6. Nu ik ontbering heb doorstaan, is mijn liefde voor God nog sterker

Door Zhou Rui, provincie Jiangxi

Mijn naam is Zhou Rui en ik ben een christen in De Kerk van Almachtige God. Vanaf de tijd dat ik dingen begon te begrijpen, zag ik hoe mijn ouders van ’s ochtends tot ’s avonds hard werkten op het land om in hun onderhoud te voorzien. Ondanks hun aanzienlijke inspanningen, verdienden ze elk jaar maar heel weinig geld. Daarom leefde ons gezin altijd in grote armoede. Steeds als ik de machtige en invloedrijke mensen zag die het heel geriefelijk hadden zonder hard te hoeven werken, was ik jaloers. Daarom nam ik een vast besluit: als ik groot was, zou ik beslist een succesvolle carrière hebben, of bij de overheid werken om iets te doen aan de armoede en achterstand van mijn familie. Zo zouden ook mijn ouders het leven van rijke mensen kunnen leiden. Vele jaren ploeterde ik om dit ideaal te verwezenlijken, maar nooit kon ik krijgen wat ik wilde; ik bleef in armoede leven. Vaak zuchtte ik uit bezorgdheid omdat al mijn drukke pogingen geen aantoonbaar resultaat hadden gehad, en langzaamaan verloor ik mijn vertrouwen in het leven. Net toen ik de moed begon te verliezen en wanhoopte over het leven, kwam de redding van de laatste dagen van de hand van Almachtige God over me. Uit Zijn woorden haalde ik enkele waarheden en kwam ik te weten wat de diepste reden is van het lijden van de mens in de wereld. Ook begreep ik hoe mensen moesten leven om een leven vol betekenis en waarde te kunnen leiden. Vanaf dat moment, hoe verward en hulpeloos ik ook was geweest, vond ik mijn richting in het leven. Depressie en neerslachtigheid legde ik af, ik voelde me opnieuw vitaal en voelde dat ik weer toekomst had, en ik zag hoop in het leven. Later reisde ik van plek naar plek om vol energie Gods redding van de laatste dagen te verkondigen, zodat ook mensen die nog altijd leden en hulpeloos waren deze bijzonder zeldzame redding mochten verkrijgen. Ik had echter niet verwacht dat ik, tijdens het verspreiden van het evangelie, twee keer gevangengenomen zou worden door de Chinese overheid en wrede, onmenselijke foltering zou ondergaan … In deze donkere put van verschrikkingen verliet Almachtige God nooit mijn zijde. Zijn woorden gaven me geloof en kracht, waardoor ik steeds opnieuw zegevierde over Satans duistere machten, en mijn liefde voor God versterkt werd.

