We nodigen alle zoekers van de waarheid uit om contact met ons op te nemen.

Getuigenissen van de overwinnaars

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Paginabreedte

0 zoekresultaten

Geen resultaten gevonden

Nadat ik door demonen ben verwoest, realiseer ik me des te meer hoe waardevol Gods genade is

Door Xu Qiang, autonome regio Binnen-Mongolië

Mijn naam is Xu Qiang. Vroeger stond ik als technisch aannemer ieder jaar aan het hoofd van grote teams in engineeringprojecten en had ik een respectabel inkomen. In de ogen van mijn collega’s en leeftijdsgenoten had ik een perfect gezinnetje, ging het lekker met mijn carrière en waren mijn vooruitzichten onbeperkt. Men dacht beslist dat ik van alle mensen het meest bofte. Terwijl ik echter van een materialistische levensstijl genoot, had ik toch altijd een onverklaarbaar leeg gevoel. Dit ging vooral op voor mijn niet-aflatende inspanningen om projecten binnen te halen: ik moest proberen bij de leiders van de betreffende departementen in de gunst te komen, trachten hun gedachten af te lezen aan hun lichaamstaal en altijd de juiste dosis onderdanigheid en vleierij aanwenden om te krijgen wat ik wilde, anders zou ik geen geld verdienen. Daar kwam nog bij dat ik te maken had met de intriges onder mijn collega’s, en met dat ze altijd waakzaam en berekend met elkaar omgingen. Ik pijnigde mijn hersens hier zelfs nog meer over … Ik voelde me hierdoor erg ontmoedigd en uiterst vermoeid. Het leek wel alsof ik een marionet was geworden, een geldmachine, en ik was mijn waardigheid en integriteit helemaal kwijt. Dit ging zo door tot 1999, toen ik het werk van Almachtige God accepteerde. De bevrijding die het kerkelijk leven me bracht, roerde me diep, net als de eenvoud en eerlijkheid van mijn broeders en zusters. Ik wilde heel graag dit kerkelijk leven leiden, met mijn broeders en zusters over Gods woord communiceren en met elkaar over onze persoonlijke ervaringen en kennis van Gods woorden praten. Ook koesterde ik deze periodes zeer. Naarmate ik Gods uitspraken verder bleef lezen en deel bleef nemen aan congregaties, begon ik veel waarheden te begrijpen en onderging mijn ziel een enorme bevrijding. Ik was vooral blij dat ik eindelijk de ware weg om te leven had gevonden, en waar geluk. Mijn hart was vervuld van dankbaarheid voor God: als God me niet had gered van de zee van lijden van de wereld zou ik nooit iets hebben gehad om naar uit te kijken in mijn leven. Later begon ik actief het evangelie te verspreiden en ging ik blij en onvermoeibaar om met die mensen die de ware weg onderzochten en maakte ik het ook voor hen mogelijk Gods stem te horen en de redding van Almachtige God te verkrijgen.

Maar in het atheïstische land China genieten burgers geen democratie of mensenrechten en krijgen vooral de mensen die in God geloven en God aanbidden te maken met onderdrukking en vervolging door de Chinese Communistische Partij. Vanwege mijn geloof in God werd ook ik opgepakt door de CCP-regering en moest haar wrede, onmenselijke martelingen ondergaan en ik leidde bijna twee jaar lang een hels leven in een gevangenis van de CCP … Toen ik deze moeilijke periode van mijn leven had doorgemaakt, zag ik duidelijk de demonische essentie van het verwoede verzet tegen God van de CCP-regering en haar afschuw van de waarheid en kreeg ik een zelfs nog diepere waardering voor het feit dat Gods woorden de waarheid zijn. Zijn woorden konden mijn leven zijn en zouden me de weg wijzen die voor me lag. Als ik geen kracht en vertrouwen had gekregen door de constante begeleiding van Gods woorden, dan zou ik vandaag onmogelijk nog in leven kunnen zijn. Ik zal me de genade van Gods redding de rest van mijn leven herinneren!

Het was de ochtend van 18 december 2005 en ik was midden in een bijeenkomst met mijn broeders en zusters. Opeens klonk er een uitbarsting van gewelddadig gebeuk op de deur. Voordat we tijd hadden om na te denken stormden er meer dan tien politieagenten naar binnen, ieder met een moorddadige blik in de ogen. Met de politie-eenheid die ze hadden gemobiliseerd leek het wel een scène uit een film waarin een bijzonder geduchte voortvluchtige gevangen wordt genomen. Zonder enige toelichting deden ze onze schoenen uit zodat we niet weg konden lopen, trokken onze riemen uit onze broeken en bonden ons de handen op de rug. Ze namen ons al onze persoonlijke bezittingen af, waaronder onze mobiele telefoons, horloges, contanten enzovoorts. Toen blaften de agenten ons toe dat we in een rij langs de muur moesten knielen en als iemand van ons traag in beweging kwam, duwden en schopten ze ons en dwongen ons naar de grond. Daarna doorzochten ze het hele huis grondig, keerden alle meubels omver en kamden het hele huis uit. Na een tijdje was het een enorme puinhoop. Toen ik dit alles zag, vroeg ik boos: “We hebben geen enkele wet overtreden, waarom arresteren jullie ons dan?” Tot mijn stomme verbazing kwam er een agent op me afgerend die me met één klap tegen de grond sloeg en tegen me schreeuwde: “We arresteren jullie die in God geloven! We kunnen pas weer fatsoenlijk slapen als we jullie tot de laatste man hebben opgerold!” Ik was met stomheid geslagen door deze woedeuitbarsting, maar ik was ook ontnuchterd: God was wat de CCP-regering het meest verafschuwde, hoe kon zij dan ons, gelovigen, laten gaan? Ik was zo blind en naïef geweest! Op dat moment begon ik stil tot God te bidden, ik smeekte Hem ons te beschermen zodat we van Hem konden getuigen en Hem niet zouden verraden. Niet lang daarna werd ik verhoord door de politieagent die ons bewaakte: “Wie heeft je opgedragen overal je religie te prediken? Wie is jullie leider?” Ik zei: “Wij verspreiden het evangelie volledig vrijwillig.” Hij vloekte: “Onzin! Probeer niet je overtreding te ontkennen, knul, of we zullen je snel eens wat laten zien!” Op dat moment hoorde ik een agente uit een andere kamer brullen: “Breng me een naald! Je probeert je gewoon voor me te verbergen …” Mijn hart klopte onmiddellijk in mijn keel, want ik realiseerde me op dat moment dat er een jonge zuster werd vermist. Ze had geprobeerd zich te verstoppen om niet door de politie gevangen genomen te worden, maar ze was ontdekt. De agente greep haar vast en stak haar met een naald onder haar nagels en in haar voetzolen en begon zelfs wild haar haren lok voor lok uit te trekken. Uiteindelijk lieten ze de inmiddels bewusteloze jonge zuster daar achter, namen ons allemaal in bewaring samen met al onze bezittingen die ze gestolen hadden en gingen er met hoge snelheid met ons vandoor.

