Dagelijkse woorden van God: Intrede in het leven | Fragment 525

01 September 2020

God tuchtigt en oordeelt de mens omdat het vanwege Zijn werk wordt vereist en bovendien omdat de mens het nodig heeft. De mens moet worden getuchtigd en geoordeeld en alleen dan kan hij liefde tot God verkrijgen. Vandaag zijn jullie helemaal overtuigd, maar als jullie de minste tegenslag krijgen, zitten jullie in de problemen; jullie gestalte is nog steeds te klein en jullie moeten nog steeds meer van dergelijke tuchtiging en oordeel ervaren om een diepere kennis te bereiken. Vandaag hebben jullie enige eerbied voor God en jullie zijn bang voor God en jullie weten dat Hij de ware God is, maar jullie hebben geen grote liefde voor Hem, laat staan dat jullie een zuivere liefde hebben bereikt; jullie kennis is te oppervlakkig en jullie gestalte is nog steeds ontoereikend. Als jullie echt een situatie tegenkomen, hebben jullie nog steeds geen getuigenis afgelegd, is er te weinig proactieve intrede van jullie en hebben jullie geen idee hoe je het in praktijk moet brengen. De meeste mensen zijn passief en inactief; ze houden alleen stiekem van God in hun hart, maar hebben geen manier om het te praktiseren, noch hebben ze duidelijkheid over wat hun doelen zijn. Degenen die volmaakt gemaakt zijn bezitten niet alleen de normale menselijkheid, maar zijn vervuld van waarheden die de maatstaven van het geweten overtreffen en die hoger zijn dan de normen van het geweten; ze gebruiken niet alleen hun geweten om Gods liefde terug te betalen, maar meer dan dat, hebben ze God gekend en hebben ze gezien dat God liefelijk is en de liefde van de mens waardig is en dat er zoveel in God is om lief te hebben dat de mens niet anders kan dan van Hem houden. De liefde voor God van hen die volmaakt zijn gemaakt, is om aan hun eigen persoonlijke aspiraties te beantwoorden. Het is een spontane liefde, een liefde die er niets voor terugvraagt en die geen ruil is. Ze houden van God vanwege niets anders dan hun kennis van Hem. Zulke mensen geven er niet om of God hun genadegaven schenkt en zijn tevreden met niets meer dan God te behagen. Ze sluiten geen koopjes met God, noch meten ze hun liefde voor God af aan hun geweten: u hebt mij gegeven, dus ik heb u lief als wederdienst; als u mij niet geeft, dan heb ik niets voor u als tegenprestatie. Degenen die volmaakt zijn gemaakt, geloven altijd dat God de Schepper is, dat Hij Zijn werk omtrent hen uitvoert en dat hun streven moet zijn om een leven van betekenis na te leven en zij Hem tevreden moeten stellen, aangezien zij deze mogelijkheid en voorwaarde en kwalificatie hebben om volmaakt gemaakt te worden. Het is precies zoals Petrus het ervaren heeft: toen hij op zijn zwakst was, bad hij tot God en zei: “O God! Ongeacht de tijd of plaats, u weet dat ik me u altijd herinner. Ongeacht de tijd of plaats, u weet dat ik u wil liefhebben, maar mijn gestalte is te klein, ik ben te zwak en machteloos, mijn liefde is te beperkt en mijn oprechtheid jegens u is te mager. Vergeleken met uw liefde ben ik gewoon ongeschikt om te leven. Ik wens alleen dat mijn leven niet tevergeefs is en dat ik niet alleen uw liefde kan terugbetalen, maar vooral dat ik alles wat ik heb aan u kan toewijden. Als ik u tevreden kan stellen, dan zal ik als een schepsel gemoedsrust hebben en om niets meer vragen. Hoewel ik nu zwak en machteloos ben, zal ik uw vermaningen niet vergeten en zal uw liefde niet vergeten. Nu doe ik niets meer dan terugbetalen van uw liefde. Oh God, ik voel me vreselijk! Hoe kan ik de liefde in mijn hart aan u teruggeven, hoe kan ik alles doen wat ik kan en in staat zijn om uw wensen te vervullen en in staat zijn om alles wat ik heb aan u aan te bieden? U kent de zwakte van