden de mensen dat God geen menselijkheid bezat.

De eerste geïncarneerde God heeft het werk van de incarnatie niet afgemaakt. Hij heeft alleen de eerste stap van het werk dat God in het vlees moest doen, afgemaakt. Om het incarnatiewerk dus af te maken is God weer in het vlees teruggekeerd en leeft Hij in alle gewoonheid en realiteit van het vlees, dat wil zeggen dat Hij het Woord van God duidelijk maakt in volkomen normaal en gewoon vlees, waarbij Hij het werk dat Hij nog niet af had nu afmaakt. In essentie is het tweede geïncarneerde vlees hetzelfde als het eerste, maar het is nog werkelijker, nog gewoner dan het eerste. Als gevolg is het lijden dat het tweede geïncarneerde vlees moet ondergaan erger dan de eerste keer, maar dit lijden is een gevolg van Zijn bediening in het vlees, wat anders is dan het lijden van de verdorven mens. Het komt ook uit de normale toestand en de werkelijkheid van Zijn vlees. Omdat Hij Zijn bediening in het volslagen normale en werkelijke vlees uitvoert, moet het vlees veel ontberingen ondergaan. Hoe normaler en reëler dit vlees is, hoe meer Hij bij de uitvoering van Zijn bediening zal lijden. God werkt in heel gewoon vlees, vlees dat helemaal niet bovennatuurlijk is. Omdat Zijn vlees gewoon is en ook het reddingswerk van de mens op de schouders moet nemen, lijdt Hij zelfs nog meer dan bovennatuurlijk vlees zou doen – al dit lijden komt van de realiteit en de normale toestand van Zijn vlees. Je kan de essentie van het geïncarneerde vlees afleiden uit het lijden dat de twee geïncarneerde vlezen hebben ondergaan terwijl ze Hun bediening uitvoerden. Hoe normaler het vlees, hoe groter de ontbering die Hij moet ondergaan als Hij Zijn werk onderneemt; hoe reëler het vlees dat het werk onderneemt, hoe wreder de opvattingen die de mensen krijgen, en hoe meer gevaar Hij loopt. En toch, hoe reëler het vlees is, en hoe meer het vlees de behoeften en het volledige gevoel van een gewoon mens kent, hoe beter Hij in staat is Gods werk in het vlees op zich te nemen. Het was het vlees van Jezus dat aan het kruis werd genageld, Zijn vlees dat Hij opgaf als zondoffer; het was door middel van vlees met een normale menselijkheid dat Hij Satan wist te verslaan en de mens helemaal redde van het kruis. En het is als volledig vlees dat de tweede geïncarneerde God het overwinningswerk uitvoert en Satan verslaat. Alleen vlees dat geheel normaal en werkelijk is kan het overwinningswerk in zijn geheel uitvoeren en een krachtige getuigenis afleggen. Dat wil zeggen, het overwinningswerk[a] van de mens wordt effectief gemaakt door de realiteit en normale toestand van God in het vlees, niet door bovennatuurlijke wonderen en openbaringen. De bediening van deze geïncarneerde God is te spreken, en daardoor de mens te overwinnen en volmaakt te maken, met andere woorden, het werk van de Geest gerealiseerd in het vlees, de taak van het vlees, is te spreken en daardoor de mens te overwinnen, te openbaren, volmaakt te maken en volledig te verdrijven. En dus is het in het overwinningswerk dat Gods werk in het vlees helemaal wordt volbracht. Het aanvankelijke verlossingswerk was slechts het begin van het incarnatiewerk. Het vlees dat het overwinningswerk uitvoert zal het gehele incarnatiewerk afmaken. Qua geslacht is de mens een man of een vrouw; hierin is de betekenis van Gods incarnatie afgerond. Het verjaagt de misvattingen van de mens over God: God kan zowel man als vrouw worden, en de vleesgeworden God is in essentie geslachtloos. God heeft zowel de man als de vrouw gemaakt, en Hij maakt geen verschil tussen de geslachten. In dit stadium van het werk verricht God geen tekenen en wonderen, zodat het werk resultaat op zal leveren door middel van woorden. Bovendien is deze keer het werk van de vleesgeworden God niet de genezing van zieken en de uitdrijving van duivels, maar de verovering van de mens door te spreken. Dit betekent dat het aangeboren vermogen dat het geïncarneerde vlees van God bezit het spreken van woorden en de verovering van de mens is, niet de genezing van zieken en verdrijving van duivels. Zijn werk in de normale menselijkheid is niet het verrichten van wonderen, niet de genezing van zieken en de uitdrijving van duivels, maar het spreken. En zo lijkt het tweede geïncarneerde vlees voor de mensen veel gewoner dan het eerste. De mensen zien dat de incarnatie van God geen leugen is, maar deze geïncarneerde God is anders van de geïncarneerde Jezus. Hoewel beiden de geïncarneerde God zijn, zijn Zij niet helemaal hetzelfde. Jezus bezat een normale menselijkheid, een gewone menselijkheid, maar Hij werd door vele wonderen en tekenen vergezeld. In deze vleesgeworden God ziet het menselijk oog geen tekenen of wonderen, geen genezing van zieken of uitdrijving van duivels, geen lopen over het meer of veertig dagen vasten. … Hij doet niet hetzelfde werk als Jezus, niet omdat Zijn vlees in essentie anders is dan dat van Jezus, maar omdat het niet Zijn bediening is zieken te genezen en duivels uit te drijven. Hij breekt Zijn eigen werk niet af en verstoort het niet. Omdat Hij de mens met Zijn echte woorden overwint, hoeft Hij hem niet met wonderen te onderwerpen. Zo is dit stadium er om het incarnatiewerk af te ronden. De vleesgeworden God die je vandaag ziet is een en al vlees, er is niets bovennatuurlijks aan Hem. Hij wordt ziek als ieder ander, heeft voedsel en kleding nodig net als anderen, omdat Hij helemaal vlees is. Als de vleesgeworden God deze keer bovennatuurlijke tekenen en wonderen zou verrichten, als Hij zieken zou genezen en duivels uit zou drijven, of met één woord kon doden, hoe zou dan het overwinningswerk uitgevoerd kunnen worden? Hoe zou het werk onder de heidense landen verspreid kunnen worden? Zieken genezen en duivels uitdrijven was het werk van het Tijdperk van Genade, de eerste stap in het verlossingswerk, en nu God de mens van het kruis heeft gered doet Hij dat werk niet meer. Als er in de laatste dagen een ‘God’ als Jezus zou verschijnen, een die zieken genas en duivels uitdreef en voor de mens gekruisigd zou worden, dan zou die ‘God’, hoewel Hij identiek zou zijn aan de beschrijving van God in de Bijbel en makkelijk te accepteren voor de mens, niet in essentie het vlees zijn dat gedragen wordt door de Geest van God, maar door een kwade geest. Het principe van Gods werk is namelijk nooit te herhalen wat Hij al heeft volbracht. En dus is het werk van Gods tweede incarnatie anders dan het werk van Zijn eerste. In de laatste dagen realiseert God het overwinningswerk in gewoon, normaal vlees; Hij geneest de zieken niet, Hij wordt niet voor de mens gekruisigd, maar Hij spreekt eenvoudige woorden in het vlees, overwint de mens in het vlees. Alleen dergelijk vlees is het vlees van de vleesgeworden God, alleen dergelijk vlees kan het werk van God in het vlees afmaken.

