Dagelijkse woorden van God | Gods woorden aan het hele universum: Hoofdstuk 11 | Fragment 61

04 augustus 2020

Wanneer de bliksem uit het oosten komt – wat ook precies het moment is dat ik ga spreken – op het moment dat de bliksem komt, wordt de hoogste hemel geheel verlicht en beginnen alle sterren te transformeren. Het lijkt alsof het hele menselijke ras wordt onderworpen aan een grondige reiniging en uitsortering. Onder de gloed van deze schacht van licht uit het Oosten, wordt de hele mensheid blootgelegd in haar oorspronkelijke vorm, de ogen verblind, belemmerd in verwarring en ze zijn zelfs nog minder in staat om hun lelijke eigenschappen te verbergen. Nogmaals, ze zijn als dieren die voor mijn licht wegvluchten in berggrotten; maar toch kan niet één van hen uit mijn licht worden gewist. Alle menselijke wezens zijn ontzet, ze wachten allemaal, ze waken allemaal; met de komst van mijn licht, verheugen ze zich allemaal over de dag dat ze werden geboren, en op dezelfde manier vervloeken ze allemaal de dag dat ze werden geboren. Tegenstrijdige emoties zijn onmogelijk te verwoorden; tranen van zelfkastijding vormen rivieren en worden weggevoerd met de kolkende stroom, in een oogwenk spoorloos verdwenen. Nogmaals, mijn dag nadert het menselijk ras, wekt opnieuw het menselijke ras op, en geeft de mensheid een punt om een nieuw begin te maken. Mijn hart klopt en op het ritme van mijn hartslag springen de bergen van vreugde, de wateren dansen van vreugde, en de golven slaan de maat op de rotsachtige riffen. Het is moeilijk om uit te drukken wat er in mijn hart leeft. Ik wil dat alle onreine dingen tot as worden verbrand onder mijn blik, ik wil dat alle zonen van ongehoorzaamheid verdwijnen voor mijn ogen, en nooit meer blijven hangen in het bestaan. Ik heb niet alleen een nieuw begin gemaakt in de woonplaats van de grote rode draak, ik ben ook begonnen aan nieuw werk in het universum. Spoedig zullen de koninkrijken der aarde mijn koninkrijk worden; spoedig zullen de koninkrijken der aarde voor eeuwig ophouden te bestaan vanwege mijn koninkrijk, omdat ik de overwinning reeds heb behaald, omdat ik triomferend ben teruggekeerd. De grote rode draak heeft alle denkbare middelen uitgeput om mijn plan te verstoren, in de hoop mijn werk op aarde uit te wissen, maar kan ik ontmoedigd worden vanwege zijn bedrieglijke listen? Kan ik zo bang gemaakt worden door zijn bedreigingen dat ik het vertrouwen verlies? Er is nooit ook maar een enkel wezen in de hemel of op aarde geweest dat ik niet in de palm van mijn hand houd; hoeveel te meer geldt dit voor de grote rode draak, dit werktuig dat als een contrast voor mij dient? Is dit niet ook een object dat met mijn handen moet worden gemanipuleerd?

Ten tijde van mijn incarnatie in de menselijke wereld, arriveerde de mensheid onbewust op deze dag met de hulp van mijn leidende hand, onbewust leerden zij mij kennen. Maar hoe ze het pad dat voor hen ligt moeten bewandelen, daar heeft niemand enig vermoeden van, niemand is zich ervan bewust. Nog minder heeft iemand enig idee van de richting waarin dat pad hem zal brengen. Alleen als de Almachtige over hem waakt, kan iemand het pad tot het einde bewandelen; alleen geleid door de bliksem in het oosten zal iemand in staat zijn om de drempel over te steken die leidt naar mijn koninkrijk. Onder de mensen is er nog nooit iemand geweest die mijn aangezicht heeft gezien, iemand die de bliksem in het oosten heeft gezien; laat staan iemand die de stem heeft gehoord die afkomstig is van mijn troon. In feite is er sinds de dagen van weleer niet één mens rechtstreeks in contact gekomen met mijn persoon; alleen vandaag, nu ik in de wereld ben gekomen, hebben mensen een kans om mij te zien. Maar zelfs nu kennen mensen mij nog steeds niet, net zoals ze alleen naar mijn aangezicht kijken en alleen mijn stem horen, zonder te begrijpen wat ik bedoel. Alle mensen zijn zo. Jullie behoren tot mijn volk, voelen jullie dan geen diepe trots wanneer jullie mijn aangezicht zien? En voelen jullie geen abjecte schaamte omdat jullie mij niet kennen? Ik wandel onder de mensen en ik leef onder de mensen, want ik ben vlees geworden en ik ben in de menselijke wereld gekomen. Mijn doel is niet alleen om de mensheid in staat te stellen mij in het vlees te zien; wat nog belangrijker is, het is om de mensheid in staat te stellen mij te kennen. Wat meer is, ik zal door mijn incarnatie de mensheid veroordelen wegens haar zonden; ik zal door mijn incarnatie de grote rode draak overwinnen en zijn hol verdelgen.

uit ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

Meer bekijken

De wereld wordt in de laatste dagen bestookt met rampen. Welke waarschuwing geeft dat ons? En hoe kunnen wij beschermd worden door God te midden van rampen? Kijk samen met ons naar onze actuele preek die je de antwoorden zal geven.

Geef een reactie

Delen

Annuleren