Het was een dag in juni 2003. Twee van mijn broeders en ik waren naar een dorp gegaan om het evangelie te verspreiden. Daar gaf een kwaadaardige persoon ons aan. Vijf of zes politiemannen in drie politieauto’s raceten op ons af en sloegen ons in de boeien zonder ook maar iets te vragen. Duwend en schoppend dwongen ze ons de auto’s in. We werden naar het Bureau voor Openbare Veiligheid gereden. In de auto was ik nauwelijks bang. Ik had altijd gevonden dat het verspreiden van het evangelie ten doel had om mensen redding te bieden en dat wij dus niets verkeerds hadden gedaan. Eenmaal op het bureau zou ik de situatie uitleggen en zou de politie ons laten gaan. Hoe had ik kunnen weten dat de politieagenten van de Chinese overheid wreder en barbaarser waren dan welke schurken of boosaardige tirannen ook? Op het bureau gaf de politie ons niet eens een kans om uitleg te geven: we werden elk naar een andere plek meegenomen en afzonderlijk ondervraagd. Zo gauw ik de verhoorkamer binnen was, bulderde een agent tegen me: “Het beleid van de Communistische Partij is: ‘Inschikkelijkheid voor wie bekent en strengheid voor wie zich verzet.’ Weet je dat?” Vervolgens vroeg hij naar mijn persoonsgegevens. Omdat mijn antwoorden hem niet bevielen, kwam er een andere agent naast me staan die bromde: “Bah. Je speelt niet mee. We zullen je een lesje moeten leren om te zien of je dan de waarheid zult zeggen.” Hij zwaaide met zijn hand en zei: “Breng een paar bakstenen, dan kunnen we hem straffen!” Zodra hij dit gezegd had, kwamen er twee agenten aan die een van mijn handen over mijn schouder naar beneden langs mijn rug trokken en de andere hand bruut omhoog draaiden. Vervolgens boeiden ze mijn handen met kracht aan elkaar vast. Onmiddellijk voelde ik ondraaglijke pijn, alsof mijn armen elk moment konden breken. Hoe zou iemand die zo zwak was als ik zulke pijniging kunnen verdragen? Een ogenblik later stortte ik neer op de vloer. Hierop trokken de kwaadaardige agenten de handboeien bruusk omhoog en schoven ze twee bakstenen tussen mijn handen en mijn rug. Een abrupte, scherpe pijn schoot regelrecht naar mijn hart, alsof duizenden mieren door mijn botten aan het knagen waren. Ik verging van de pijn en gebruikte alle kracht die ik nog had om God te smeken: “Almachtige God, red mij. Almachtige God, red mij …” Ik had op dat moment Gods redding van de laatste dagen nog maar zo’n drie maanden eerder aanvaard, had nog niet veel van Zijn woorden paraat en begreep nog maar een heel klein aantal waarheden. Maar ik smeekte aanhoudend, en God gaf me vertrouwen en kracht en deed een vaste overtuiging in me postvatten: ik moest getuigenis geven voor God en onder geen beding mocht ik me overgeven aan Satan! Ik zette me daarom schrap en weigerde totaal om nog een enkel woord te zeggen. De geagiteerde, geïrriteerde agenten pasten een andere slinkse truc toe om te proberen me eronder te krijgen. Ze plaatsten twee bakstenen op de grond en dwongen me om daarop te knielen. Tegelijkertijd trokken ze mijn handboeien hard omhoog. Onmiddellijk deden mijn armen zo ondraaglijk veel pijn, dat het voelde of ze gebroken waren. Ik bracht mezelf ertoe om een paar minuten geknield te blijven; toen viel ik weer op de vloer en bleef bewegingloos liggen. De agenten hesen me met geweld weer omhoog aan mijn boeien en dwongen me om opnieuw geknield te blijven zitten. Op deze manier martelden ze me steeds weer. Het was hartje zomer, dus ik leed niet alleen immense pijn, maar had het ook heet. Druppels zweet parelden onophoudelijk over mijn gezicht omlaag. Het viel me zo zwaar om het vol te houden, dat ik moeite had met ademhalen en bijna flauwviel. Maar deze bende kwaadaardige agenten schepte alleen maar plezier in mijn ongeluk. “Gaat het goed met je?” vroeg een van hen. “Als je blijft weigeren te praten, hebben we nog veel meer manieren om je aan te pakken!” Ik bleef zwijgen, waardoor ze kookten van frustratie. Ze zeiden: “Dus je hebt nog niet genoeg gehad? Opnieuw!” Na twee of drie uur van deze kwelling deed mijn hele lichaam zeer en had ik geen kracht meer over. Ik viel op de vloer, kon me niet bewegen en verloor zelfs alle controle over mijn blaas en darmen. Nu ik de wrede foltering van deze agenten onderging, haatte ik mezelf oprecht omdat ik voorheen zo blind en onwetend was geweest. Naïef genoeg had ik gedacht dat men bij het Bureau voor Openbare Veiligheid redelijk was, dat de politie het recht in acht zou nemen en me zou vrijlaten. Ik had nooit verwacht dat ze zo kwaadaardig en wreed zouden zijn om te proberen door foltering een bekentenis uit me te dwingen, zonder het geringste bewijs, dat ze me bijna dood zouden folteren. Ze zijn werkelijk uiterst kwaadaardig! Ik lag op de vloer alsof ik in stukjes was gebroken en kon me niet bewegen, al had ik het gewild. Ik wist niet wat voor foltering ze verder nog voor me in gedachten hadden, en hoe veel langer ik het nog zou kunnen volhouden. In mijn leed en hulpeloosheid kon ik alleen maar God doorlopend smeken om kracht, zodat ik het kon blijven volhouden. God hoorde mijn smeekbeden aan en had medelijden met me. Hij bracht me een van zijn uitspraken in herinnering: “Nu is het cruciale moment. Zorg dat je niet ontmoedigd of terneergeslagen bent. Je moet in alles vooruitkijken en niet terugkeren. […] Zolang er nog een ademtocht in je is, moet je tot het eind volhouden; alleen dat is het waard om geprezen te worden” (‘Hoofdstuk 20’ van Uitspraken van Christus aan het begin in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden gaven me enorm veel vertrouwen en kracht. Ze waren zo waar! Omdat ik over het pad van licht en rechtvaardigheid ging, moest ik het vertrouwen hebben om vol te houden; al moest ik mijn laatste adem uitblazen, ik moest volhouden tot het einde! Gods woorden zoemden van levenskracht. Ze gaven me het vertrouwen en de moed om deze kwade demonen tot het einde te bevechten. Langzaamaan keerde ook iets van mijn lichamelijke kracht terug. De politie bleef me verhoren, en trapte genadeloos op mijn voeten tot die vermorzeld en verbrijzeld waren. Maar ik voelde geen pijn meer. Ik wist dat dit kwam door Gods wonderbare daden. Hij had medelijden met me gehad en Zich bekommerd om mijn zwakte, en had daarom mijn leed verlicht. Later hield de politie ons vast wegens de aanklacht dat we ‘de openbare orde verstoorden’. Die nacht werden we elk aan een afzonderlijk blok cement van zo’n 150 kilo geboeid. Daar bleven we aan vast zitten tot de volgende avond. Toen werden we opnieuw naar het plaatselijke detentiecentrum vervoerd.

