15. Gods liefde heeft mijn hart versterkt

Door Zhang Can, provincie Liaoning

In mijn gezin kan iedereen het altijd goed met elkaar vinden. Mijn echtgenoot is een zeer attente en zorgzame man, en mijn zoon is heel verstandig en altijd respectvol naar zijn ouderlingen. Bovendien zijn we behoorlijk welvarend. In theorie zou ik dus heel gelukkig moeten zijn, maar de werkelijkheid pakte anders uit. Hoe goed mijn man en zoon mij ook behandelden en hoe goed we het financieel ook hadden, niets daarvan kon mij gelukkig maken. Ik kon ’s nachts niet slapen vanwege artritis en ik leed aan ernstige slapeloosheid, wat resulteerde in verminderde bloedcirculatie naar mijn hersenen en algehele slapte van mijn ledematen. De pijn als gevolg van deze kwalen en de voortdurende druk die ik voelde door mijn werk als ondernemer, zorgden voor een onbeschrijfelijk lijden. Ik probeerde dit op verschillende manieren te boven te komen, maar niets leek te werken.

In maart 1999 verspreidde een vriend aan mij het evangelie van de laatste dagen van de Almachtige God. Door Gods woord elke dag te lezen, door steeds naar bijeenkomsten te gaan en te communiceren met mijn broeders en zusters, leerde ik een aantal waarheden begrijpen, leerde ik over vele tot dan toe voor mij onbekende mysteriën, en begon ik steeds meer te geloven dat Almachtige God de teruggekeerde Heer Jezus is. Dit alles maakte me enorm blij, en hongerig nam ik elke dag Gods woord tot mij. Ik raakte ook betrokken bij het kerkelijk leven, waarbij ik vaak met mijn broeders en zusters samenkwam om te bidden, hymnen te zingen en te dansen ter ere van God. Mijn hart vulde zich met een gevoel van vrede en geluk, en mijn moreel en vooruitzichten verbeterden elke dag. Langzaam maar zeker begon ik te herstellen van mijn verschillende kwalen. Vaak betuigde ik mijn dank en lof aan God voor deze positieve ontwikkelingen in mijn leven en ik wilde het evangelie van Almachtige God aan nog meer mensen verspreiden, zodat ook zij door God gered konden worden. Niet lang daarna belastte de kerk mij met de leiding over het verspreiden van het evangelie. Ik stortte mij op dit werk met een vurige hartstocht, maar toen gebeurde er iets onvoorstelbaars …

Op de avond van 15 december 2012, vlak nadat ik een bijeenkomst met vier zusters had gehad en op het punt stond te vertrekken, hoorden we een luid gekraak. De voordeur werd open geschopt en zeven of acht politieagenten in burger stormden de ruimte in en schreeuwden: “Niemand bewegen, handen omhoog!” Zonder dat zij enige legitimatie lieten zien, begonnen ze ons op een grove manier te fouilleren, waarbij ze mijn identiteitsbewijs in beslag namen en een kwitantie voor een transactie van 70.000 RMB uit de kas van de kerk. Ze raakten erg opgewonden toen ze die kwitantie zagen, en ze sleepten ons naar de politieauto om ons naar het bureau te brengen. Op het politiebureau namen ze onze mobiele telefoons, onze MP5-spelers en 200 RMB aan contant geld in beslag die ze uit onze tassen hadden gehaald. Op dat moment vermoedden ze dat een van de zusters en ik de leiders van de kerk waren, en dus werden wij tweeën die avond overgebracht naar de Criminele Inlichtingendienst van de Gemeentelijke Veiligheidsdienst.

