De app van De Kerk van Almachtige God

Luister naar Gods stem en verwelkom de wederkomst van Heer Jezus!

We nodigen alle zoekers van de waarheid uit om contact met ons op te nemen.

Het Woord verschijnt in het vlees

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Paginabreedte

0 zoekresulta(a)t(en)

Geen resultaten gevonden

Een onveranderde gezindheid betekent vijandschap jegens God

Na enkele duizenden jaren van verdorvenheid is de mens gevoelloos en stompzinnig geworden, een demon die zich tegen God keert. De opstandigheid van de mens jegens God is zo erg, dat die in de geschiedenisboeken is opgetekend. Zelfs de mens zelf is niet in staat om zijn opstandige gedrag volledig te beschrijven, want de mens is grondig verdorven door Satan. Hij is door Satan op een dwaalspoor gebracht en weet niet meer waar hij het zoeken moet. Ook nu verraadt de mens God nog steeds: wanneer de mens God ziet, verraadt hij Hem en wanneer hij God niet kan zien, verraadt hij Hem ook. Er zijn zelfs mensen die Gods vervloekingen en Gods toorn hebben gezien en Hem dan alsnog verraden. Ik zeg dus dat het verstand van de mens en ook zijn geweten, hun oorspronkelijke functie zijn kwijtgeraakt. De mens die ik aanschouw, is een beest in menselijke kledij, hij is een giftige slang en hoe meelijwekkend hij zich ook probeert voor te doen voor mijn ogen, ik zal nooit barmhartig zijn jegens hem. Hij vat namelijk niet het verschil tussen zwart en wit, of het verschil tussen waarheid en onwaarheid. Het verstand van de mens is erg gevoelloos geworden, toch wil hij zegeningen verkrijgen. Zijn menselijkheid is erg laaghartig, toch wil hij de soevereiniteit van een koning bezitten. Van wie kan hij de koning zijn, met zo’n verstand? Hoe kan hij met zo’n menselijkheid op een troon zitten? De mens kent werkelijk geen schaamte! Hij is een verwaande ellendeling! Voor degenen die zegeningen wensen, heb ik een suggestie: kijk eerst eens in een spiegel naar je eigen lelijke spiegelbeeld – heb je de kwaliteiten om een koning te zijn? Heb je het gezicht van iemand die zegeningen kan verkrijgen? Er is geen greintje verandering opgetreden in je gezindheid en je hebt niets van de waarheid in praktijk gebracht, en toch verlang je een prachtige toekomst. Je spiegelt jezelf iets voor! De mens, geboren in zo’n smerig land, is ernstig aangetast door de maatschappij. Hij is beïnvloed door een feodale ethiek en is geschoold in ‘instituten voor hoger onderwijs’. Het achterlijke denken, de corrupte moraliteit, de minderwaardige kijk op het leven, de verachtelijke filosofie, het uiterst waardeloze bestaan, en de verdorven levensstijl en gewoonten – al die dingen zijn het mensenhart binnengedrongen, en hebben zijn geweten ernstig ondermijnd en aangevallen. De mens raakt daardoor steeds verder van God verwijderd en keert zich steeds meer tegen Hem. De gezindheid van de mens wordt met de dag kwaadaardiger, en niemand zal uit zichzelf iets opgeven voor God, niemand zal God gehoorzamen en niemand zal bovendien uit zichzelf de verschijning van God zoeken. In plaats daarvan doet de mens onder het domein van Satan juist niets anders dan het najagen van plezier, en geeft hij zich over aan de verdorvenheid van het vlees in het land van drek. Ook al horen ze de waarheid, mensen die in duisternis leven denken er niet aan om die in praktijk te brengen, noch zijn ze geneigd om God te zoeken, ook al hebben ze Zijn verschijning gezien. Hoe kan een mensheid die zo verdorven is enige kans op redding hebben? Hoe kan een mensheid die zo decadent is in het licht leven?