Of de vleesgeworden God in dit stadium nu ontberingen lijdt of Zijn bediening uitvoert, Hij doet dit om de betekenis van incarnatie af te ronden, want dit is de laatste incarnatie van God. God kan maar twee keer incarneren. Er kan geen derde keer zijn. De eerste incarnatie was een man, de tweede een vrouw, en dus is het beeld van Gods vlees compleet in de gedachten van de mens. Bovendien hebben de twee incarnaties Gods werk in het vlees al afgemaakt. De eerste keer bezat de vleesgeworden God normale menselijkheid om de betekenis van de incarnatie af te ronden. Deze keer bezit Hij ook normale menselijkheid, maar de betekenis van deze incarnatie is anders: ze is dieper, en Zijn werk heeft een diepgaander belang. De reden dat God weer vlees is geworden is dat Hij de betekenis van incarnatie af wil maken. Als God helemaal klaar is met dit stadium van Zijn werk, dan is de hele betekenis van incarnatie, dat wil zeggen van Gods werk in het vlees, klaar. Er rest dan geen werk meer in het vlees. Van nu af aan zal God dus nooit meer in het vlees komen om Zijn werk te doen. Alleen om de mensheid te redden en volmaakt te maken doet God het incarnatiewerk. Met andere woorden, het is geenszins gebruikelijk dat God vlees wordt, alleen in het belang van het werk. Door in het vlees te komen voor het werk laat Hij Satan zien dat God vlees is, een normaal persoon, een gewoon persoon – en toch kan Hij triomfantelijk over de wereld regeren, Satan verslaan, de mensheid verlossen, de mensheid overwinnen! Het doel van Satans werk is de mensheid te bederven, terwijl het doel van God is de mensheid te redden. Satan verstrikt de mens in een bodemloos ravijn, terwijl God Hem daaruit redt. Satan zorgt dat alle mensen hem aanbidden, terwijl God ervoor zorgt dat zij aan Zijn heerschappij zijn onderworpen, want Hij is de Heer van de schepping. Al dit werk is door Gods twee incarnaties tot stand gekomen. Zijn vlees is in essentie de vereniging van menselijkheid en goddelijkheid en bezit een normale menselijkheid. Zonder het geïncarneerde vlees van God zou God dus het resultaat van de redding van de mensheid niet kunnen bereiken en zonder de normale menselijkheid van Zijn vlees zou Zijn werk in het vlees niet slagen. De essentie van Gods incarnatie is dat Hij een normale menselijkheid moet bezitten; als dit niet zo was zou dit tegen Gods oorspronkelijke bedoeling van geïncarneerd zijn indruisen.