de mens; hoe kan ik uw liefde waardig zijn? Oh God! U weet dat ik klein van gestalte ben, dat mijn liefde te mager is. Hoe kan ik het beste doen wat ik kan in een dergelijke situatie? Ik weet dat ik uw liefde moet terugbetalen, ik weet dat ik alles moet geven wat ik heb, maar heden is mijn gestalte te klein. Ik vraag dat u mij kracht geeft en vertrouwen, zodat ik meer in staat zal zijn om een zuivere liefde te bezitten om aan u te wijden en meer in staat om alles wat ik heb aan u te wijden; niet alleen zal ik in staat zijn om uw liefde terug te betalen, maar beter bekwaam om uw tuchtiging, oordeel en beproevingen en zelfs nog ernstiger vloeken te ervaren. U hebt me toegestaan om uw liefde te aanschouwen en ik ben niet in staat om niet van u te houden en hoewel ik vandaag zwak en machteloos ben, hoe kan ik u dan vergeten? Uw liefde, tuchtiging en oordeel hebben er alle voor gezorgd dat ik u kende, maar ik voel me ook niet in staat om uw liefde te vervullen, want u bent zo groot. Hoe kan ik alles wat ik heb aan de Schepper wijden?” Dat was het verzoek van Petrus, maar zijn gestalte was te ontoereikend. Op dat moment voelde hij alsof een mes in zijn hart werd omgedraaid en hij leed pijn; hij wist niet wat hij moest doen onder zulke omstandigheden. Toch bleef hij bidden: “O God! De mens is van kinderlijke gestalte, zijn geweten is zwak en het enige wat ik voor elkaar kan krijgen is om uw liefde terug te betalen. Vandaag weet ik niet hoe ik u moet behagen, of hoe alles te doen wat ik kan, of hoe ik alles wat ik heb kan geven, of hoe ik alles wat ik heb aan u kan toewijden. Ongeacht uw oordeel, ongeacht uw tuchtiging, ongeacht wat u mij schenkt, ongeacht wat u van mij wegneemt, maak me vrij van ook maar de minste klacht jegens u. Vaak, toen u mij tuchtigde en oordeelde, gromde ik tegen mezelf en was niet in staat om zuiverheid te bereiken of om uw wensen te vervullen. Mijn terugbetaling van uw liefde is geboren uit dwang en op dit moment haat ik mezelf nog meer.” Het was omdat hij zocht naar een zuivere liefde voor God dat Petrus zo bad. Hij zocht en smeekte en bovendien beschuldigde hij zichzelf en biechtte hij zijn zonden op aan God. Hij voelde zich bij God in het krijt staan en voelde haat voor zichzelf, maar hij was ook enigszins verdrietig en passief. Hij voelde zich altijd zo, alsof hij niet goed genoeg was voor Gods verlangens en niet in staat was zijn best te doen. Onder dergelijke omstandigheden streefde Petrus nog steeds het geloof van Job na. Hij zag hoe groot het geloof van Job was, want Job had gezien dat alles wat hij had door God was geschonken en het was in overeenstemming met Gods natuur om alles van hem af te nemen, dat God zou geven aan wie Hij maar wilde – dat was de rechtvaardige gezindheid van God. Job had geen klachten en kon God nog steeds prijzen. Petrus kende zichzelf ook en in zijn hart bad hij: “Vandaag zou ik niet tevreden moeten zijn met het terugbetalen van uw liefde door mijn geweten te gebruiken, ongeacht hoeveel liefde die ik aan u teruggeef, omdat mijn gedachten te verdorven zijn en omdat ik niet in staat ben om u als de Schepper zien. Omdat ik nog steeds ongeschikt ben om van u te houden, moet ik het vermogen bereiken om alles wat ik heb aan u te wijden, wat ik gewillig zou doen. Ik moet weten wat u allemaal hebt gedaan en heb geen keuze, ik moet uw liefde aanschouwen en in staat zijn om aan u lofprijzingen te uiten en uw heilige naam te verheerlijken, opdat u grote eer door mijn toedoen zult verkrijgen. Ik ben bereid om standvastig te staan in mijn getuigenis van u. Oh God! Uw liefde is zo kostbaar en mooi; hoe zou ik kunnen wensen om te leven in de handen van de kwaadaardige? Was ik niet door u gemaakt? Hoe zou ik kunnen leven