Rond het middaguur had de politie ons in hechtenis genomen op het politiebureau, waar ze ons al snel apart begonnen te verhoren. De verantwoordelijke voor mijn ondervraging was een potige, sterke agent, en ik was de verhoorkamer nog niet binnen of hij riep al dat ik moest knielen. Ik zei: “Ik aanbid alleen God. Alleen de Heer van de hemel, de aarde en alle dingen, is het waard om voor te knielen. Ik weiger absoluut om voor jou te knielen!” Toen hij dat hoorde wees hij naar mij met zijn vinger en brulde: “Je moet weten dat in deze kamer zelfs de koning van de hel in de pas moet blijven! Wie denk je verdomme wel niet dat je bent? Als we jou niet een beetje laten lijden, weet je niet wie hier de baas is! En nu ga je op je verdomde knieën!” Terwijl hij dit gilde, schopte hij me tegen de grond. Toen begon hij me te verhoren: “Zeg eens eerlijk: jij bent toch de kerkleider? Waar bewaren jullie de boeken van de kerk?” Van de wijs gebracht wist ik niet hoe ik moest reageren, dus smeekte ik God telkens weer om me de wijsheid te schenken waarmee ik deze boosaardige politieagent kon bestrijden. Toen ik gebeden had, voelde ik meer kalmte en nieuwe kracht en ik dacht bij mezelf: Ik ga nog liever dood dan dat ik mijn broeders en zusters verraad. Ik kan God niet verraden! Dus zei ik tegen de agent: “Ik weet niets van al die dingen die je me vraagt. Wat wil je precies dat ik zeg?” Mijn woorden waren nog niet koud of de politieagent sloeg me hard tegen het hoofd en meteen daarna gaf hij me flink slaag met zijn vuisten en voeten. Ik kreeg er zo van langs dat ik sterretjes zag en dat mijn hoofd tolde en zo’n pijn deed dat het leek alsof mijn schedel was gebroken. Ik viel voorover op de grond. Daarna hield hij het notitieblok van het evangelie dat hij bij me had gevonden in zijn hand en dreigde: “Kijk dan, zie je dit? We hebben bewijs, dus het gaat je geen kloot helpen om te zwijgen. Zeg het maar gewoon! Jij bent de leider, toch? Als je dat niet was, zou je deze aantekeningen niet hebben!” Toen hij zag dat ik niet wilde praten, gooide hij het over een andere boeg. Hij spoorde me aan: “Wees toch niet zo koppig. Kom op, werk met ons mee. Vertel ons wat je weet en we laten je morgen gaan.” Precies op dat moment verlichtte God mij zodat ik me een passage van Zijn uitspraken herinnerde: “Als God en Satan in het spirituele rijk strijd voeren, hoe kun je God dan behagen en hoe kun je standhouden in je getuigenis van Hem? Je moet weten dat alles wat er met je gebeurt een grote beproeving is. Het zijn gelegenheden waarbij God wil dat je getuigt. Het lijkt van buitenaf niets bijzonders te zijn, maar deze dingen tonen wel aan of je al dan niet van God houdt. Als je van Hem houdt, ben je in staat om stand te houden in je getuigenis van Hem” (‘Alleen houden van God is werkelijk geloven in God’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Door Gods woorden zag ik duidelijk dat dit een gevecht van de spirituele wereld was. Ik mocht me niet door het bedrog van Satan laten meeslepen en moest absoluut getuigenis geven voor God. Ongeacht de hoeveelheid zogenaamde bewijzen die ze in handen hadden, mocht ik geen informatie over de kerk vrijgeven. Dit was het getuigenis van mijn liefde voor God en van de toewijding die ik voor God moest volhouden. Daarna bad ik en werd ik geleidelijk aan rustiger. Hoeveel hij me ook martelde, ik zei geen woord. Uiteindelijk was de kwaadaardige politieagent zo geërgerd dat hij de deur achter zich dichtsloeg en verdween.