De gezindheid van de mens zou om te beginnen moeten veranderen met de kennis van zijn wezen en door veranderingen in zijn denken, natuur en mentale kijk – door fundamentele veranderingen. Alleen zo komen echte veranderingen tot stand in de gezindheid van de mens. De verdorven gezindheid van de mens is het gevolg van het feit dat Satan hem vergiftigt en vertrapt, en de verschrikkelijke schade die Satan heeft aangebracht in zijn denken, moraliteit, inzicht en verstand. Juist omdat deze fundamentele dingen van de mens door Satan zijn verdorven, en volslagen anders zijn dan hoe God ze oorspronkelijk heeft gemaakt, keert de mens zich tegen God en begrijpt hij de waarheid niet. Veranderingen in de gezindheid van de mens dienen dus te beginnen met veranderingen in zijn denken, inzicht en verstand, waardoor zijn kennis van God en zijn kennis van de waarheid veranderen. Zij die geboren zijn in het meest verdorven van alle landen weten zelfs nog minder over wat God is of wat het betekent om in God te geloven. Hoe verdorvener mensen zijn, hoe minder ze het bestaan van God kennen en hoe ondermaatser hun verstand en inzicht zijn. De mens is door Satan verdorven, dat is de bron van zijn tegenstand en rebellie jegens God. Doordat de mens dus door Satan is verdorven, is zijn geweten gevoelloos geworden, is hij immoreel, zijn zijn gedachten ontaard en heeft hij een achterlijke mentale kijk. Voordat de mens door Satan was verdorven, volgde hij God op natuurlijke wijze en gehoorzaamde hij Zijn woorden. Hij had van nature een gezond verstand en geweten, en had een normale menselijkheid. Nadat hij door Satan werd verdorven, raakten zijn oorspronkelijke verstand, geweten en menselijkheid afgestompt en door Satan aangetast. Zo is hij zijn gehoorzaamheid en liefde jegens God kwijtgeraakt. Het verstand van de mens is abnormaal geworden en zijn gezindheid gelijk aan dat van een dier, en zijn rebellie jegens God wordt steeds frequenter en intenser. Toch weet of herkent de mens dit nog steeds niet, en blijft hij zich blind verzetten en rebels opstellen. De openbaring van de gezindheid van de mens is de uiting van zijn verstand, inzicht en geweten en aangezien zijn verstand en inzicht ondeugdelijk zijn en zijn geweten uitermate is afgestompt, is zijn gezindheid opstandig jegens God. Als het verstand en inzicht van een mens niet kunnen veranderen, is er geen sprake van verandering in zijn gezindheid en kan hij evenmin naar Gods hart zijn. Als het verstand van een mens ondeugdelijk is, kan hij God niet dienen en is hij ongeschikt om door God te worden gebruikt. ‘Normaal verstand’ verwijst naar gehoorzaamheid en trouw aan God, naar verlangen naar God, naar ondubbelzinnigheid jegens God en naar een geweten hebben jegens God. Het verwijst naar één van hart en geest zijn jegens God en niet zich niet opzettelijk tegen God keren. Mensen met een abnormaal verstand zijn niet zo. Sinds de mens door Satan werd verdorven, heeft hij allerlei opvattingen over God bedacht, hij heeft geen trouw of verlangen naar God gekend, om maar niet te spreken over een geweten jegens God. De mens keert zich opzettelijk tegen God en veroordeelt Hem naar believen. Bovendien werpt hij Hem achter zijn rug beschimpingen toe. De mens weet heel goed dat Hij God is, toch veroordeelt hij Hem achter Zijn rug, is hij geenszins van plan om Hem te gehoorzamen en stelt hij alleen lukrake vragen en eisen aan God. Zulke mensen – mensen met een abnormaal verstand – zijn niet in staat om hun eigen verwerpelijke gedrag te kennen of hun opstandigheid te betreuren. Als mensen in staat zijn om zichzelf te kennen, hebben ze iets van hun verstand teruggekregen. Hoe opstandiger mensen zijn jegens God maar zichzelf niet kennen, hoe ondeugdelijker hun verstand is.