Daar aangekomen haalde de politie ons uit elkaar en verhoorde ons afzonderlijk. Ze zetten me met handboeien vast aan een metalen kruk en een agent begon mij ruw te ondervragen: “Hoe zit dat met die 70.000 RMB? Wie heeft dat geld gestuurd? Waar is het nu? Wie is de leider van je kerk?” In mijn hart bad ik voortdurend tot God: “Lieve God! Deze politieagent probeert mij ertoe te dwingen dat ik de leiders van de kerk verraad en het geld van de kerk overhandig. Ik wil absoluut geen Judas worden en U verraden. O God! Ik ben bereid mijzelf in Uw handen te leggen. Ik smeek U om mij geloof, moed en wijsheid te schenken. Hoe de politie ook probeert informatie uit mij te halen, ik ben bereid om van U te getuigen.” Vervolgens verklaarde ik resoluut: “Ik weet het niet!" Dit maakte de politieagent woest; hij pakte een slipper van de grond en begon me daarmee heel hard op mijn hoofd te slaan terwijl hij mij boos toeriep: “Probeer nu nog maar eens te zwijgen. Probeer nu nog maar eens in Almachtige God te geloven! We zullen nog wel eens zien hoe lang je geloof stand houdt!” Mijn gezicht deed enorm veel pijn van de klappen en begon al snel op te zwellen, en ik had een bonkende hoofdpijn. Vier of vijf politieagenten sloegen me om beurten om me te dwingen te vertellen waar het geld van de kerk werd bewaard. Sommigen schopten tegen mijn benen, sommigen trokken aan mijn haar en schudden me heen en weer, anderen sloegen me in mijn gezicht. Ik begon te bloeden uit mijn mond, maar zij veegden het bloed slechts weg en bleven me slaan. Ze porden me willekeurig met een stroomstootwapen en terwijl ze me sloegen schreeuwden ze: “Ga je nog praten of niet? Voor de draad ermee!” Toen ze zagen dat ik nog steeds weigerde te praten, duwden ze het stroomstootwapen in mijn kruis en tegen mijn borst − de pijn was ondraaglijk. Mijn hart bonkte, ik kreeg moeite met ademhalen en trillend rolde ik mij op tot een bal. Het voelde alsof de dood stapje voor stapje dichterbij kwam. Hoewel ik mijn mond dichthield en geen woord uitte, voelde ik me van binnen ontzettend zwak en ik bedacht dat ik dit niet lang meer zou kunnen volhouden. Te midden van mijn lijden bleef ik steeds tot God bidden: “O God! Hoewel ik vastbesloten ben om U te behagen, is mijn vlees zwak en machteloos. Ik bid u om kracht zodat ik van u kan getuigen.” Op dat moment bedacht ik ineens hoe de Heer Jezus voordat Hij aan het kruis genageld werd, ernstig mishandeld was door Romeinse soldaten: Hij werd tot bloedens toe geslagen en verminkt, Zijn hele lichaam was bedekt met wonden …, en toch sprak Hij geen woord. God is heilig en onschuldig, en toch werd Hij ernstig vernederd en gemarteld en was Hij bereid om gekruisigd te worden om de mensheid te verlossen. Ik dacht bij mezelf: “Als God Zijn lichaam kon offeren om de verdorven mensheid te redden, dan moet ik ook kunnen lijden om Gods liefde terug te betalen. Gesteund door Gods liefde herstelde mijn vertrouwen en ik zweerde tot God: “Lieve God, ik zal elk leed ondergaan dat u heeft doorstaan. Ik zal uit dezelfde lijdensbeker drinken als u. Ik zal mijn leven geven om van u te getuigen!”