Het detentiecentrum binnengaan was alsof we in een soort hel gedumpt werden. De gevangenbewaarders dwongen me om gekleurde gloeilampjes aaneen te rijgen. In het begin moest ik er zesduizend per dag aaneenrijgen, maar op den duur nam het aantal elke dag toe, uiteindelijk tot twaalfduizend. Als gevolg van deze buitensporige dagelijkse werklast sleten mijn vingers tot op het bot – en nog altijd kon ik de klus niet geklaard krijgen. Ik had geen keuze en moest de lampjes de hele nacht blijven rijgen. Soms kon ik het echt niet aan en wilde ik even slapen, maar zodra men dat zag, werd ik hardvochtig afgeranseld. De bewaarders jutten zelfs de pestkoppen onder de gevangenen op door hardop te zeggen: “Als deze gedetineerden het werk niet af krijgen of niet goed doen, moeten jullie hun een paar ‘penicilline’-injecties geven.” Met een ‘penicilline’-injectie bedoelden ze een knietje in het kruis van een gevangene, een harde elleboogstoot in het midden van zijn rug als hij voorovergebogen stond van de pijn, en dan met de hak op zijn voet trappen. Door deze wrede methodiek vielen sommigen ter plekke flauw, en men kon er zelfs permanent verlamd van raken. In deze duivelse gevangenis moest ik elke dag zware arbeid verrichten, en daarbovenop wrede afranselingen incasseren. Daar kwam bij dat de drie maaltijden die we elke dag voorgezet kregen nog niet goed genoeg waren voor honden of varkens. De maaltijden bestonden uit niet op smaak gebracht radijsblad en waterspinazie (vaak met rotte bladen en wortels, zand en modder), zo’n 150 gram rijst en een kop water waarin de rijst gewassen was. De hele dag door had ik zo’n honger, dat mijn maag onophoudelijk knorde. In dit soort omgeving had ik alleen Almachtige God om op te vertrouwen. Steeds als ik geslagen werd, bad ik naarstig en smeekte ik God om vertrouwen en kracht, zodat ik Satans verleidingen kon weerstaan. Na meer dan twintig dagen geteisterd en gekweld te zijn, was mijn lichaam onherkenbaar vermagerd: ik had geen kracht in mijn armen en benen, kon niet rechtop staan en had niet eens de kracht om mijn armen uit te strekken. Desondanks waren de ontspoorde bewakers niet alleen onverschillig ten aanzien van mijn lot, maar verduisterden ze zelfs de paar honderd yuan die mijn familie me had gestuurd. In de loop van de tijd werd mijn lichamelijke toestand steeds erger. Ik werd zo zwak, dat ik in mezelf klaagde zonder het te kunnen helpen: waarom laten ze in dit land iemand die in God gelooft zo zwaar lijden? Is de reden waarom ik het evangelie verspreid dan niet dat ik mensen voor God wil brengen om Gods redding te ontvangen? En ik heb niet eens een misdaad gepleegd … Hoe meer ik hierover nadacht, hoe moeilijker het te dragen viel en hoe onrechtvaardiger ik me behandeld voelde. Ik kon alleen maar aanhoudend tot God bidden en Hem smeken om medelijden met me te hebben en me te redden. In al mijn ellende en hulpeloosheid bracht God een hymne van Zijn uitspraken in mijn herinnering: “[…] 2 Misschien herinneren jullie je allemaal deze woorden: ‘De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft.’ Deze woorden beschrijven wat God in de laatste dagen tot stand zal brengen. En ze zullen worden volbracht in hen die geteisterd zijn door de grote rode draak in het land waar deze zich bevindt. De grote rode draak vervolgt God en is de vijand van God. In dit land zijn zij die in God geloven dus onderworpen aan vernedering en vervolging. Daarom worden deze woorden in jullie groep mensen de realiteit. 3 Het is bijzonder zwaar voor God om Zijn werk te volbrengen in het land van de grote rode draak, maar het is door deze moeite dat God een fase van Zijn werk doet om Zijn wijsheid en wonderbaarlijke daden openbaar te maken. God grijpt deze gelegenheid aan om deze groep mensen compleet te maken. Vanwege het lijden van mensen, hun kaliber en de hele satanische gezindheid van mensen in dit onreine land doet God Zijn werk van zuivering en overwinning, zodat Hij hierdoor glorie verkrijgt en hen kan winnen die getuigen van Zijn daden. Dit is de volledige betekenis van alle offers die God heeft gebracht voor deze groep mensen” (‘Jullie zijn degenen die Gods erfdeel zullen ontvangen’ in ‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’). Gods woorden gaven me enorme troost en aanmoediging en lieten me Zijn wil begrijpen. Omdat we in God geloven in een atheïstisch land, is het ons lot om dwang en vervolging door de demon Satan te verdragen. Maar het is God die toestaat dat wij aan deze kwelling onderworpen worden; daarom is dit soort lijden waardevol en betekenisvol. Het is precies door middel van dit soort vervolging en lijden dat God de waarheid in ons plant, waarmee Hij ons geschikt maakt om Zijn belofte te dragen. Dit ‘lijden’ is Gods zegen, en God trouw te kunnen zijn onder dit lijden is een blijk van Gods overwinning over Satan. Ook is het een overtuigend bewijs dat ik door God gewonnen ben. Omdat ik God volg, overwoog ik, lijd ik vandaag onder zulke vervolging door de demonen van de Chinese Communistische Partij. Dit is God die mij een bijzondere gunst verleent, dus eigenlijk hoor ik me te onderwerpen aan Gods orkestratie, en deze blijmoedig ondergaan en aanvaarden met een standvastig, vredig gemoed. Nog een andere uitspraak van God, gedaan in het Tijdperk van Genade, kwam in mijn herinnering: “Gelukkig wie vanwege de ​gerechtigheid​ vervolgd worden, want voor hen is het ​koninkrijk van de hemel” (Matteüs 5:10). Op dat moment had ik zelfs nog meer vertrouwen en kracht. Hoezeer Satan en zijn demonen me ook zouden kunnen folteren, ik was vastberaden om niet aan hen toe te geven en ik zwoer dat ik zou getuigen en God tevreden zou stellen! Gods woorden, die gezag en kracht hadden, hadden een einde gemaakt aan de desolaatheid en hulpeloosheid die ik had gevoeld. Ze hadden verlichting gebracht van de verwoestende lichamelijke kwelling waaraan ik was onderworpen. Ze lieten me het licht in de duisternis zien, en mijn geest werd sterker en onverzettelijker.