De bron van de openbaring van de verdorven gezindheid van de mens is niets meer dan zijn afgestompte geweten, zijn kwaadaardige natuur en zijn ondeugdelijke verstand. Als het geweten en het verstand van de mens weer normaal kunnen worden, zal hij geschikt worden om voor Gods aangezicht te worden gebruikt. Het komt simpelweg omdat het geweten van de mens altijd gevoelloos is geweest, het verstand van de mens nooit gezond is geweest en steeds afgestompter raakt, dat de mens steeds opstandiger wordt jegens God. Hij heeft Jezus zelfs aan het kruis genageld en heeft de vleesgeworden God van de laatste dagen toegang tot zijn huis geweigerd. Hij veroordeelt Gods vlees en ziet Gods vlees als oneervol en onwaardig. Als de mens ook maar een beetje menselijkheid had, zou hij niet zo wreed zijn in zijn behandeling van Gods vleesgeworden vlees. Als hij ook maar een beetje verstand had, zou hij niet zo kwaadaardig zijn in zijn behandeling van het vlees van de vleesgeworden God. Als hij ook maar een beetje geweten had, zou hij de vleesgeworden God niet zo ‘dankbaar’ zijn op deze manier. De mens leeft in het tijdperk dat God vlees is geworden, toch is hij niet in staat om God te danken voor deze geweldige gelegenheid. In plaats daarvan vervloekt hij de komst van God of negeert hij het feit van Gods vleeswording volkomen, en is hij er schijnbaar op tegen en moe van. Hoe de mens ook tegen de komst van God aankijkt, God heeft kort gezegd Zijn werk toch altijd voortgezet – ook al heeft de mens Hem geenszins verwelkomd en stelt hij wel blindelings eisen aan Hem. De gezindheid van de mens is uitermate kwaadaardig geworden, zijn verstand is uitermate afgestompt en zijn geweten is volkomen vertrapt door de boze en is al heel lang niet meer als het oorspronkelijke geweten van de mens. De mens is niet alleen ondankbaar jegens de vleesgeworden God voor het uitstorten van zoveel leven en genade op de mensheid, maar is zelfs verbitterd jegens God dat Hij hem de waarheid heeft gegeven. De mens heeft namelijk geen greintje belangstelling voor de waarheid, daarom is hij verbitterd jegens God. De mens is niet alleen niet in staat om zijn leven neer te leggen voor de vleesgeworden God, maar hij probeert desondanks gunsten van Hem los te krijgen, en hij verwacht een rente die tientallen keer meer is dan wat de mens God heeft gegeven. Mensen met zo’n geweten en verstand nemen dit alles voor lief, en blijven geloven dat ze heel veel voor God hebben gedaan en dat God ze te weinig heeft gegeven. Er zijn mensen die mij een kom water hebben gegeven en hun handen uitstrekten met de vraag om de waarde van[a] twee kommen melk, of ze hebben mij onderdak voor één nacht geboden maar probeerden mij vele malen meer in rekening te brengen voor de accommodatie. Hoe kun je met zo’n menselijkheid, en zo’n geweten, nog steeds wensen het leven te verkrijgen? Wat zijn jullie verachtelijke ellendelingen! Het is vanwege deze menselijkheid en dit geweten van de mens dat de vleesgeworden God het land doorkruist zonder een schuilplaats te vinden. Mensen die werkelijk een geweten en menselijkheid bezitten, dienen de vleesgeworden God te aanbidden en met geheel hun hart te dienen, niet omwille van hoeveel werk Hij heeft gedaan, maar zelfs als Hij geen enkel werk zou doen. Dit moeten mensen met gezond verstand doen en dit is de plicht van de mens. De meeste mensen spreken zelfs over voorwaarden in hun dienst aan God. Het maakt ze niet uit of Hij God of een mens is, ze praten alleen over hun eigen voorwaarden en streven alleen hun eigen verlangens na. Wanneer jullie voor mij koken, eisen jullie het loon van een kok, wanneer jullie voor