Nadat deze marteling voor het grootste deel van de nacht was doorgegaan, was ik zo mishandeld, dat er nog nauwelijks een greintje kracht in mijn lichaam aanwezig was. Ik was zo moe, dat ik mijn ogen bijna niet open kon houden, maar zodra ik mijn ogen dicht deed, gooiden ze water over me heen. Ik rilde van de kou. Toen dit stelletje beesten zag in welke toestand ik verkeerde, snauwden ze me gemeen toe: “Wil je nog steeds je mond niet open doen? Op deze plek kunnen we je martelen tot de dood erop volgt en niemand die het ooit zal weten!” Ik negeerde ze. Een van de kwaadaardige agenten nam vervolgens de schil van een zonnebloempit en duwde die onder mijn vingernagel; dit deed ondragelijk veel pijn en mijn vinger bleef maar trillen. Vervolgens bleven ze water in mijn gezicht en in mijn nek gooien. Het ijzige water deed me rillen van de kou; ik leed onbeschrijflijk. Die nacht bleef ik voortdurend tot God bidden, bang dat ik als ik Hem verliet niet meer zou kunnen blijven leven. God was steeds aan mijn zijde en Zijn woorden moedigden mij voortdurend aan: “Wanneer mensen bereid zijn om hun leven op te offeren, wordt alles een kleinigheid” (‘Hoofdstuk 36’ van Interpretaties van de mysteriën van Gods woorden aan het gehele universum in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). “Geloof is een wankel bruggetje. Zij die stumperig aan het leven hangen, kunnen het niet oversteken, maar zij die bereid zijn hun leven op het spel te zetten, kunnen er gerust overheen gaan” (‘Hoofdstuk 6’ van Uitspraken van Christus aan het begin in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden gaven me onuitputtelijke kracht. Ik dacht bij mezelf: Dat is waar, God regeert soeverein over alles en alles is in Zijn handen. Ook al martelt deze kwaadaardige agent mijn lichaam tot de dood erop volgt, mijn geest is in Gods handen. Met God aan mijn zijde, was ik niet langer bang voor Satan en was ik nog veel minder bereid om een verrader te zijn en een zinloos leven te lijden waarbij ik toegaf aan vleselijke verleidingen. Zo legde ik in gebed een gelofte af aan God: “Lieve God! Hoewel deze demonen mijn vlees teisteren, ben ik nog steeds bereid u te behagen en mijzelf volledig in uw handen te leggen. Zelfs als dat mijn dood betekent, ben ik bereid om van u te getuigen en zal ik nooit voor Satan knielen!” Onder begeleiding van Gods woord, voelde ik me vol vertrouwen en geloof. Hoewel de politie me martelde en mijn vlees folterde en ik de grens van wat ik kon verdragen al had bereikt, voelde ik me gesteund door Gods woord en voordat ik het wist werd de pijn veel minder.

De volgende ochtend ging de kwaadaardige agent verder met mij te ondervragen en te bedreigen. Hij zei: “Als je vandaag niet praat, dan zullen we je overdragen aan de speciale politie-eenheid − er liggen daar achttien verschillende martelmethodes op je te wachten.” Toen ik hoorde dat ze me gingen overdragen aan de speciale politie-eenheid, kon ik het niet helpen dat ik toch bang werd. Ik dacht bij mezelf: de speciale politie is vast en zeker veel meedogenlozer dan deze jongens; hoe overleef ik achttien verschillende vormen van marteling? Net toen ik in paniek dreigde te raken, dacht ik aan een passage met Gods woord: “Wat is een overwinnaar? De goede soldaten van Christus moeten moedig zijn en op mij vertrouwen om spiritueel sterk te zijn; ze moeten vechten om strijders te worden en Satan tot de dood te bestrijden” (‘Hoofdstuk 12’ van Uitspraken van Christus aan het begin in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden kalmeerden al snel mijn van paniek bonkende hart. Ze deden me inzien dat dit een spiritueel gevecht was en dat het moment was aangebroken waarop God wilde dat ik getuigenis zou geven. Met Gods steun had ik niets te vrezen. Ongeacht welke idiote methode de kwaadaardige politie ook zou gebruiken, ik moest op God vertrouwen om een goede soldaat van Christus te zijn en tot de dood tegen Satan strijden zonder ooit toe te geven.