Enige tijd later kwam er een politieagent binnen van in de dertig. Langzaam hielp hij me van de grond op te staan en in een stoel te gaan zitten. Hij gaf me zelfs een kom water en zei toen: “Hier, broeder, drink wat water. Je hebt geleden.” Ik schrok: wat gebeurde er? Hoe kon iemand op deze plek mij ‘broeder’ noemen? Voordat ik hier verder over na kon denken, ging hij door: “Broeder, tegenwoordig moeten we een beetje realistischer zijn en helemaal flexibel. Met zo iemand als jij, hebben ze geen andere keuze dan jou helemaal dood te slaan. Om eerlijk te zijn, ik geloofde vroeger ook in God, ik weet dus wel dat geloof hebben iets goeds is. Maar om er zoveel voor te lijden, en dan hebben we het nog niet over je leven op het spel zetten, dat is het gewoon niet waard! Als je veroordeeld wordt, is dat een smet op je hele familie. Ik neem aan dat je ouders allebei nog in leven zijn? Als je een paar jaren in de gevangenis doorbrengt, zijn ze er niet meer tegen de tijd dat je vrijkomt. Wat zullen je familieleden van je denken? ...” Ik was emotioneel meer aan mijn vader en moeder gehecht dan aan wie dan ook, dus ieder woord van deze man raakte me in mijn kern. Beelden van mijn bejaarde ouders schoten door mijn hoofd, en ik voelde plotseling een golf van duisternis en zwakte door me heen gaan. Ik dacht: het is waar. Als ik veroordeeld word tot een gevangenisstraf, wat moeten papa en mama dan? Wie zorgt er dan voor hen? …” Door die gedachte begonnen mijn tranen te stromen en ik kon ze niet tegenhouden. De agent greep zijn kans onmiddellijk en probeerde me verder te overreden en te verleiden: “Doe dan je best met hen samen te werken. Als je dat doet, word je morgen al vrijgelaten.” Toen ik die woorden hoorde schrok ik plotseling wakker, en deze onmiskenbare woorden schoten door mijn hoofd: je mag absoluut geen Judas zijn die God verraadt! Dat was op het nippertje! Deze sluwe politieagent was door Satan zelf gestuurd om mij te verleiden tot het verraden van God. Op dat moment leidden ook Gods woorden me: “Alleen met trouw kun je een tegenaanval inzetten tegen de sluwheid van de duivel” (‘Hoofdstuk 10’ van Gods woorden aan het hele universum in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Ik realiseerde me dat alles wat de agenten hadden gezegd listen van de duivel waren. Ze wilden misbruik maken van de emotionele banden van mijn vlees om mij tot verraad van God aan te zetten. Ik mocht absoluut niet voor dit bedrog van Satan vallen. Hierop bad ik stil tot God en geloofde dat Hij besloot over de zaken van mijn ouders en dat deze geheel in Zijn handen lagen. Ik vertrouwde hen aan Zijn grote macht toe en besloot van God te getuigen. Resoluut sprak ik tot de man: “Bedankt voor je goede bedoelingen, ik waardeer je vriendelijkheid. Ik weet echter niets over de zaken van de kerk.” Toen hij zag zat zijn list niet had gewerkt, liet deze boosaardige agent plotseling zijn ware aard zien door in woede uit te barsten. Hij wees met een vinger naar mij en brulde giftig: “Dan wacht hier maar tot je sterft!” en toen ging hij weg. Rond twee uur ’s middags kwamen er drie of vier politieagenten. Ze rukten me van mijn stoel en sleepten me bij mijn kraag naar de deuropening, waar ze me aan handboeien aan de dwarsbalk hingen. Ten slotte sneerden ze: “Hier, nu heb je alle tijd, ‘geniet’ ervan.” en gingen weg. Ik kon de vloer niet met beide voeten tegelijk raken. Als ik met de ene voet de vloer raakte, moest ik de andere optrekken. Door de bewegingen van mijn lichaam, sneden de handboeien in mijn vlees, het deed ondraaglijk pijn. Bijna een uur later kwamen ze terug, buikje rond en genoeg gedronken. Met een duister lachje vroegen ze me hoe ik me voelde. Door de pijn waren mijn katoenen broek en shirt al met zweet doordrenkt en toen ze me omlaag haalden waren mijn handen opgezwollen als broden en geheel gevoelloos. Deze boevenbende van agenten was echt gemeen en genadeloos. Ik haatte ze met heel mijn hart en had ook een helder inzicht gekregen in de slechtheid en wreedheid van de CCP-regering. Het was een bende demonen die zich tegen God verzetten en God haatten en ik begon deze boosaardige partij snel meer te haten.