mij hardlopen, vragen jullie om een hardloopvergoeding, wanneer jullie voor mij werken, eisen jullie betaling van jullie arbeidskosten, wanneer jullie mijn kleren wassen, eisen jullie wasgeld, wanneer jullie iets aan de kerk leveren, eisen jullie een onkostenvergoeding, wanneer jullie spreken, eisen jullie een sprekersvergoeding, wanneer jullie boeken uitgeven, eisen jullie vergoeding van de distributiekosten en wanneer jullie schrijven, eisen jullie een beloning voor het schrijven. De mensen die ik heb aangepakt, eisen zelfs een beloning van mij, terwijl zij die naar huis zijn gestuurd genoegdoening eisen voor de bezoedeling van hun naam. Zij die niet getrouwd zijn, eisen een bruidsschat of genoegdoening voor hun verloren jeugd, zij die een kip doden, eisen een slagersprijs, zij die voedsel frituren, eisen een frituurvergoeding en zij die soep maken, eisen daar ook betaling voor … Dit is jullie hoogstaande en verheven menselijkheid, en dit zijn de daden die jullie warme geweten voorschrijft. Waar is jullie verstand? Waar is jullie menselijkheid? Ik zal het jullie vertellen! Als jullie zo doorgaan, staak ik mijn werk onder jullie. Ik ga niet werken onder een stel beesten in menselijke kledij, ik ga zo niet lijden voor zo’n groep mensen achter wier mooie gezicht een verwilderd hart schuilgaat, ik ga niet volharden voor zo’n stel dieren dat geen enkele kans op redding heeft. De dag waarop ik jullie mijn rug toekeer, is de dag waarop jullie sterven, het is de dag dat duisternis over jullie komt en de dag dat het licht jullie zal verlaten! Ik zal het jullie vertellen! Ik zal nooit welwillend zijn naar een groep zoals die van jullie, een groep die zelfs lager is dan dieren! Er zijn grenzen aan mijn woorden en daden. Met jullie menselijkheid en geweten zoals ze zijn, ga ik geen werk meer doen, want jullie geweten schiet zeer tekort, jullie hebben me te veel pijn berokkend en jullie verwerpelijke gedrag hangt me echt de keel uit! Mensen zonder enige menselijkheid en geweten zullen nooit de kans hebben om gered te worden, ik zou zulke harteloze en ondankbare mensen nooit redden. Wanneer mijn dag komt, zal ik mijn verzengende vlammen voor alle eeuwigheid doen neerregenen op de kinderen van de ongehoorzaamheid die mijn brandende toorn ooit hebben opgewekt. Ik zal mijn eeuwigdurende straf opleggen aan die dieren die mij ooit hebben bestookt met beschimpingen en mij in de steek hebben gelaten. Ik zal voor altijd met het vuur van mijn toorn de zonen van de ongehoorzaamheid verbranden die ooit met mij samen gegeten en geleefd hebben maar niet in mij geloofden, en die mij beledigd en verraden hebben. Ik zal iedereen die mijn toorn heeft opgewekt aan mijn straf onderwerpen. Ik zal al mijn toorn doen neerkomen op die beesten die ooit schouder aan schouder met mij wilden staan, maar mij niet aanbeden of gehoorzaamd hebben. De roede waarmee ik de mens sla, zal neerkomen op die dieren die ooit hebben genoten van mijn zorg en de mysteries die ik sprak, en die hebben geprobeerd om materiële geneugten van mij te verkrijgen. Ik zal niemand vergeven die probeert mijn plaats in te nemen. Ik zal niemand sparen die probeert mij voedsel en kleding te ontfutselen. Jullie lopen nu nog geen schade op, maar blijven te ver gaan in de eisen die jullie aan mij stellen. Wanneer de dag van verbolgenheid komt, zullen jullie geen eisen meer aan mij stellen. Dan zal ik jullie naar hartenlust laten ‘genieten’, dan zal ik jullie gezicht ter aarde werpen en jullie zullen nooit meer kunnen opstaan! Ik ga deze schuld vroeg of laat aan jullie ‘terugbetalen’ – en ik hoop dat jullie met geduld naar die dag uitkijken.