Later, hoewel men geen enkel bewijs had, veroordeelde de Chinese overheid me tot een jaar heropvoeding door arbeid. De politie vervoerde me naar het werkkamp, waar de gevangenbewaarders zagen dat ik uitgemergeld was en er nauwelijks nog als een mens uitzag. Omdat ze bang waren dat ik zou sterven, durfden ze me niet toe te laten, dus moest de politie me wel mee terug nemen naar het detentiecentrum. Inmiddels had de politie me zozeer gefolterd, dat ik niet kon eten. Maar niet alleen gaven ze me geen medische verzorging, ze zeiden zelfs dat ik deed alsof. Toen bleek dat ik geen eten kon doorslikken, lieten ze iemand mijn mond openwrikken en goten ze het eten onder dwang naar binnen. Omdat ik moeite had met slikken, sloegen ze me. In totaal werd ik drie keer onder dwang gevoerd en geslagen als een voddenpop. Toen ze geen eten meer bij me naar binnen konden gieten, moesten ze me wel naar het ziekenhuis brengen. Uit onderzoek bleek dat mijn aderen verhard waren; mijn bloed was een zwarte brij geworden en kon niet goed doorstromen. De dokter zei: “Als deze man nog langer wordt vastgehouden, is het zeker dat hij sterft.” En toch wilde de haatdragende, kwaadaardige politie me nog altijd niet laten gaan. Later, toen mijn leven aan een zijden draadje hing, zeiden de andere gevangenen dat er geen hoop meer voor me was en dat ik er gegarandeerd geweest was. Inmiddels leed ik extreme pijn. Ik voelde dat, omdat ik zo jong was en nog maar kort geleden Gods werk van de laatste dagen had aanvaard, er nog zo veel voor me was om van te genieten, en ik de dag van Gods glorie nog niet had meegemaakt. Ik had er beslist nog niet in berust dat de Chinese overheid me dood zou martelen. Ik had een volslagen verachting voor deze bende totaal harteloze, kwaadaardige agenten, en nog meer haatte ik dit perverse, hemeltergende, boosaardige, satanische regime, ofwel de Chinese overheid. Het was de overheid die me had beroofd van mijn vrijheid om de ware God te volgen, de overheid die me naar het randje van de dood had gebracht en me niet toestond de ware God te aanbidden. De Communistische Partij verzet zich verwoed tegen God, vervolgt christenen op een wrede manier, wil iedereen die in God gelooft uitroeien en wil van China een goddeloos gebied maken. Deze boze demon Satan is waarlijk de vijand die zich onverzoenlijk tegen God verzet, en bovendien: het is de vijand die ik nooit kan vergeven. Ik nam me voor dat ik, zelfs als ik die dag nog zou worden doodgemarteld, absoluut niet zou inschikken en absoluut niet zou toegeven aan Satan! In mijn verdriet en verbolgenheid moest ik denken aan iets wat God had gezegd: “Duizenden jaren van haat zijn samengebundeld in het hart, duizenden jaren van zonde zijn in het hart gegrift – hoe zou dit geen walging kunnen opwekken? Wreek God, schakel Zijn vijand compleet uit, laat hem niet langer om zich heen grijpen en laat hem geen moeilijkheden meer veroorzaken zoveel hij maar wil! Dit is de tijd: de mens heeft reeds lang geleden al zijn kracht verzameld, hij heeft hiervoor al zijn inzet toegewijd, elke prijs betaald, om het afschrikwekkende gezicht van deze demon af te rukken en mensen, die verblind zijn en allerlei leed en moeilijkheden hebben doorstaan, boven hun pijn uit te laten stijgen en deze boze oude duivel de rug toe te laten keren” (‘Werk en intrede (8)’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Toen ik over Gods woorden had nagedacht, zag ik nog duidelijker het kwade, valse, demonische gelaat van de Chinese overheid en begreep ik dat ik op dat precieze moment verwikkeld was in een spirituele strijd tussen leven en dood, tussen goed en kwaad. De Chinese overheid sloopte me op deze manier om me te dwingen God te verzaken en Hem te verraden. Maar God had me aangemaand en aangemoedigd om me sterk te houden, me te onttrekken aan de greep van de dood en een zegerijke getuigenis te geven voor God. Ik mocht mezelf niet terugtrekken in negativiteit; ik moest ijverig met God meewerken en me schikken naar Zijn orkestraties en regelingen. Net als Petrus moest ik me schikken tot aan de dood en, op het laatste moment van mijn leven, een krachtige, klinkende getuigenis geven voor God en Zijn hart bemoedigen. Mijn leven lag in Gods handen, en hoewel Satan mijn fysieke lichaam kon verwonden en slachten, kon hij mijn ziel niet vernietigen, laat staan dat hij ook maar iets kon doen om mijn vastberaden geloof in God en streven naar de waarheid te verhinderen. Of ik deze dag zou overleven of niet, mijn enige wens was om mijn leven aan God toe te vertrouwen en Zijn orkestraties te aanvaarden. Al zou ik worden verminkt tot de dood erop volgde, ik zou me beslist niet overgeven aan Satan! Toen ik bereid was mijn leven op te offeren en ik me voornam om van God te getuigen, zorgde God voor een uitweg voor me: Hij bewoog de andere gedetineerden om me te voeden. Dat vervulde me van vreugde: diep van binnen wist ik dat God aan mijn zijde stond en altijd bij me was geweest. De hele tijd had Hij over me gewaakt en me beschermd; had Hij medelijden gehad met mijn zwakte en zorgvuldig alles voor me geregeld. In dat duistere duivelshol voelde ik, hoewel mijn lichaam geteisterd was, niet langer zo veel pijn en nood. Hierna hield de politie me nog vijftien dagen vast, maar omdat mijn leven aan een zijden draadje hing en ik op ieder moment kon sterven, moesten ze me uiteindelijk wel vrijlaten. In het begin had ik meer dan 50 kilo gewogen, maar gedurende de bijna twee maanden van opsluiting was ik gefolterd tot ik vel over been was, nog maar 25 of 30 kilo woog, en op sterven na dood was. En nog altijd wilde deze horde monsters me een boete van tienduizend yuan geven. Omdat mijn familie geen enkele kans zag om zo’n hoog bedrag te betalen, eisten ze uiteindelijk zeshonderd yuan als vergoeding voor het eten dat ze me hadden gegeven. Pas toen dat was betaald, lieten ze me gaan.

Nu ik deze onmenselijke foltering en wrede behandeling door de Chinese overheid had ondergaan, voelde ik me daardoor alsof ik ternauwernood was ontsnapt aan de poorten van de hel. Dat ik levend naar buiten had kunnen lopen, had ik volledig te danken aan Gods zorg en bescherming; dit was God die me Zijn grote redding toonde. Denkend aan Gods liefde was ik nog sterker geroerd en groeide mijn waardering voor de kostbaarheid van Gods woorden nog verder. In het vervolg las ik elke dag gretig Zijn uitspraken en bad ik veelvuldig tot Hem. Gaandeweg kreeg ik een steeds beter begrip van het werk dat God aan het uitvoeren was om de mensheid in de laatste dagen te redden. Door de zorg van God begon mijn lichaam zich na enige tijd geleidelijk te herstellen. Opnieuw begon ik het evangelie te verspreiden en te getuigen van Gods werk van de laatste dagen. Maar zolang het satanische regime overeind blijft, zal het nooit ophouden met zijn pogingen Gods werk te verstoren en vernietigen. Later werd ik opnieuw verwoed nagezeten en gearresteerd door de politie van de Chinese overheid.