Die middag kwamen twee agenten van de Gemeentelijke Openbare Veiligheidsbureau belast met religieuze zaken me ondervragen: “Wie is de leider van je kerk?”, vroegen ze. “Ik weet het niet,” antwoordde ik. Omdat ze zagen dat ik weigerde te praten, begonnen ze afwisselend zachte en harde methodes toe te passen. Een van hen sloeg met zijn vuist heel hard op mijn schouder terwijl de ander me probeerde over te halen met absurde theorieën waarin hij het bestaan van God ontkende: “Alle dingen in het heelal zijn op een natuurlijk manier ontstaan. Je zult wat praktischer moeten zijn: geloven in God zal je niet helpen de problemen in je leven op te lossen; dat lukt alleen als je op jezelf vertrouwt en hard werkt. We kunnen je helpen een baan te vinden voor jou en je zoon …” In mijn hart bleef ik met God communiceren, en vervolgens dacht ik aan een passage van Zijn woord: “Jullie moeten waakzaam zijn en elk moment op wacht staan en jullie moeten vaker voor mij komen om te bidden. Jullie moeten de verschillende intriges en sluwe plannen van Satan herkennen, de geest kennen, mensen kennen en in staat zijn om allerlei soorten mensen, zaken en dingen te onderscheiden” (‘Hoofdstuk 17’ van Uitspraken van Christus aan het begin in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden verlichtten me onmiddellijk, waardoor ik de achterbakse praktijken van Satan kon doorzien. Ik dacht bij mezelf: deze boosaardige politieman probeert me te bedriegen met zijn absurde theorieën en me om te kopen met onbeduidende gunsten ⁠– Ik moet niet in de trucjes van Satan trappen, en, sterker nog, ik mag God niet verraden en een Judas worden. Dankzij Gods verlichting kon ik de duistere bedoelingen van de politie doorzien, dus welke harde of zachte tactieken ze ook op mij toepasten, ik negeerde ze gewoon. Die avond hoorde ik dat er iemand anders kwam om mij te ondervragen en dat ze beweerden dat ik een strafblad had. Ik wist niet wat ik kon verwachten of wat er zou gebeuren, dus het enige wat ik kon doen was God in mijn hart om begeleiding vragen. Ik wist dat ik God niet mocht verraden, op welke manier ik ook vervolgd zou worden en welke moeilijkheden me ook te wachten stonden. Nadat ik even later naar het toilet was gegaan, kreeg ik plotseling last van hartkloppingen; ik werd duizelig en viel flauw op de grond. Toen de politie hoorde dat er is mis was, kwamen ze haastig aanrennen en gingen om mij heen staan. Ik hoorde iemand op een sinistere manier zeggen: “Breng haar naar het crematorium en verbrand haar, dan zijn we ervan af!” Ze vreesden echter dat ik dood zou gaan en dat zij daarvoor verantwoordelijk zouden worden gehouden. Daarom belden ze uiteindelijk de hulpdiensten en lieten ze een ambulance me naar het ziekenhuis brengen voor controle. Er bleek dat ik eerder een hartaanval had gehad en dat ik nu als gevolg daarvan last had van mycardiale ischemia. Aangezien het verhoor nu moest worden stopgezet, brachten ze me naar het detentiecentrum. Ik was dolblij toen ik die gefrustreerde uitdrukking op de gezichten van de politieagenten zag – God had me een uitweg geboden, zodat ik, in elk geval voorlopig, niet verder ondervraagd hoefde te worden. Dat ik die dans was ontsprongen, betekende dat ik getuige was van Gods daden; ik dankte en loofde God vanuit de grond van mijn hart.