Die avond, iets na zevenen, duwden de agenten mij en vier van mijn zusters in een politieauto om ons naar een andere locatie te brengen. Elk van mijn zusters zag bleek, kennelijk hadden zij ook overeenkomstige wreedheden ondergaan. We bemoedigden elkaar met betekenisvolle blikken vol vastberadenheid. Toen we in het huis van bewaring aankwamen, lieten de agenten mijn vier zusters uitstappen maar ik moest in de auto blijven en al snel reden we weer verder. Toen ik vroeg waar ze me naar toe brachten, zei een van de politieagenten met een samenzweerderig lachje: “Ook al heb je geen enkele informatie onthuld, we weten toch wel dat je geen kleine speler bent in de kerk. We wilden geen slechte gastheren zijn, dus nemen we je mee uit voor een ‘middernachtelijke hapje eten’. ...” Ik wist dat deze bende doortrapte agenten geen goede bedoelingen kon hebben en durfde mijn waakzaamheid geen moment te laten varen. Ik bleef in stilte God smeken om kracht en om me te behoeden voor verraad jegens Hem. Niet lang daarna werd ik meegenomen naar de Nationale Veiligheidsbrigade. Ik werd ontvangen door twee stevige bruten die me meenamen naar een verhoorkamer. De aanblik van alle martelwerktuigen die als stille, uitgehongerde tijgers over de vloer verspreid lagen, gaf me de rillingen. Precies op dat moment blafte een van de boosaardige politieagenten me toe: “Ik hoor dat jij behoorlijk koppig bent. Nou, we vinden het heerlijk om op oude, koppige botten zoals die van jou te kauwen!” Zijn woorden waren nog niet koud, of twee agenten stormden schreeuwend naar voren, grepen me bij de oren en trokken uit alle macht. In het zwakke licht zag ik twee kwaadaardige gezichten en mijn hart sloeg op hol. Op hetzelfde moment hoorde ik een andere agent gieren van het lachen: “Wat een pech voor jou dat onze wegen vandaag kruisen. Kom, dan beginnen we met je onder de douche te stoppen.” Terwijl hij dit zei hielden ze me vast op mijn plaats en trokken iedere draad van mijn kleding van mijn lijf. Ik stond daar poedelnaakt op de ijskoude vloer, trillend over mijn hele lichaam en met klapperende tanden. De agent trok een slang tevoorschijn, richtte die op mij en opende de kraan. Binnen een fractie van een seconde werd ik bewerkt door een stoot ijskoud water die me koud maakte tot op het bot. Het deed ondraaglijk pijn, alsof een mes mijn huid afpelde, het leek wel alsof het bloed dat door mijn hele lijf stroomde bevroor. Een moment later voelde ik niets meer. Terwijl ze me kletsnat maakten, bleven ze dreigementen op me afvuren: “Als je weet wat goed is voor je, dan begin maar eens snel te praten. Zo niet, dan maak je de zonsopgang morgen niet meer mee!” Ik dwong mezelf deze kwelling te verdragen, liet mijn hoofd hangen en zei niets. Een van de agenten knarste zijn tanden en zei dat hij me eens warm zou maken, wat inhield dat hij me ging elektrocuteren. Ik was inmiddels al zo gefolterd dat ik geen greintje kracht in me over had. Ik voelde de dood stap voor stap dichterbij komen en wanhopig deed ik een beroep op God: “God! Ik ben te onbelangrijk om iets voor u te kunnen doen, maar nu wil ik mijn dood gebruiken om Satan te vernederen. Ik vraag alleen maar dat u mijn hart beschermt, zodat het nooit bij u vandaan gaat en zodat ik u niet verraad.” De politieagenten wrikten met geweld mijn mond open en stopten er een natte doek in waarvan het andere einde met een elektrische snoer was verbonden. Eén kant van de draad werd aan mijn oor vastgemaakt en de agent die de schakelaar vasthield haalde hem toen over. Ik voelde plotseling hoe al het bloed in mijn lijf opwelde, en het leek wel alsof mijn hoofd op springen stond. Het was zo ondraaglijk dat het voelde alsof mijn ogen zouden ontploffen. Iedere zenuw in mijn lijf verkrampte en het voelde alsof ze zouden knappen. Toen deze roedel agenten me zo’n pijn zag lijden, gierden ze gewoon van het lachen. Een moment later verloor ik het bewustzijn. Niet lang daarna kreeg ik een emmer koud water over me heen om me wakker te maken. Toen ik bijkwam zat de doek nog steeds in mijn mond. Een agent gnuifde gemeen en vroeg: “Hoe smaakt dat? Als je iets wil zeggen, kun je knikken.” Toen herinnerde ik me een passage van Gods woorden: “Wanneer mensen bereid zijn om hun leven op te offeren, wordt alles een kleinigheid en kan niemand ze overmeesteren. Wat kan er belangrijker zijn dan het leven? Aldus kan Satan niets meer bewerkstelligen in de mensen, hij kan niets meer met de mens beginnen” (‘Hoofdstuk 36’ van Interpretaties van de mysteriën van Gods woorden aan het gehele universum in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). De woorden van God sterkten mij in mijn besluit ervoor te kiezen liever te getuigen dan voor Satan te buigen. Ik dacht: doe met me wat je wil. Tenslotte heb ik alleen dit ene leven, in het slechtste geval ga ik dood. Maar denk maar niet dat je ook maar één woord uit me krijgt!” Ik antwoordde de agent niet. Ik deed gewoon mijn ogen dicht en weigerde hem aan te kijken. Dit maakte de agent ziedend, en hij gaf me nog een stroomstoot, maar deze keer was de stroomsterkte nog hoger dan daarvoor. In stilte riep ik uit: “God! Red mij! Ik kan het niet meer verdragen!” Precies op dat moment verscheen er een levendig beeld voor mijn ogen van de kruisiging van de Heer Jezus: de woeste soldaten die een 15-centimeterlange nagel door de handpalm van de Heer sloegen, zijn huid doorboorden, zijn bot doorboorden … Door het lijden van de Heer Jezus deed mijn hart eindeloos pijn, en ongewild barstte ik in tranen uit. In mijn hart bad ik tot God: “God! U bent heilig, u bent zonder zonde. Maar om de mensheid redding te brengen heeft u zichzelf overgegeven aan die bruten en ze u aan het kruis laten nagelen en u tot de laatste druppel laten leegbloeden om ons mensen te verlossen. God, ik ben een uitermate verdorven persoon, een voorwerp dat vernietigd zou moeten worden. Ik heb uw redding aanvaard en ik ben zo fortuinlijk dat ik uw werk heb mogen meemaken, dus zou ik mezelf aan u moeten opofferen. God, ik weet zonder twijfel dat u naast mij staat, nu, op dit moment, en dat u mij bij mijn lijden gezelschap houdt. U hebt altijd van mij gehouden en energie in mij gestopt. Ik ben bereid alles wat ik heb en ben op te offeren om u te behagen, zodat u niet meer voor mij hoeft te lijden of u geen zorgen meer hoeft te maken over mij.” Precies op dat moment hielden de wrede agenten op met mij elektrische schokken toe te brengen. Ik zag dat God in mijn zwakte medelijden met mij had gehad en mijn hart liep over van dankbaarheid voor Hem! Daarna voelde ik geen pijn meer, ondanks het feit dat de agenten niet ophielden mij te pijnigen. In de wetenschap dat God me had beschermd en mijn lijden op zich had genomen, voelde ik me diep geraakt door Gods liefde en was ik voortdurend in tranen. Later kwam er een van de politieagenten binnen. Hij keek naar me en zei tegen de wrede agenten: “Zo is het genoeg. Jullie hebben hem bewusteloos geslagen en hij praat toch niet. Ik weet zeker dat hij niets weet.” Toen stopten ze pas met de martelingen. Ik wist dat dit allemaal onderdeel uitmaakte van Gods wonderbaarlijke orkestratie en regelingen: God had deze bende demonen niet toegestaan een einde te maken aan mijn leven, en had iemand in stelling gebracht om binnen te komen en hen te laten stoppen. Ik waardeerde Gods liefde oprecht.