Op een dag in november 2004 blies de winterse wind met bittere koude en dwarrelden er dikke sneeuwvlokken door de lucht. Terwijl we het evangelie verspreidden, werden enkele van mijn broeders en zusters en ik in het geheim gevolgd door de CCP-politie. Om acht uur die avond zaten we middenin een vergadering toen er plotseling druk op de deur gebonsd werd. Van achter de deur werd geroepen: “Opendoen! Doe open die deur! Dit is het Bureau voor Openbare Veiligheid! Als jullie deze deur niet onmiddellijk opendoen, trappen we hem in! …” Zonder tijd te hebben om na te denken, verstopten we gehaast alle vcd-spelers, boeken en andere materialen. Een ogenblik later kwamen er vijf of zes politiemannen binnenstormen als een troep bandieten of rovers. Een van hen brulde: “Geen beweging! De handen op jullie hoofden, en hurken langs de muur!” Onmiddellijk snelden een aantal agenten elke kamer binnen en haalden alles overhoop. Ze namen vier draagbare vcd-spelers in beslag, en een aantal boeken over geloof in God. Meteen daarna werden we de politieauto’s in gedwongen en naar het plaatselijke politiebureau gereden. Op weg ernaartoe flitste door mijn geheugen de ene na de andere scène van gruwelijke foltering waar de politie me het jaar daarvoor aan had onderworpen. Onvermijdelijk voelde ik me behoorlijk nerveus, want ik wist niet wat deze duivelse agenten deze keer zouden kunnen doen om me te kwellen. Ik was bang dat ik hun wreedheid niet zou aankunnen en uiteindelijk misschien wel iets zou doen om God te verraden, en dus bad ik in stilte vurig tot Hem. Plotseling herinnerde ik me enkele van Gods woorden die we een paar dagen eerder tijdens een samenkomst hadden gelezen: “Ik ben vol hoop voor mijn broeders en zusters en ik geloof dat jullie niet ontmoedigd raken en dat jullie ongeacht wat God doet als een brandend vuur zijn – jullie zijn nooit lauw en kunnen volhouden tot het einde, totdat Gods werk volledig geopenbaard wordt […]” (‘Het pad … (8)’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). “Laat ons allemaal deze eed zweren voor God: “Om eensgezind te werken! Toewijding tot het einde! Nooit scheiden, om altijd bij elkaar te blijven!” Mogen mijn broeders en zusters deze vastberadenheid voor God plaatsen zodat onze harten niet afwijken en onze wil standvastig is!” (‘Het pad … (5)’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden schokten me in mijn diepste wezen. Ik bedacht hoe God van de hemel naar de aarde was afgedaald en in Zijn werk zo veel beproevingen had ondergaan om de mensheid redding te brengen. Hij hoopt dat mensen tot het einde onverminderd loyaal aan Hem zullen zijn, hoe zwaar hun omstandigheden ook zijn. Als iemand die door God verkozen was en die de voorziening van Zijn uitspraken had genoten, was het mijn verantwoordelijkheid om mezelf volledig aan Hem op te offeren. Hoezeer ik misschien ook zal lijden of gekweld zal worden, dacht ik: mijn hart moet vol vertrouwen blijven; mijn gevoelens voor God mogen niet veranderen en mijn wil mag niet wankel worden. Ik moet een klinkende getuigenis van God geven en mag me absoluut niet overgeven aan Satan, ik mag absoluut niet voor Satan buigen. Daarenboven mag ik God niet verraden alleen maar om mezelf door een betekenisloos, oneervol bestaan te kunnen blijven slepen. God is Degene op Wie ik vertrouw en meer dan dat, Hij is mijn onwrikbare steunpilaar. Zo lang ik oprecht meewerk met God, zal Hij me naar een zekere overwinning over Satan leiden. En zo nam ik me in stilte tegenover God voor: “O, God! Al moet ik mijn leven opofferen, ik zal van u getuigen. Wat voor leed ik ook moet lijden, ik zal op het ware pad blijven. Ik weiger absoluut om me gewonnen te geven aan Satan!” Gesterkt door de woorden van God, bloeide mijn geloof uitbundig, en vond ik het vertrouwen en de vastberadenheid om alles op te offeren om van God te getuigen.

Zodra we bij het politiebureau aankwamen, haastten de agenten zich naar de kachel om zich te verwarmen. Allemaal keken ze woest naar mij, en fronsend en met laaiende ogen zeiden ze bars: “Doe je mond open! Hoe heet je? Onder hoeveel mensen heb je het evangelie verspreid? Met wie heb je contact gehad? Wie is de leider van jullie kerk?” Omdat ik vastberaden was om niets te zeggen, onthulde een van de agenten zijn brute natuur door op me af te stormen en me krachtig in mijn nek te grijpen. Vervolgens sloeg hij mijn hoofd tegen de muur, steeds weer, tot ik duizelig was en mijn oren suisden. Hij hief zijn vuist op en sloeg er wild mee in mijn gezicht en op mijn hoofd. Ondertussen schreeuwde hij: “Jij bent verdomme de leider, of niet soms? Praat! Als je niet praat, hang ik je aan het dak van het gebouw en laat ik je doodvriezen!” Wel een half uur of langer werd ik hevig geslagen door de agenten, tot ik sterretjes zag en er bloed uit mijn neus stroomde. Omdat ze niet de antwoorden kregen die ze wilden, namen ze me mee naar het Bureau voor Openbare Veiligheid. Op weg daarnaartoe dacht ik over de krankzinnige afranseling die de agenten me zojuist hadden gegeven, en onwillekeurig trok er een golf van angst door me heen. Ik dacht: als ze me direct bij aankomst op het plaatselijke politiebureau al zo hardhandig aangepakt hebben, op wat voor wrede manieren zullen ze me bij het Bureau voor Openbare Veiligheid dan wel martelen? Het ziet er niet best voor me uit. Deze keer breng ik het er misschien niet levend af … Terwijl ik dit overdacht, werd mijn hart vervuld van een onbeschrijfelijk gevoel van wanhoop en verdriet. Te midden van mijn kwelling en hulpeloosheid herinnerde ik me plotseling dat God me het jaar daarvoor op wonderlijke wijze had laten overleven toen de politie me met foltering tot het randje van de dood had gebracht. Onmiddellijk werd ik opgewekter. Ik dacht: of ik leef of sterf, ligt in Gods handen, is het niet? Zonder toestemming van God zal Satan er niet in slagen me te doden, wat hij ook probeert. In het verleden heb ik Gods wonderbare daden gezien; hoe heb ik die kunnen vergeten? Hoe kon ik zo’n gebrek aan vertrouwen hebben? Op dat moment zag ik in dat mijn gestalte nog te onvolgroeid was – geconfronteerd met de beproeving van de op handen zijnde dood, was ik nog altijd niet in staat om aan Gods zijde te staan. Een van Gods uitspraken kwam automatisch in me op: “Als je in je gedachten leeft word je meegenomen door Satan en loopt de weg dood. Het is nu heel eenvoudig: kijk met je hart naar mij en je geest zal onmiddellijk sterk worden, je zult een weg hebben om in praktijk te brengen en ik zal elke stap van je leiden. Mijn woord zal op elk moment en in elke plaats aan je geopenbaard worden. Het maakt niet uit waar of wanneer, of hoe vijandig de omgeving is, ik zal het je duidelijk tonen en mijn hart zal aan jou geopenbaard worden als je met je hart naar mij kijkt. Op deze manier zul je over de weg die voor je ligt kunnen rennen en nooit verdwalen” (‘Hoofdstuk 13’ van Uitspraken van Christus aan het begin in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden waren een baken dat de weg wees en mij de dingen steeds helderder deed zien. Ik begreep dat God deze zware omgeving wilde gebruiken om me te zuiveren, zodat ik in tijden van crisis mijn noties en inbeeldingen en mijn zorgen over mijn vlees zou laten varen, en voortaan alleen op God en Zijn woorden zou vertrouwen. Dit was een beslissend moment waarop God me Zijn werk liet ervaren, en ik wist dat ik beslist niet mocht terugdeinzen. Ik moest mijn leven en dood volledig in Gods handen leggen, en op God vertrouwen in mijn strijd tot het bittere einde tegen Satan!