Omdat ik wist dat de Chinese overheid niet zou opgeven voordat ik had verteld waar de kerk haar geld bewaarde, bad ik de daaropvolgende anderhalve week elke dag tot God. Ik vroeg Hem mijn mond en mijn hart te beschermen zodat ik, wat er ook gebeurde, stand zou houden aan Gods zijde en Hem absoluut niet zou verraden en niet van de ware weg zou afwijken. Op een dag na een gebed, verlichtte God mij waardoor ik me een hymne van Zijn woorden kon herinneren: “Wat God ook van je vraagt, je hoeft alleen maar je uiterste best te doen. Hopelijk ben je uiteindelijk in staat om je trouw aan God te tonen voor Zijn aangezicht, en zolang je Gods tevreden glimlach op Zijn troon kunt zien, zelfs al is het ten tijde van je dood, zou je in staat moeten zijn om te lachen en te glimlachen terwijl je ogen gesloten zijn. Je moet je laatste plicht voor God doen tijdens je aardse leven. In het verleden werd Petrus ondersteboven voor God gekruisigd; je behoort God uiteindelijk te behagen en al je energie voor God in te zetten” (‘Een geschapen wezen moet ten genade van God zijn’ in ‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’). Ik zong en overdacht de hymne voortdurend in mijn hart en dankzij Gods woord begon ik Gods eisen en verwachtingen van mij te begrijpen. Ik bedacht hoe, van alle wezens in het universum die leven volgens Gods regels en van alle mensen op aarde die God volgen, slechts een heel klein aantal in staat is om werkelijk voor Satan te staan en voor God te getuigen. Dat ik het geluk had een dergelijke situatie het hoofd te moeten bieden, betekende dat God mij op een bijzondere manier verhief en Zijn voorkeur voor mij liet zien. Vooral deze woorden van God waren zeer bemoedigend voor mij: “In het verleden werd Petrus ondersteboven voor God gekruisigd; je behoort God uiteindelijk te behagen en al je energie voor God in te zetten.” Ik kon een gebed aan God niet tegenhouden: “O Almachtige God! In het verleden was Petrus in staat om voor u ondersteboven aan het kruis te worden genageld, terwijl hij getuigenis gaf van zijn liefde voor u tegenover Satan. En nu laat mijn arrestatie door de regerende partij van China uw goede bedoelingen zien. Hoewel mijn gestalte gering is en ik mijzelf nooit kan vergelijken met Petrus, is het voor mij een grote eer om van u te kunnen getuigen. Ik ben bereid om mijn leven in uw handen te leggen en om te sterven om voor u getuigenis te geven, zodat u via mij wat troost kunt vinden.”

Op de ochtend van 30 december stuurde het Gemeentelijke Openbare Veiligheidsbureau een aantal agenten om mij te ondervragen. Zodra ik de verhoorkamer binnenkwam, moest ik van een kwaadaardige politieagent mijn gewatteerde broek en jasje uittrekken, en hij zei tegen mij: “We hebben nu je zusje en je zoon aangehouden. We weten dat je hele familie gelovig is. We zijn naar het werk van je man gegaan en hebben ontdekt dat je in 2008 in Almachtige God bent gaan geloven …” Zijn woorden raakten me op mijn zwakste punt en maakten me geestelijk helemaal in de war; ik had nooit gedacht dat ze ook mijn zoon en mijn zus in hechtenis zouden nemen. Plotseling overmand door emotie begon ik me zorgen te maken over hun welzijn en onwillekeurig dreef mijn hart weg van God. Ik bleef me maar afvragen: worden ze geslagen? Kan mijn zoon zoiets wel verdragen? Op dat moment herinnerde ik me een passage van Gods woord: “Hoeveel iemand moet lijden en hoe ver zij op hun pad moeten gaan, wordt bepaald door God en daar kan niemand een ander echt bij kan helpen” (‘Het pad … (6)’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden rukten me onmiddellijk los uit mijn emotionele toestand, en ik realiseerde me dat voor iedereen de weg van het geloof vooraf door God is bepaald. Iedereen moet tegenover Satan getuigen van God – zou het niet juist een grote zegen voor hen zijn om tegenover Satan te getuigen van God? Toen ik hierover had nagedacht, maakte ik me niet langer zorgen om ze; ik was bereid hen aan God over te dragen, en God te laten beslissen en Zijn plannen uit te laten voeren. Op dat moment noemde een andere agent de namen van enkele andere zusters en hij vroeg of ik die namen herkende. Toen ik zei dat ik geen enkele naam herkende, sprong hij uit zijn stoel, sleepte hij me woedend naar een metalen kruk bij het raam. Hij maakte me met handboeien eraan vast en deed snel het raam open zodat de ijskoude buitenlucht over me heen waaide. Vervolgens begon hij koud water over me heen te gooien, terwijl hij tegen me vloekte. Daarna sloeg hij me tientallen keren achterelkaar met een slipper in mijn gezicht. Hij sloeg zo hard dat ik sterretjes begon te zien; mijn oren suisden en er droop bloed uit mijn mond.