onder het domein van Satan? Ik zou liever hebben dat mijn hele wezen te midden van uw tuchtiging leeft. Ik ben niet bereid om onder het domein van de kwaadaardige te leven. Als ik zuiver kan worden gemaakt en alles wat ik heb aan u kan toewijden, ben ik bereid mijn lichaam en geest te offeren voor uw oordeel en tuchtiging, want ik verafschuw Satan en ben niet bereid om onder zijn domein te leven. Door uw oordeel over mij, toont u uw rechtvaardige gezindheid. Ik ben gelukkig en heb geen enkele klacht. Als ik in staat ben om de plicht van een schepsel te vervullen, ben ik bereid dat mijn hele leven vergezeld gaat van uw oordeel, waardoor ik uw rechtvaardige gezindheid zal leren kennen en mij zal bevrijden van de invloed van de kwaadaardige.” Petrus bad altijd zo, zocht altijd zo en bereikte een hoger rijk. Hij was niet alleen in staat om Gods liefde terug te betalen, maar belangrijker nog, hij vervulde ook zijn plicht als schepsel. Niet alleen werd hij niet meer beschuldigd door zijn geweten, maar was hij ook in staat om de normen van het geweten te overtreffen. Zijn gebeden bleven opgaan naar God, zodat zijn ambities steeds hoger werden en zijn liefde voor God steeds groter werd. Hoewel hij tergende pijn leed, vergat hij toch niet om God lief te hebben en zocht hij toch naar het vermogen om Gods wil te begrijpen. In zijn gebeden werden de volgende woorden uitgesproken: “Ik heb niets meer bereikt dan de terugbetaling van uw liefde. Ik heb niet voor Satan van u getuigd, heb mezelf niet bevrijd van de invloed van Satan en leef nog steeds te midden van het vlees. Ik wens mijn liefde te gebruiken om Satan te verslaan en beschaam hem en bevredig zo uw verlangen. Ik wens mij volledig aan u te geven, om Satan geen enkel stukje van mezelf te geven, want Satan is uw vijand.” Hoe meer hij in deze richting zocht, des te meer werd hij ontroerd en hoe hoger zijn kennis van deze zaken werd. Zonder het te beseffen, kwam hij te weten dat hij zichzelf zou bevrijden van de invloed van Satan en zichzelf volledig zou moeten teruggeven aan God. Zo was het rijk dat hij bereikte. Hij steeg boven de invloed van Satan uit en bevrijdde zichzelf van de geneugten en genot van het vlees en was bereid om nog diepgaander zowel de tuchtiging van God als Zijn oordeel te ervaren. Hij zei: “Hoewel ik leef te midden van uw tuchtiging en te midden van uw oordeel, ongeacht de ontberingen die daarmee gepaard gaan, ben ik toch nog steeds niet bereid om onder het domein van Satan te leven, noch ben ik bereid om te lijden vanwege Satans bedriegerij. Ik geniet van het leven te midden van uw vloeken en ik heb pijn door te leven te midden van de zegeningen van Satan. Ik hou van u door te midden van uw oordeel te leven en dit brengt me grote vreugde. Uw tuchtiging en oordeel is rechtvaardig en heilig; het is om me te reinigen en nog meer om me te redden. Ik zou er de voorkeur aan geven om mijn hele leven te spenderen te midden van uw oordeel om onder uw zorg te staan. Ik ben niet bereid om voor een enkel moment onder Satans domein te leven; ik wens door u gereinigd te worden, om tegenspoed te lijden en ben niet bereid om door Satan te worden uitgebuit en bedrogen. Ik, dit schepsel, zou door u gebruikt moeten worden, door u vervuld, door u geoordeeld en door u getuchtigd. Ik zou zelfs door u vervloekt moeten zijn. Mijn hart verheugt zich als u bereid bent om mij te zegenen, want ik heb uw liefde gezien. U bent de Schepper en ik ben een schepsel: ik moet u niet verraden en onder het domein van Satan leven, noch moet ik door Satan worden uitgebuit. Ik zou uw paard moeten zijn, of os, in plaats van te leven voor Satan. Ik zou liever onder uw tuchtiging leven, zonder lichamelijke gelukzaligheid en dit zou me plezier