Verslagen verhoorden de agenten me niet verder en rond middernacht namen ze me mee naar het huis van bewaring. Een bewaker leidde me naar een cel met meer dan dertig misdadigers en terwijl hij de deur openmaakte om me erin te laten, hoorde ik hem verraderlijk grinniken en de hoofdgevangene instrueren: “Strakjes, houd het verborgen; maak niet te veel lawaai.” De hoofdgevangene bekeek me meesmuilend van top tot teen en zei tegen de bewaker: “Maak je geen zorgen!” Voordat ik kon reageren betrok de uitdrukking van de hoofdgevangene en gaf hij de anderen met een lage, dreigende stem opdracht: “Net als altijd, broeders. Grijp hem!” Alle gevangen gingen rechtop zitten en keken naar me als tijgers naar hun prooi; er liep een rilling over mijn rug. Op het moment dat de hoofdgevangene met zijn hand zwaaide, omcirkelde ze me als een roedel gemene wolven. Ze hielden me op de grond, scheurden de kleren van mijn lijf en begonnen me uit alle macht met hun schoenzolen af te ranselen. Uiteindelijk hadden ze me zo hard geslagen dat ik bewusteloos was. De volgende ochtend om zes uur kwam ik pas weer bij. Ik merkte dat ik in een hoek was gelegd. Mijn hele lijf was zo opgezwollen dat ik geen kleren aankon. En zo heb ik zes dagen op een plank als bed gelegen, mijn hele lijf bont en blauw geslagen. Daar kwam nog bij dat de binnenkant van mijn mond zozeer was verbrand door de elektrische schokken van de wrede agenten dat al het weefsel afgestorven was, en ik had zo’n pijn dat ik geen hap door mijn keel kon krijgen. Uit angst dat ze in de problemen zouden komen als ik dood ging, stuurden de bewakers de andere gevangen beurtelings op me af om me groentesoep te voeren.

Toen mijn wonden enigszins waren genezen, werden de gevangen er door de agenten toe aangezet hun pesterijen en mishandelingen weer op te pakken. Iedere ochtend vroeg moest ik de gevangenisregels opzeggen en als ik het niet goed deed, sloegen ze me. Ze lieten me ook het poetswerk doen en de was voor de gevangen met geld. Zelfs bij het minste foutje werd ik geslagen en geschopt. Ze wisten dat ik in God geloofde, dus zeiden ze vaak expres een boel godslasterlijke dingen waar ik bij was, alleen maar om me op stang te jagen, en ook vernederden ze me, bijvoorbeeld: “Is het niet zo dat mensen die in God geloven geen pijn voelen als ze een pak slaag krijgen? En kun je niet werken zonder moe te worden? Het maakt jou niet uit hoeveel je lijdt, toch? …” Om me te kwellen, dwongen ze me het hurktoilet handmatig leeg te scheppen, wat zo smerig was dat ik wilde overgeven. Ze lieten me zelfs de tegelvloer met mijn tandenborstel schoonmaken en gooiden mijn gestoomde broodjes opzettelijk in het toilet. Als de bewaker kwam controleren of de cel schoon was, deed hij zijn schoenen uit en liep een rondje op witte sokken. Als hij vuil ontdekte op zijn sokken, kreeg ik een pak slaag. … Geconfronteerd met deze eindeloze marteling door agenten en gevangenen voelde ik me helemaal uitgeput en heel depressief. Ik begon het idee te krijgen dat ik beter kon sterven dan zo verder te leven. Terwijl in op het dieptepunt van mijn zwakte en lijden was, gaven Gods woorden me vertrouwen en de motivatie om te blijven leven. Ik herinnerde me dat Hij het volgende had gezegd: “Misschien herinneren jullie je allemaal deze woorden: ‘De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft.’ Vroeger hebben jullie dit allemaal horen zeggen, maar niemand begreep de ware betekenis van de woorden. Tegenwoordig kennen jullie de echte betekenis hiervan wel. Deze woorden beschrijven wat God in de laatste dagen tot stand zal brengen. En ze zullen worden volbracht in hen die geteisterd zijn door de grote rode draak in het land waar deze zich bevindt. De grote rode draak vervolgt God en is de vijand van God. In dit land zijn zij die in God geloven dus onderworpen aan vernedering en vervolging. Daarom worden deze woorden in jullie groep mensen de realiteit” (‘Is het werk van God zo eenvoudig als men denkt?’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden leerden mij dat het kunnen doorstaan van vernedering en marteling wegens mijn geloof een teken was dat God een uitzondering had gemaakt en mij had verheven – het was een grote eer voor mij! Ik was echter laf en zonder morele ruggengraat. Omdat ik wat fysieke pijn had geleden en een weinig vernederd was, had ik mijn vertrouwen in God verloren en was ik niet bereid te getuigen om Gods liefde door lijden te beantwoorden. God had zo’n moeizame prijs betaald om mij te redden, hoe kon ik hem dan op deze manier terugbetalen? Hoe kon ik zo tegen mijn geweten ingaan en zo negatief reageren? Dat kon niet! Ik zou absoluut geen karakterloze slappeling zijn, ik kon absoluut Gods naam niet te schande maken. Daarop bad ik haastig tot God: “God, ik dank u omdat u mij verlicht en me de betekenis van lijden laat begrijpen. Omwille van uw eer ben ik bereid allerhande lijden te verdragen. Ik wil u behagen, zelfs al betekent dat dat ik de rest van mijn leven in de gevangenis doorbreng. Ik vraag alleen maar of u bij mij wilt blijven, me wilt verlichten en de weg wilt wijzen en me in staat wilt stellen standvastig te zijn en een klinkende getuigenis van u af te leggen tijdens de kwelling door Satan.” Na het gebed voelde ik me weer helemaal verkwikt en had ik de moed die zware omgeving onder ogen te zien.