Die nacht brachten een paar politieagenten mij over naar de koudste kamer; de ramen waren helemaal bedekt met ijs. Ze dwongen me al mijn kleren uit te trekken en helemaal naakt moest ik op een metalen kruk bij het raam zitten. Ze bonden mijn handen met handboeien achter mijn rug vast aan de rugleuning van de kruk, zodat ik me totaal niet meer kon bewegen. Een van de agenten zei op een koude, sinistere toon tegen mij: “We veranderen onze verhoortechnieken niet op basis van geslacht.” Terwijl hij dit zei, opende hij het raam en een ijskoude wind sneed door mij heen; het voelde alsof mijn lichaam geteisterd werd door wel duizend messen. Rillend van de kou zei ik met klapperende tanden: “Ik mag niet blootgesteld worden aan dergelijk kou. Ik heb na de bevalling reumatische artritis gekregen.”Hij antwoorde op wrede toon: “Oh, dit is juist goed voor je artritis! En je krijgt nog diabetes en een nierziekte op de koop toe! Hoeveel artsen je ook bezoekt, je zult nooit meer beter worden!” Daarna liet hij iemand een emmer vol koud water brengen en daar moest ik mijn voeten in doen. Toen beval hij me: “Zorg dat er geen druppel water uit die emmer spat.” Hij gooide nog meer koud water over mijn rug, en begon met een stuk karton langs mijn rug te wapperen. Het was -20oC; van dat ijzige water kreeg ik het zo koud dat ik instinctief mijn voeten uit de emmer omhoog tilde, maar een agent dwong ze onmiddellijk weer terug en verbood me om ze opnieuw te bewegen. Ik had het zo koud dat mijn hele lichaam samenbalde en ik kon niet meer ophouden met rillen. Het leek wel alsof het bloed in mijn aderen stolde. Ze vonden het geweldig om me zo te zien, en begonnen gemeen tegen me te lachen terwijl ze spottend tegen me zeiden: “Je ‘danst’ precies op de maat!” Ik haatte deze onmenselijke demonen en beesten uit de grond van mijn hart; ik moest plotseling denken aan een video over demonen uit de hel, die mensen voor hun plezier kwelden en die genoten van het leed van anderen. Ze hadden geen enkel gevoel of menselijkheid meer in zich, en kenden alleen geweld en marteling. Deze kwaadaardige agenten waren niet anders dan demonen uit de hel – eigenlijk waren ze nog erger. Gedurende een dag en een nacht sloegen ze me ontelbare keren in mijn gezicht om me te dwingen informatie te geven over het geld van de kerk. Toen mijn gezicht begon op te zwellen van de klappen, probeerden ze met ijs de zwelling te verminderen en gingen daarna door met slaan. Als God mij niet had beschermd, dan zou ik allang zijn gestorven. Toen de boosaardige agenten zagen dat ik nog steeds niet bereid was te praten, begonnen ze met een stroomstootwapen tegen mijn dijen en kruis te porren. Elke keer als ze dat stroomstootwapen gebruikten, begon mijn hele lichaam te stuiptrekken van de pijn. Omdat ik met handboeien vastzat aan de metalen kruk, kon ik onmogelijk wegduiken, dus ik moest elk wreed pak slaag en alle schoppen en vernederingen wel ondergaan. Het valt niet te beschrijven hoeveel intense pijn ik leed, en onderwijl bleven de agenten maar uitgelaten lachen. Wat het nog erger maakte was dat een jongere agent met een paar eetstokjes mijn tepel vastgreep en deze zo hard als hij kon opdraaide. Dat deed zo’n pijn dat ik het uit alle macht uitschreeuwde. Ze stopten ook een fles ijskoud water tussen mijn benen tegen mijn kruis, en spoten toen water waarin wasabipoeder was opgelost in mijn neus. Mijn hele neusholte leek in brand te staan, en de schroeiende hitte leek regelrecht mijn hersenen in te schieten. Ik durfde nauwelijks adem te halen. Een andere agent nam een grote haal van zijn sigaret en blies