Gods werk, Gods gezindheid en God Zelf II
Van het vroegste begin tot de dag van vandaag is alleen de mens in staat geweest met God een gesprek te voeren. Dat wil zeggen, van alle levende dingen en schepselen van God, is er behalve de mens geen enkel wezen geweest dat een gesprek met God kon hebben. De mens heeft oren om te horen, ogen om te zien, taal, zijn eigen ideeën, en vrije wil. De mens bezit alles wat nodig is om God te horen spreken, Gods wil te begrijpen en Gods opdracht te accepteren, en dus maakt God de mens al Zijn wensen kenbaar, om de mens tot metgezel te maken die één van geest is met Hem en samen met Hem kan wandelen. Vanaf het moment dat Hij begon met het beheer, heeft God gewacht tot de mens Hem zijn hart gaf, om God het hart te laten zuiveren en het toe te rusten, zodat hij aan God voldoet en door God geliefd wordt, en om te zorgen dat hij God vreest en het kwaad mijdt. God heeft altijd naar deze uitkomst uitgezien en erop gewacht.