Een paar weken later kwamen de wrede agenten me weer verhoren en zeiden dat het nog niet te laat was voor mij om met hen samen te werken. Ze dreigden dat, als ik dat niet zou doen, alles in de komende dagen nog veel moeilijker voor me zou worden. Na een paar brute martelsessies, had ik hun demonische wezen allang doorzien en haatte ik hen door en door. Hoe ze me dus ook verleidden, dreigden en intimideerden, mijn geloof wankelde niet in het minste. Later begonnen ze me een keer per twee weken te verhoren, totdat ze me uiteindelijk, toen ze doorhadden dat ze echt geen informatie uit mee gingen krijgen, veroordeelden tot twee jaar heropvoeding door arbeid voor de misdrijven ‘het veroorzaken van openbare ordeverstoring’ en ‘deelname aan onwettige samenscholingen’.

Op 24 februari 2006 werd ik naar een werkkamp gestuurd. Vanwege mijn geloof in God was ik tot ‘politieke delinquent’ bestempeld en de gevangenisbewaarders wezen mij opzettelijk de zwaarste, meest uitputtende en meest gevaarlijke steenoven toe om mijn hervormingsarbeid in te verrichten. Het was mijn taak de bakstenen uit de ovens te halen. Daarbinnen was het minimaal driehonderd graden Celsius. ’s Ochtends was de temperatuur het laagst, maar nog altijd meer dan 100 graden. Ook al moesten we in dergelijke hoge temperaturen werken, toch kregen we geen hittebestendige werkkleding van de bewakers. Onze veiligheidshelmen smolten binnen twee minuten in de oven, en om niet te verbranden moesten we onze adem inhouden terwijl we zo snel we konden in en uit renden. Omdat we geen hittebestendige laarzen hadden, moesten we als we het ovengebied binnengingen, afwisselend op de ene en de andere voet staan. Als we niet voorzichtig waren kregen we blaren op onze voeten van de brandwonden. De nieuwe gevangen waren hier niet aan gewend. Als ze naar binnen gingen konden ze niet langer dan vijf seconden binnen blijven, dan moesten ze alweer naar buiten rennen. Daarom regelde de voorman van ons team dat iedere groepsleider gewapend was met een PVC-pijp gevuld met zand. Wie er dan naar buiten rende, werd met de pijp geslagen. Hoewel dit soort pijpen niet hard genoeg waren om botten te breken, veroorzaakten ze ernstige striemen op de huid. De gevangen gaven hun een bijnaam: ‘huidklappers’. Als we de oven binnengingen, durfden we niet te ademen, het leek wel alsof we vuur door onze neus inademden. Als we een paar bakstenen weg hadden gehaald, moesten we snel de kruiwagen naar buiten duwen. Als een van de banden klapte werden we niet alleen gestraft, maar werd er ook nog tijd aan onze straf toegevoegd, op het conto van ‘vernieling van productieapparatuur en verzet tegen hervorming’. Als gevangenen was het onze dagelijkse taak 115 kruiwagens te vullen met grote bakstenen en 95 met kleine bakstenen. In die hitte kon zo’n taak onmogelijk worden volbracht, maar de bewakers vroegen nooit waarom je het niet af had, ze vroegen alleen maar waarom je je vijandelijke gevoelens had tegenover arbeid. Omdat ik zo zweette door het werk in de hitte, liep ik uiteindelijk een zwaar kaliumgebrek op. Ik viel een paar keer bewusteloos neer op de grond, dus gooiden ze me op een muur van de oven om een paar minuten af te koelen. Als ik dan bijkwam, moest ik een glas zout water drinken en werd ik gedwongen weer aan het werk te gaan. Zo ontdekte ik voor het eerst wat het betekende om mijn grenzen te bereiken, wat ondragelijke ontberingen waren en hoe het voelde om dood te willen gaan in plaats van door te willen leven. Hier maakte het niemand uit of je leefde of doodging, de voorman bekommerde zich er alleen maar om of je groep zijn werk af had of niet. Als dat was gelukt, zei hij niets. Als dat niet was gelukt, zei hij ook niets, maar wees gewoon op de deur van de oven en ging weer. Dan riep de groepsleider alle mensen die hun werk niet af hadden naar voren om in het ovengebied te gaan staan en een pak slaag te krijgen. Als ze eenmaal op de grond vielen, verbrandden ze zo erg door de hete grond dat er blaren ontstonden over hun hele huid. Bovendien moesten ze nog twintig kruiwagens met bakstenen extra doen per dag en konden pas ophouden als ze om genade riepen. Nu ik met zo’n soort omgeving werd geconfronteerd, voelde ik me erg zwak; slechts een paar dagen marteling voelden als een tocht door de hel. In mijn hoofd leken twee jaren inderdaad een heel lange tijd. Ik wist niet hoe ik al die tijd vol moest houden, en ik maakte me zorgen dat ik doodgeslagen zou worden door de agenten of tot stervens zou verbranden in de extreme hitte. Hoe meer ik over mijn vooruitzichten nadacht, hoe meer ik het idee had dat ik in de val zat. Ik had het gevoel dat ik het echt niet meer uithield in deze demonische gevangenis – en dus overwoog ik te sterven. Vanaf dat moment zocht ik iedere dag mogelijkheden om ‘bevrijd’ te worden.