Aangekomen op het Bureau voor Openbare Veiligheid, werden we opnieuw door de politie uit elkaar gehaald en elk afzonderlijk verhoord. Aanhoudend probeerden ze me te dwingen hen te vertellen over zaken die te maken hadden met mijn geloof in God. Omdat ik erop stond mijn lippen op elkaar te houden, ontstak een van de agenten in woede: “Je denkt echt dat je ermee weg komt als je geen woord zegt. Daar heb ik het geduld niet voor!” Terwijl hij dat zei, greep hij me met beide handen bij de kraag vast en smeet me tegen de vloer als een zandzak. Daarop kwamen de andere agenten naar voren stuiven en begonnen me overal te trappen en op me te stampen, tot ik heen en weer rolde van de pijn. Vervolgens plaatsten ze hun voeten op mijn hoofd en zetten er flinke druk op, waarbij ze draaiende bewegingen maakten … Ik was nog steeds niet helemaal hersteld van de brute foltering die ik een jaar eerder had ondergaan. Nu ik weer zo wreed werd geslagen, voelde ik me daarom plotseling duizelig en misselijk. Van kop tot teen in extreme pijn rolde ik me op tot een bal. De agenten rukten vervolgens mijn schoenen en sokken uit en dwongen me om op blote voeten op de vloer te staan. Het was zo ijzig koud dat ik begon te klappertanden zonder het te kunnen helpen. Uit beide voeten trok alle gevoel weg. Ik voelde dat ik het niet langer kon volhouden en dat ik elk moment op de vloer zou storten. Toen ik te maken kreeg met de wrede martelingen door deze slechte agenten werd ik vervuld van een laaiende woede en verontwaardiging. Ik verachtte deze uiterst boosaardige trawanten van de duivel, en verafschuwde de lage, reactionaire Chinese overheid. Ze keert zich tegen de Hemel en is de vijand van God, en om me te dwingen God te verraden en af te wijzen, teisterde en folterde ze me, met het vaste voornemen om me ter dood te brengen. Geconfronteerd met de valsheid en wreedheid van Satan, dacht ik zelfs nog meer over Gods liefde. Ik concentreerde me op het feit dat om de mensheid redding te brengen, en om ons toekomstige bestaan veilig te stellen, Hij extreme vernedering had verduurd toen Hij in eigen persoon in ons midden liep om Zijn werk te doen. Hij had Zijn leven voor ons gegeven en drukte nu geduldig en oprecht Zijn woorden uit om ons over het pad van navolging van de waarheid te leiden, zodat we gered mogen worden … Toen ik keek naar het totaalplaatje van de moeizame prijs die God had betaald voor de redding van de mensheid, voelde ik dat niemand me meer liefhad dan God; meer dan wie dan ook koesterde God mijn leven. Satan kon me alleen maar verwonden, of verzwelgen en doden. Op dat moment bloeide er nog meer genegenheid voor en aanbidding van God in mijn hart op, en automatisch bad ik in stilte tot Hem: “God, dank u dat u me op deze manier leidt en redt. Hoezeer Satan me vandaag ook foltert, ik zal absoluut mijn uiterste best doen om met u samen te werken. Ik zweer dat ik niet aan de duivel zal toegeven of me aan hem zal overleveren!” Al was mijn fysieke lichaam zwak en krachteloos door de foltering, mijn hart was ferm en sterk dankzij de aanmoediging van Gods liefde, en niet één keer gaf ik me gewonnen tegenover deze slechte agenten. Ze bleven me folteren tot de volgende ochtend om één uur. Toen ze zagen dat ze echt geen antwoorden uit me zouden krijgen, moesten ze me wel naar het detentiecentrum brengen.