Als deze verachtelijke wezens hun extravagante verlangens werkelijk opzij kunnen zetten en tot God terugkeren, hebben ze nog steeds de kans om gered te worden. Als de mens een hart heeft dat werkelijk naar God verlangt, zal God hem niet in de steek laten. De mens kan God niet winnen, niet omdat God emoties heeft, of omdat God niet gewonnen wil worden door de mens, maar omdat de mens God niet wil winnen en hij God niet naarstig zoekt. Hoe kan iemand die God werkelijk zoekt door God worden vervloekt? Hoe kan iemand met een gezond verstand en gevoelig geweten door God worden vervloekt? Hoe kan iemand die God werkelijk aanbidt en dient door het vuur van zijn toorn worden verteerd? Hoe kan iemand die God blijmoedig gehoorzaamt uit Gods huis worden gezet? Hoe kan iemand die God niet genoeg kon liefhebben in Gods straf leven? Hoe kan iemand die alles blijmoedig wil verzaken voor God met niets achterblijven? De mens is niet bereid om God te zoeken, niet bereid om zijn bezittingen voor God aan te wenden en niet bereid om zijn hele leven aan God te wijden. In plaats daarvan zegt hij dat God te ver is gegaan, dat teveel aan God niet rijmt met de opvattingen van de mens. Met zo’n menselijkheid zouden jullie zelfs bij een ruimhartige inzet nog steeds Gods goedkeuring niet kunnen verkrijgen, om maar niets te zeggen over het feit dat jullie God niet zoeken. Weten jullie niet dat jullie tot de defecte goederen van de mensheid behoren? Weten jullie niet dat jullie menselijkheid het laagste peil van iedereen heeft? Weten jullie niet wat jullie ‘eretitel’ is? Zij die God waarlijk liefhebben, noemen jullie de vader van de wolf, de moeder van de wolf, de zoon van de wolf en de kleinzoon van de wolf. Jullie zijn de nakomelingen van de wolf, het volk van de wolf, en jullie dienen je eigen identiteit te kennen en nooit te vergeten. Denk niet dat jullie een of ander superieur wezen zijn. Jullie zijn de kwaadaardigste groep niet-menselijke wezens onder de mensheid. Weten jullie daar niets van? Weten jullie hoeveel risico ik heb genomen om onder jullie te werken? Als jullie verstand niet weer normaal kan worden en jullie geweten niet normaal kan werken, zullen jullie nooit van de benaming ‘wolf’ afkomen. Jullie zullen de dag van vervloeking en de dag van jullie straf dan nooit ontlopen. Jullie zijn inferieur geboren, een ding zonder enige waarde. Jullie zijn inherent een roedel hongerige wolven, een berg rommel en afval. Ik werk niet met jullie om gunsten te verkrijgen, zoals jullie dat wel doen, maar omdat het werk nodig is. Als jullie op deze manier opstandig blijven, zal ik mijn werk staken en nooit meer met jullie werken. Integendeel, dan zal ik mijn werk verplaatsen naar een andere groep die mij behaagt en jullie op die manier voor altijd verlaten, want ik wil niet omzien naar mensen die zich vijandig jegens mij opstellen. Willen jullie dus op één lijn met mij zijn of je vijandig jegens mij opstellen?

Voetnoot:

a. In de oorspronkelijke tekst staat ‘de gouden munten voor’.

Vorige:Ben je tot leven gekomen?

Volgende:Allen die God niet kennen, zijn degenen die zich tegen God verzetten

Mogelijk vindt u dit ook interessant