Op een dag deed mijn kans zich eindelijk voor. Juist toen er een vrachtwagen vol bakstenen wegreed, sprong ik er voorover onder. De wielen kwamen echter plotseling slechts een paar centimeter bij mij vandaan tot stilstand. Het bleek dat de vrachtwagen kapot was. Een paar gevangen trokken me eronder vandaan en de hoofdbewaker zei dat ik weigerde discipline te accepteren en mijn oude gewoonten niet wilde veranderen. Toen begon hij mij te straffen. Ze duwden een vonkende stroomstok onder de voorkant van mijn shirt, en het deed zo’n pijn dat ik wild stuiptrekkend op de grond viel. Daarna maakten ze mijn handen met handboeien vast achter een telefoonpaal en sloegen me genadeloos met stroomstokken. Na het eten moest ik een openbare kastijding ondergaan om mijn ideologie te heropvoeden en ‘recht te zetten’… Door dit eindeloze lijden en deze onophoudelijke kwelling voelde ik een extreme mate van angst, wanhoop en hulpeloosheid. Juist op het moment dat ik worstelde met de vraag hoe ik verder moest leven, kwam er een passage van Gods woorden in me op: “Ongeacht hoe God je loutert, je blijft vol vertrouwen en verliest nooit het vertrouwen in God. Je doet wat de mens zou moeten doen. Dit is wat God van de mens verlangt en het hart van de mens zou in staat moeten zijn volledig naar Hem terug te keren en zich op elk moment naar Hem toe te wenden. Dit is een overwinnaar. Degenen die door God worden aangeduid als overwinnaars zijn degenen die nog steeds in staat zijn om te getuigen, hun vertrouwen te bewaren en hun toewijding aan God te behouden wanneer ze onder invloed van Satan zijn en belegerd zijn door Satan, dat wil zeggen, wanneer ze binnen de krachten van de duisternis zijn. Als je nog steeds in staat bent om, ongeacht wat er ook gebeurt, een hart van zuiverheid en je oprechte liefde voor God te behouden, dan getuig je van God, en dit is waarnaar God verwijst als zijnde een overwinnaar” (‘Je moet je toewijding aan God in stand houden’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden brachten een lichtstraal en warmte in mijn hart, net toen ik het meest op het punt stond alle hoop te laten varen. Het was waar: uiteindelijk wilde God een groep overwinnaars maken die hun geloof in en toewijding aan Hem onder elke zware omstandigheid konden volhouden, naar Zijn woorden konden leven en ten slotte een sterke en weerklinkende getuigenis voor God konden geven voor het aangezicht van Satan. De reden dat Satan alle mogelijke manieren had gebruikt om mij te kwellen en te verwonden was dat hij mijn zwakte wilde misbruiken; hij viel me aan terwijl ik aan de grond zat en wilde me dwingen God te verraden. Maar ik kon geen symbool worden van Gods vernedering! Gods liefde voor mij was zo waarachtig en zo praktisch. Toen ik het zwakst was, en naar de dood verlangde, hield God nog steeds heimelijk de wacht over mij en hield me in leven. Hoe uitgeput ik ook was, Hij had nooit de minste bedoeling mij te verlaten. Zijn liefde voor mij was constant gebleven vanaf het begin, en Hij verlichtte mij nog steeds, leidde mij en hielp me de weg uit de pijn te vinden. Ik kon God absoluut niet teleurstellen of Zijn gevoelens kwetsen. Ik was dankbaar voor Gods begeleiding. Daardoor had ik opnieuw Satans listen kunnen doorzien en terug kunnen komen van de rand van de dood. Onwillekeurig begon ik een hymne te zingen: “Ik zal mijn liefde en trouw aan God geven en mijn missie voltooien om God te verheerlijken. Ik ben vastbesloten om standvastig te zijn in het getuigen van God en nooit toe te geven aan Satan. Ach, mijn hoofd mag dan misschien kapotgaan en er mag dan bloed vloeien, maar de moed van Gods volk kan niet verdwijnen. Gods vermaningen rusten op het hart. Ik neem me voor Satan de duivel te vernederen. Pijn en tegenspoed zijn voorbeschikt door God, ik zal vernedering verduren om trouw aan Hem te zijn. Ik zal nooit meer maken dat God tranen plengt of Zich zorgen maakt” (‘Ik wil de dag van Gods heerlijkheid zien’ in ‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’ ).