Toen ik in het detentiecentrum was gearriveerd, jutte de politie opnieuw de pestkoppen in de gevangenis op om me te straffen op elke manier die ze maar konden bedenken. Op dat moment was ik al zozeer gemarteld, dat mijn hele lichaam onder de sneden en blauwe plekken zat. Ik was helemaal slap, en zodra ik mijn cel binnenging, viel ik omver en smakte ik tegen de ijskoude vloer. Toen ze me zo zagen, haalden de pestkoppen me, zonder een woord te zeggen, overeind en sloegen ze met hun vuisten tegen mijn hoofd. Ze sloegen me tot mijn hoofd tolde, en opnieuw viel ik met een smak tegen de vloer. Nu kwamen alle gevangenen me pesten. Ze dwongen me om één hand tegen de vloer te drukken en de andere op mijn oor. Vervolgens moest ik in cirkels over de vloer rondgaan als een kompas. Ik was nog maar een paar keer rondgedraaid toen ik duizelig op de vloer viel. Opnieuw schopten en sloegen ze me. Een van de gevangenen stompte er zelfs op los tegen mijn maag, waardoor ik ter plekke het bewustzijn verloor. Daarna kregen de gevangenen opdracht van de gevangenbewaarders om me elke dag op een andere manier te folteren en misbruiken, en om me alle dagelijkse vuile klusjes te laten doen zoals alle borden afwassen, de toiletten schoonmaken enzovoorts. Ik werd zelfs gedwongen om een koude douche te nemen op dagen waarop het sneeuwde. Ook dwongen ze me allemaal, elke keer als ik me douchte, om me van kop tot teen in te smeren met zeep en dan het ijskoude water langzaam over mijn hele lichaam te laten stromen. Na bijna een half uur onder de douche had ik het zo koud dat ik helemaal paars zag en rilde. Onder deze onmenselijke foltering en wreedheid bad ik continu tot God. Ik was doodsbang dat ik, als ik God verliet, volledig een gevangene van Satan zou worden. Door het gebed klonken Gods woorden aanhoudend in me door en wezen me de weg: “Degenen die door God worden aangeduid als overwinnaars zijn degenen die nog steeds in staat zijn om te getuigen, hun vertrouwen te bewaren en hun toewijding aan God te behouden wanneer ze onder invloed van Satan zijn en belegerd zijn door Satan, dat wil zeggen, wanneer ze binnen de krachten van de duisternis zijn. Als je nog steeds in staat bent om, ongeacht wat er ook gebeurt, een hart van zuiverheid en je oprechte liefde voor God te behouden, dan getuig je van God, en dit is waarnaar God verwijst als zijnde een overwinnaar” (‘Je moet je toewijding aan God in stand houden’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden waren een licht dat mijn gedachten illumineerde en kalmeerde. Ik wist dat ik, juist nu ik door Satan werd belegerd, God trouw moest zijn en lief moest hebben. Al had deze beroerde omgeving mijn fysieke lichaam leed en kwelling gebracht, Gods enorme liefde en zegeningen gingen erachter schuil. Het was God die me een kans had gegeven om van Hem te getuigen tegenover Satan en om Satan grondig te schande te zetten en te verslaan. Daarom waarschuwde ik mezelf steeds weer, terwijl ik dit leed onderging, dat ik tot het einde toe geduld moest hebben, van God moest getuigen door in dit donkere hol van demonen op Zijn begeleiding te vertrouwen, en moest proberen een overwinnaar te zijn. Mijn hart, geleid door Gods woorden, werd vastberaden en sterk. Ondanks de zwakte en kwelling waar mijn fysieke lichaam onder gebukt ging, had ik vertrouwen dat ik het allemaal kon verdragen, zodat ik een gevecht op leven en dood kon aanbinden met Satan en met mijn laatste adem van God kon getuigen.

Toen ik al langer dan twintig dagen had vastgezeten, werd ik plotseling zwaar verkouden. Alle vier ledematen werden pijnlijk en slap, alle kracht vloeide uit me en mijn gedachten werden onscherp. In mijn verslechterende toestand en onder de onophoudelijke afranselingen en foltering door de andere gevangenen, voelde ik dat ik niet in staat was om het nog langer vol te houden. In mijn hart voelde ik me bijzonder zwak en terneergeslagen. Ik dacht: wanneer komt er een eind aan deze dagelijkse foltering en wreedheid? Het lijkt erop dat ik deze keer veroordeeld zal worden, dus er is niet veel hoop dat ik hier nog levend vandaan kom … Zodra ik dat had gedacht, voelde mijn hart plotseling alsof het in een bodemloze afgrond was gevallen. Ik zonk weg in zulke diepe wanhoop en pijn dat ik geen uitweg meer vond. In mijn wanhopigste momenten dacht ik terug aan een hymne van Gods woorden: “Gods wens is niet dat je in staat zult zijn veel ontroerende woorden te spreken, of veel opwindende verhalen te vertellen; ik heb liever dat je in staat bent een goede getuigenis over mij af te leggen en dat je volledig en diep de werkelijkheid kunt betreden. […] Denk niet meer aan jullie eigen vooruitzichten, en handel naar wat jullie ten overstaan van mij besloten hebben: dat allen aan de orkestratie van God overgeleverd moeten zijn. Al degenen die in mijn huishouden staan moeten zoveel doen als ze kunnen; je moet het beste van jezelf opofferen aan het laatste gedeelte van mijn werk op aarde. Ben je werkelijk bereid zulke dingen in praktijk te brengen?” (‘Kunnen jullie jezelf echt onderwerpen aan Gods orkestraties?’ in ‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’). Elke regel van Gods woorden sloeg op mijn hart en beschaamde me diep. Ik dacht erover hoe vaak ik bittere tranen had gehuild, en ik werd vastberaden om mezelf aan God te wijden in alle dingen en me aan Zijn orkestraties en regelingen te onderwerpen. Ik dacht er ook aan dat, toen Gods woorden me begeleidden terwijl ik leed en foltering onderging, ik tegenover God op mijn leven had verklaard van Hem te zullen getuigen. Maar toen God me eenmaal werkelijk nodig had om een echte prijs te betalen om Hem tevreden te stellen, had ik me in plaats daarvan erbarmelijk vastgeklampt aan het leven en had ik de dood gevreesd; ik maakte me alleen druk om wat er met mijn fysieke lichaam zou gebeuren. Gods wil had ik volledig genegeerd, en het enige waaraan ik dacht was hoe ik zo gauw mogelijk aan mijn benarde situatie kon ontsnappen en een veilige plek kon bereiken. Ik zag in hoe werkelijk laag en waardeloos ik was; ik had niet genoeg vertrouwen in God en ik zat te vol bedrog. Ik was niet in staat om me werkelijk aan God te wijden, en had geen sprankje oprechte gehoorzaamheid. Op dat ogenblik begreep ik dat God ware liefde en trouw van de mensheid wilde in Zijn werk in de laatste dagen. Dit zijn Gods laatste verzoeken en de laatste opdrachten die Hij de mensheid heeft toevertrouwd. Ik dacht: als iemand die in God gelooft, behoor ik mezelf volledig in Zijn handen te plaatsen. Omdat ik mijn leven van God heb gekregen, heeft Hij het laatste woord over de vraag of ik zal leven of sterven. Omdat ik God heb gekozen, behoor ik mezelf aan Hem te offeren en me te onderwerpen aan Zijn orkestraties; aan wat voor leed of welke vernedering ik ook word blootgesteld, met mijn daden moet ik mezelf aan God wijden. Ik moet geen eigen keuzes of eisen hebben; dit is mijn plicht en ook de redenering die ik moet hebben. Het feit dat ik nog altijd kon ademen en in leven was, kwam volledig door Gods bescherming en zorg; dit was Zijn verstrekking van leven – zou de duivel me anders niet lang geleden hebben verwoest tot de dood erop volgde? Toen ik voor het eerst zo zwaar had geleden en zulke ontbering had meegemaakt, had God me begeleid om het te doorstaan. Welke reden had ik nu om het vertrouwen in God te verliezen? Hoe kon ik negatief en zwak zijn, terugdeinzen en willen vluchten? Toen deze gedachte in me opkwam, biechtte ik in stilte mijn schuld op tegenover God: “Almachtige God! Wat ben ik zelfzuchtig en hebzuchtig; ik heb alleen uw liefde en zegeningen willen genieten, maar ben onwillig geweest om me oprecht aan u te wijden. Wanneer ik eraan denk het lijden te moeten verdragen van een lange gevangenschap, wil ik mezelf alleen maar bevrijden en dit lijden ontlopen. Ik heb uw gevoelens werkelijk verschrikkelijk gekrenkt. O, God! Ik wil niet dieper blijven zinken; ik wil me alleen maar onderwerpen aan uw orkestraties en regelingen en uw begeleiding aanvaarden. Al moet ik sterven in de gevangenis, ik wil nog altijd van u getuigen. Al word ik misschien doodgemarteld, tot het einde toe zal ik u getrouw zijn!” Na het bidden was ik dubbel geraakt. Ik leed nog altijd pijn zoals eerder, maar in mijn hart voelde ik vertrouwen en een vastbeslotenheid om het niet op te geven zolang ik mijn gelofte om God tevreden te stellen nog niet had ingelost. Zodra ik vastbesloten en overtuigd was dat ik van God zou getuigen tot mijn dood, gebeurde er iets wonderbaarlijks. Op een ochtend kwam ik vroeg uit bed en merkte ik dat ik geen gevoel had in mijn voeten. Ik zag geen enkele kans om te staan, en al helemaal niet om te lopen. In eerste instantie geloofde de politie me niet. Ze gingen ervan uit dat ik deed alsof, en probeerden me te dwingen om te staan. Maar hoe hard ik het ook probeerde, ik kon niet staan. De volgende dag kwamen ze terug om me opnieuw te onderzoeken. Toen ze merkten dat mijn voeten ijskoud waren en dat er in het geheel geen bloed door stroomde, raakten ze ervan overtuigd dat ik werkelijk verlamd was. Ze lieten mijn familie weten dat die me mee naar huis kon nemen. De dag dat ik naar huis ging, kwam er op wonderlijke wijze weer gevoel in mijn voeten en kon ik zonder moeite lopen! Diep van binnen weet ik dat dit allemaal komt door Almachtige God die erbarmen had met mijn zwakte. Hijzelf had voor een weg naar buiten voor me gezorgd. Nadat de Chinese overheid me een maand lang illegaal opgesloten had, zorgde Hij ervoor dat ik vrijelijk uit Satans hol kon lopen, zonder enig probleem.