Waarom zeg ik dat de bedoeling van de incarnatie niet klaar was met het werk van Jezus? Omdat het Woord niet geheel vlees werd. Wat Jezus deed was slechts een deel van het werk van God in het vlees: Hij deed alleen het verlossingswerk en niet het werk om de mens geheel voor Zich te winnen. Hierom is God nogmaals vleesgeworden in de laatste dagen. Dit stadium van het werk wordt ook in gewoon vlees gedaan, door een buitengewoon normaal mens, een van wie de menselijkheid zelfs niet een beetje transcendent is. Met andere woorden, God is een compleet menselijk wezen geworden en het is een persoon met de identiteit van God, een compleet menselijk wezen, compleet vlees, die het werk uitvoert. In de ogen van de mens is Hij slechts vlees dat in het geheel niet transcendent is, een heel gewoon persoon die de taal van de hemel spreekt, die geen wonderbaarlijke tekenen laat zien, geen wonderen verricht, laat staan in grote ontmoetingsplaatsen een religieuze waarheid onthult aan ingewijden. Het werk van het tweede geïncarneerde vlees lijkt voor de mensen in helemaal niets op dat van het eerste, zo sterk zelfs dat deze twee niets gemeen lijken te hebben, en niets van het eerste werk deze keer kan worden herkend. Hoewel het werk van het tweede geïncarneerde vlees anders is dan dat van het eerste, dat bewijst dat nog niet dat Zij niet uit dezelfde bron voortkomen. Of de bron hetzelfde is hangt af van de aard van het werk dat door beide vlezen wordt gedaan en niet van Hun omhulsel. Gedurende de drie stadia van Zijn werk is God tweemaal geïncarneerd en beide keren luidt het werk van God een nieuw tijdperk in, kondigt het nieuw werk aan; de incarnaties vullen elkaar aan. Het menselijke oog kan onmogelijk zien dat deze twee vlezen uit dezelfde bron stammen. Het hoeft geen betoog dat dit de mogelijkheden van het menselijk oog en het menselijk verstand te boven gaat. Maar in essentie zijn Zij hetzelfde, want Hun werk vindt zijn oorsprong in dezelfde Geest. Of de beide geïncarneerde vlezen voortkomen uit dezelfde bron kan niet worden vastgesteld aan de hand van het tijdperk en de plaats waar Zij geboren zijn, of andere dergelijke factoren, maar aan de hand van het goddelijke werk dat Zij tot uitdrukking hebben gebracht. Het tweede geïncarneerde vlees verricht niets van het werk dat Jezus verrichtte, want Gods werk houdt zich niet aan gewoontes maar opent steeds een nieuw pad. Het tweede geïncarneerde vlees heeft niet als doel de indruk die het eerste vlees op het verstand van de mensen maakte dieper of meer solide te maken, maar om deze aan te vullen en te vervolmaken, om de kennis van de mens over God te verdiepen, om alle regels die in het hart van de mens leven te overtreden, en de valse beelden van God in het hart van de mens weg te vagen. Je kunt zeggen dat geen enkel stadium van Gods eigen werk de mens volledige kennis van Hem kan bieden; ieder stadium biedt slechts een deel, niet het geheel. Hoewel God Zijn gezindheid helemaal duidelijk heeft gemaakt, blijft de kennis van de mens door zijn beperkte verstandelijke vermogens toch onvolledig. Met het gebruik van menselijke taal kan het geheel van Gods gezindheid onmogelijk worden overgedragen. Hoeveel moeilijker is het dan niet voor één enkel stadium van Zijn werk om God helemaal duidelijk te maken? Hij werkt in het vlees onder het mom van Zijn normale menselijkheid, en je kunt Hem alleen kennen door de uitdrukking van Zijn goddelijkheid, niet door Zijn lichamelijk omhulsel. God wordt vlees om zich door de mens te laten kennen door middel van Zijn diverse werken, en geen twee stadia van Zijn werk zijn hetzelfde. Alleen zo kan de mens volledige kennis over Gods werk in het vlees verwerven zonder tot één aspect te zijn beperkt. Hoewel het werk van de twee geïncarneerde vlezen anders is, is de essentie van de vlezen en de bron van Hun werk identiek. Ze bestaan alleen om de twee verschillende stadia van het werk uit te voeren, en ze ontstaan in twee verschillende tijdperken. Hoe dan ook, Gods geïncarneerde vlezen hebben dezelfde essentie en oorsprong - dit is een waarheid die niemand kan ontkennen.

Vorige:De verdorven mensheid heeft de redding van de vleesgeworden God harder nodig

Volgende:Het wezen van Christus is gehoorzaamheid aan de wil van de hemelse Vader

Mogelijk vindt u dit ook interessant