Toen ik me eenmaal had onderworpen, en bereid was geworden al het lijden te verdragen om God tevreden te stellen, opende God een weg voor mij: omdat de voorman analfabeet was, liet hij me zijn verslagen invullen en vanaf dat moment hoefde ik niet meer zoveel met bakstenen te slepen. Enige tijd later kwam er een oudere zuster van de kerk bij me op bezoek. Ze hield mijn hand in de hare en met tranen in haar ogen zei ze: “Kind, je hebt geleden. Je broeders en zusters maken zich enorme zorgen over je, en we bidden allemaal dagelijks voor je. Je moet sterk blijven, en niet voor Satan buigen. Je moet standvastig zijn en getuigenis geven voor God. We zitten allemaal te wachten tot je thuiskomt.” In deze harteloze, meedogenloze menselijke hel had ik, behalve de troostende woorden van God, geen warm woord van enige levende ziel vernomen. Ik ontleende enorme troost en bemoediging aan deze vriendelijke woorden van mijn broeders en zusters, woorden die ik lang geleden vaak had gehoord. Tot lang daarna voelde ik me door Gods liefde bemoedigd. Ik voelde me heel wat meer ontspannen en ik liep veerkrachtiger als ik aan het werk was. Van al mijn tijd in de gevangenis waren dit de dagen die het snelst voorbijgingen. Dit gold met name voor de laatste vier maanden. Ik stond altijd bovenaan in de lijst in de maandelijkse aankondiging van namen van gevangenen voor wie de straf verkort werd. In de maanden daarvoor had die lijst alleen uit namen van hoofdgevangenen en voormannen bestaan. Gevangen zonder geld of macht kwamen niet aan bod. Voor een christen zoals ik, die door de CCP-regering als ‘politieke delinquent’ was bestempeld, was het nog minder waarschijnlijk dat zo’n behandeling mij ten deel zou vallen. Daarom stonden de andere gevangen altijd om mij heen en vroegen: “Hoe heb je dat gedaan?” Iedere keer dat dat gebeurde, bedankte ik God in mijn hart, omdat ik wist dat dit het resultaat was van Zijn grote barmhartigheid voor mij. Het was Gods liefde die mij kracht had verleend.

Op 7 september 2009 werd ik vervroegd voorwaardelijk vrijgelaten. Niet lang daarna keerde ik terug naar de kerk en hernam ik het kerkelijk leven en voegde me weer bij hen die het evangelie verspreiden. Nadat ik deze periode van ontberingen had ondergaan, was ik vastbeslotener en volwassener dan voorheen en koesterde ik de kans om mijn plicht te vervullen nog meer. Omdat ik het ware gezicht van het verzet tegen God van de CCP-regering en haar wreedheid jegens de mensen had gezien, had ik een nog dieper besef van hoe waardevol Gods redding is. Als God niet in eigen persoon, geïncarneerd in het vlees, was gekomen om het werk te doen dat redding brengt aan de mensheid, dan zou iedereen die onder Satans domein leeft erdoor verwoest en opgeslokt zijn. Vanaf dat moment was mijn houding bij het vervullen van mijn plicht helemaal anders dan voorheen. Ik vond dat het werk van het evangelie verspreiden en de ziel van de mensen redden van het allergrootste belang was en ik wilde al mijn trouw en energie voor de rest van mijn leven besteden om nog meer mensen voor God te brengen. Ik wilde hen ook in staat stellen te ontwaken uit de sluier van verwarring en bedrog van deze atheïstische regering, om Gods voorziening van leven te aanvaarden en Gods redding te verkrijgen. Als ik terugkijk op die twee lange, lange jaren van gevangenschap, weet ik dat Satan tevergeefs heeft geprobeerd zijn tirannieke misbruik aan te wenden om mij te dwingen God te verraden. God heeft echter die akelige omgeving gebruikt om mijn geloof, trouw en onderwerping aan Hem te vergroten, waarbij Hij mijn gemengde gevoelens van liefde voor Hem zuiverde, en me te laten realiseren hoe wijs en almachtig God is, en een diepgaande waardering te krijgen voor het feit dat God de redding van de mensheid is, en dat Hij liefde is! Uit mijn hart welde een grenzeloze verering en lof voor God op!

De bijbelteksten zijn ontleend aan de Nieuwe Bijbelvertaling © 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap.

Vorige:Nu ik ontbering heb doorstaan, is mijn liefde voor God nog sterker

Volgende:Lijden en beproevingen – de zegeningen van begunstigd zijn

Gerelateerde media

  • Lijden en beproevingen – de zegeningen van begunstigd zijn

    Door Wang Gang, provincie Shandong Ik ben een boer en omdat mijn familie arm is moest ik altijd overal naar toe reizen om tijdelijke baantjes te vinde…

  • Door beproeving werd mijn liefde voor God aangewakkerd

    Omdat ik van nature een eerlijk persoon ben, werd ik altijd door anderen gekoeioneerd. Dientengevolge heb ik de kilheid van de wereld van de mens geproefd en voelde mijn leven leeg en betekenisloos. Nadat ik begon te geloven in Almachtige God, genoot ik, als gevolg van het leven van kerkelijk leven en het lezen van Gods woorden, een vastberadenheid en vreugde in mijn hart die ik voordien nooit had gevoeld.

  • Ontwaken te midden van lijden en zware omstandigheden

    – Een waargebeurd verhaal over de vervolging van een zeventienjarige christen Door Wang Tao, provincie Shandong Ik ben een christen in De Kerk van Alm…

  • Opstijgen door duistere onderdrukking heen

    Door Mo Zhijian, provincie Guangdong Ik ben geboren in een arme, afgelegen bergstreek waar we vele generaties lang wierook brandden en Boeddha vereerd…

  • Door beproeving werd mijn liefde voor God aangewakkerd

    Omdat ik van nature een eerlijk persoon ben, werd ik altijd door anderen gekoeioneerd. Dientengevolge heb ik de kilheid van de wereld van de mens geproefd en voelde mijn leven leeg en betekenisloos. Nadat ik begon te geloven in Almachtige God, genoot ik, als gevolg van het leven van kerkelijk leven en het lezen van Gods woorden, een vastberadenheid en vreugde in mijn hart die ik voordien nooit had gevoeld.