Twee keer was ik gevangengezet en blootgesteld aan onmenselijke, wrede foltering door de Chinese overheid. Hoewel ik lichamelijk in enige mate leed en zelfs de dood nabij was, vormden deze beide buitengewone ervaringen in feite een stevige basis voor mijn pad richting vertrouwen op God. Te midden van mijn leed en mijn beproevingen, had Almachtige God me op de meest praktische manier het water gegeven van waarheid en levensvoorziening. Niet alleen liet Hij me de Chinese overheid, haar haat voor de waarheid, haar vijandigheid tegenover God en haar demonische gelaat volledig doorzien, en liet Hij me haar schurkachtige misdaden kennen van verwoed verzet tegen God en vervolging van Zijn gelovigen; ook schonk Hij me waardering voor de kracht en het gezag van Gods woorden. Dat ik twee keer levend had kunnen ontsnappen uit de kwaadaardige greep van de Chinese Communistische Partij, was volledig het gevolg geweest van Gods zorg en genade. Sterker nog, het was een belichaming en bevestiging geweest van Gods buitengewone levenskracht. Ik besefte nu ten diepste dat Almachtige God op elk moment en op elke plek altijd mijn enige steun en redding was! Welke gevaren of ontbering mij in dit leven ook zouden overkomen, ik was vastberaden om Almachtige God toegewijd te blijven volgen, Zijn woord actief te verspreiden, van Zijn naam te getuigen en Gods liefde terug te betalen met mijn oprechte toewijding!

De bijbelteksten zijn ontleend aan de Nieuwe Bijbelvertaling © 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap.

Vorige: 5. Door vervolging en lijden heb ik God zelfs nog meer lief

Volgende: 7. Nadat ik door demonen ben verwoest, realiseer ik me des te meer hoe waardevol Gods genade is

De wereld wordt in de laatste dagen bestookt met rampen. Welke waarschuwing geeft dat ons? En hoe kunnen wij beschermd worden door God te midden van rampen? Kijk samen met ons naar onze actuele preek die je de antwoorden zal geven.
Contact
Neem contact op via Messenger

Gerelateerde inhoud

Gods liefde proeven te midden van tegenspoed

Ik ben geboren in de jaren tachtig, in een dorp – we waren al generaties lang een boerenfamilie. Ik stortte mij op mijn studies zodat ik de toelatingstest voor de hogeschool kon halen en zo kon ontsnappen aan de armoede en onderontwikkeldheid van het dorpsleven. Toen ik naar de hogeschool ging kwam ik in contact met het boek ‘De geschiedenis van de Westerse kunst’ en pas toen ik zulke prachtige schilderijen zag als ‘Genesis’, ‘De hof van Eden’ en ‘Het laatste avondmaal’, realiseerde ik mij dat er een God was in het universum die alle dingen had geschapen.

Opstijgen door duistere onderdrukking heen

Het woord van God was solide, daar kon ik op vertrouwen. Het zorgde ervoor dat ik tijdens de extreme pijn en zwakte van de verlichting en de leiding van Gods woord heb mogen genieten, wat de enige manier was om door deze duistere en langdurige periode heen te komen.

Door beproeving werd mijn liefde voor God aangewakkerd

Omdat ik van nature een eerlijk persoon ben, werd ik altijd door anderen gekoeioneerd. Dientengevolge heb ik de kilheid van de wereld van de mens geproefd en voelde mijn leven leeg en betekenisloos. Nadat ik begon te geloven in Almachtige God, genoot ik, als gevolg van het leven van kerkelijk leven en het lezen van Gods woorden, een vastberadenheid en vreugde in mijn hart die ik voordien nooit had gevoeld.

Instellingen

  • Tekst
  • Thema's

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Regelruimte

Paginabreedte

Inhoud

Zoeken

  • Zoeken in deze tekst
  • Zoeken in dit boek