brengen, zelfs als ik uw genade zou verliezen. Hoewel uw genade niet met mij is, geniet ik ervan om door u te worden getuchtigd en geoordeeld; dit is uw beste zegen, uw grootste genade. Hoewel u altijd majestueus en grimmig jegens mij bent, ben ik toch niet in staat u te verlaten en kan ik u toch niet genoeg liefhebben. Ik zou liever in uw huis wonen, ik zou liever vervloekt, getuchtigd en door u geslagen worden en ben niet bereid om onder het domein van Satan te leven, noch ben ik bereid om alleen voor het vlees te haasten en bezig te zijn, nog minder ben ik bereid om voor het vlees te leven.” De liefde van Petrus was een pure liefde. Dit is de ervaring van volmaakt gemaakt worden en het is de hoogste staat van vervolmaking en er is geen leven dat zinvoller is. Hij aanvaardde Gods tuchtiging en oordeel, hij koesterde Gods rechtvaardige gezindheid en niets was kostbaarder aan Petrus dan dat. Hij zei: “Satan geeft me materiële genoegens, maar ik koester ze niet. Gods tuchtiging en oordeel komen over mij – hierin vind ik genade, hierin vind ik genot en hierin ben ik gezegend. Zou het niet vanwege Gods oordeel zijn, dan zou ik nooit van God houden, dan zou ik nog steeds onder het domein van Satan leven, er nog steeds door worden beheerst en onder zijn bevel staan. Als dat het geval zou zijn, zou ik nooit een echt mens worden, want ik zou niet in staat zijn om God tevreden te stellen en zou mij niet geheel aan God hebben gewijd. Hoewel God mij ook niet zegent en me zonder troost achterlaat, alsof er een vuur in mij brandt en zonder vrede of vreugde, en hoewel Gods tuchtiging en discipline nooit gescheiden van mij zijn, in Gods tuchtiging en oordeel ben ik in staat om Zijn rechtvaardige gezindheid te aanschouwen. Ik geniet hiervan; er is niets waardevoller of zinvoller in het leven. Hoewel Zijn bescherming en zorg meedogenloze tuchtiging, oordeel, vloeken en slaan zijn geworden, geniet ik toch van deze dingen, want zij kunnen mij beter reinigen, kunnen me veranderen, kunnen me dichter bij God brengen, kunnen me beter in staat stellen God lief te hebben en kunnen mijn liefde voor God zuiverder maken. Dit stelt mij in staat om mijn plicht als schepsel te vervullen en brengt me voor het aangezicht van God en weg van de invloed van Satan, zodat ik niet langer Satan dien. Wanneer ik niet onder het domein van Satan leef en in staat ben om alles wat ik heb en alles wat ik kan doen aan God toe te wijden, zonder iets achter te houden, zal dat het moment zijn wanneer ik volledig tevreden ben. Het is Gods tuchtiging en oordeel die mij heeft gered en mijn leven is onafscheidelijk van Gods tuchtiging en oordeel. Mijn leven op aarde valt onder het domein van Satan, en ware het niet omwille van de zorg en bescherming van Gods tuchtiging en oordeel, dan zou ik altijd onder het domein van Satan hebben geleefd en bovendien zou ik niet de gelegenheid of middelen hebben gehad om een leven van betekenis te leven. Alleen als Gods tuchtiging en oordeel me nooit verlaten, zal ik in staat zijn door God te worden gereinigd. Alleen vanwege de harde woorden en rechtvaardige gezindheid van God en Gods majestueuze oordeel, heb ik de allerhoogste bescherming verkregen en heb ik in het licht geleefd en de zegeningen van God gekregen. Om gereinigd te kunnen worden en mezelf te bevrijden van Satan en te leven onder de heerschappij van God. Dit is de grootste zegening in mijn leven vandaag de dag.” Dit is het hoogste rijk dat Petrus heeft bereikt.

Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, De ervaringen van Petrus: zijn kennis van tuchtiging en oordeel

Meer bekijken

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Geef een reactie

Delen

Annuleren

Neem contact op via Messenger