rook in mijn neus, waardoor ik een verschrikkelijke hoestbui kreeg. Voor ik de kans kreeg om op adem te komen, pakte een agent een houten kruk en legde mijn benen daarop met de zolen van mijn voeten naar voren. Toen pakte hij een ijzeren stang en sloeg daarmee tientallen keren tegen de onderkant van mijn voeten. Dit deed zo afschuwelijk veel pijn dat ik dacht dat mijn voeten af zouden breken; ik schreeuwde het steeds maar weer uit van de pijn. Niet lang daarna begonnen de zolen van mijn voeten op te zwellen en rood te worden. De kwaadaardige agenten bleven me onophoudelijk martelen. Mijn hart klopte zwaar en ik dacht dat ik op het randje van de dood stond. Toen gaven ze me een of andere snelwerkende, traditionele, Chinese hartmedicatie, en zodra ik een beetje begon te herstellen, begonnen ze me weer te slaan en te bedreigen. Ze zeiden: “Als je niet gaat praten, dan bevriezen we je en slaan we je dood! Niemand zal daar immers achter komen! Als je vandaag niet bekent, dan kunnen we nog wel een paar dagen doorgaan. Eens zien wie het langste volhoudt. We halen je man en je kind erbij zodat ze kunnen zien hoe je er nu uitziet. En als je dan nog steeds niet praat, dan zullen we ervoor zorgen dat ze allebei ontslagen worden!” Ze begonnen zelfs sarcastische opmerkingen te maken, zoals: “Jij gelooft toch in God? Waarom komt je God je dan niet redden? Volgens mij is die God van jou toch niet zo geweldig!” Ik verachtte deze bende vijandige, gemene en boosaardige beesten met heel mijn hart en ziel. Het was ontzettend moeilijk om hun wrede martelingen te doorstaan en nog moeilijker om te horen hoe zij God belasterden. Wanhopig riep ik God aan, ik smeekte Hem mij te beschermen, mij vertrouwen en kracht te schenken evenals de wil om dit lijden te doorstaan, zodat ik stand kon houden. Op dat moment kwamen Gods woorden in mij op: “Jullie moeten tijdens deze laatste dagen een getuigenis aan God afleggen. Ongeacht hoe groot jullie lijden is, moeten jullie tot het uiterste einde toe doorgaan en zelfs bij jullie laatste ademhaling, moeten jullie nog steeds trouw zijn aan God en aan de genade van God; alleen dit is God echt liefhebben en alleen dit is de sterke en klinkende getuigenis” (‘Alleen door pijnlijke beproevingen te ervaren, kun je de liefelijkheid van God kennen’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Ik dacht bij mezelf: dat klopt! Het is Gods wil dat ik getuigenis van Hem geef voor Satan, dus ik moet al deze pijn en vernedering doorstaan om God tevreden te stellen. Ook al heb ik nog slecht één ademteug over, ik moet trouw blijven aan God, want dit is waar een sterke en overtuigende getuigenis uit bestaat, en dit is wat de oude duivel te schande zal maken. Onder begeleiding van Gods woord vulde mijn hart zich met een hernieuwd gevoel van vertrouwen en geloof. Ik was bereid om door de duistere machten heen te breken; ook al betekende het mijn dood, dit keer moest ik God tevreden stellen. Er kwam toen een kerkhymne in mij op: “Ik zal mijn liefde en trouw aan God geven en mijn missie voltooien om God te verheerlijken. Ik ben vastbesloten om standvastig te zijn in het getuigen van God en nooit toe te geven aan Satan. Ach, mijn hoofd mag dan misschien kapotgaan en er mag dan bloed vloeien, maar de moed van Gods volk kan niet verdwijnen. Gods vermaningen rusten op het hart. Ik neem me voor Satan de duivel te vernederen. Pijn en tegenspoed zijn voorbeschikt door God, ik zal vernedering verduren om trouw aan Hem te zijn. Ik zal nooit meer maken dat God tranen plengt of Zich zorgen maakt” (‘Ik wil de dag van Gods heerlijkheid zien’ in ‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’). Zo is dat!, dacht ik bij mezelf. Ik moet niet toegeven aan mijn vlees. Zolang de mogelijkheid bestaat dat ik Satan kan vernederen en Gods hart troost kan brengen, ben ik bereid mijn leven aan God op te offeren. Toen ik eenmaal vastberaden was geworden in mijn voornemens, vertrouwde ik van begin tot eind in mijn hart op God, hoe deze demonen me ook folterden of me probeerden te bedriegen met hun achterbakse plannen. Gods woorden verlichtten en begeleidden me van binnenuit, gaven me geloof en kracht, en stelden me in staat de zwakte van mijn vlees te overwinnen. De wrede politieagenten bleven me martelen met de kou: ze wreven met ijsblokjes over mijn hele lichaam, waardoor ik zo koud en rillerig werd, dat het voelde alsof ik in een ijsgrot zat opgesloten. Mijn tanden klapperden luid en mijn huid werd blauw en paars. Rond twee uur in de ochtend, nadat ik was gemarteld tot het punt waarop ik naar de dood verlangde, begon ik me onwillekeurig toch weer zwak te voelen. Niet wetende hoe veel langer ik dit lijden nog zou moeten verdragen, kon ik alleen nog telkens weer in mijn hart tot God smeken: “Lieve God, mijn vlees is veel te zwak en ik kan dit niet veel langer uithouden. Alstublieft, red mij!” God zij dank werd mijn gebed verhoord; net toen ik het niet langer meer kon verdragen, besloot de politie het verhoor te beëindigen omdat het geen enkel resultaat opleverde.

Op 31 december, even na 2 uur in de middag, sleepte de boosaardige politie me terug naar mijn cel. Ik was van top tot teen bont en blauw. Mijn handen waren opgezwollen als ballonnen, en zagen allemaal blauw en paars. Mijn gezicht was wel een derde groter dan normaal en helemaal blauwachtig groen, het voelde hard aan en was helemaal gevoelloos. Op verschillende plekken op mijn lichaam zaten brandwonden van het stroomstootwapen. Er zaten op dat moment meer dan twintig gevangenen in de cel, en toen ze zagen hoe ik gemarteld was door deze demonen, moesten ze allemaal huilen. Sommigen durfden zelfs niet naar me te kijken, en een jong lid van de Communistische Partij zei: “Als ik hier uitkom, zeg ik mijn lidmaatschap op.” Een juridisch vertegenwoordiger vroeg me: “Op welk bureau werken de mensen die je hebben geslagen? Wat zijn hun namen? Vertel het me, en ik zet alles op buitenlandse websites om ze te ontmaskeren. Ze zeggen dat China een humaan land is, maar wat is hier humaan aan? Dit is gewoon barbaars!” De slechte toestand waarin ik verkeerde wakkerde de woede aan van veel gevangenen, en ze riepen boos uit: “Ik had nooit gedacht dat de Communistische Partij zo geniepig kon zijn, ik kan maar niet geloven dat ze zulke barbaarse dingen doen. Geloof in God is een goede zaak, het weerhoudt mensen ervan misdaden te begaan. Wordt er niet gezegd dat er in China vrijheid van godsdienst is? Dit is absoluut geen vrijheid van godsdienst! Als je in China geld en macht hebt, dan heb je alles. De echte misdadigers lopen nog steeds vrij rond en niemand durft ze te arresteren. Gevangenen in de dodencel worden vrijgelaten door regeringsfunctionarissen om te kopen. Er is geen rechtvaardigheid of gelijkheid te vinden in dit land! …” Op dat moment kwamen onwillekeurig deze woorden van God in mijn herinnering op: “Dit is de tijd: de mens heeft reeds lang geleden al zijn kracht verzameld, hij heeft hiervoor al zijn inzet toegewijd, elke prijs betaald, om het afschrikwekkende gezicht van deze demon af te rukken en mensen, die verblind zijn en allerlei leed en moeilijkheden hebben doorstaan, boven hun pijn uit te laten stijgen en deze boze oude duivel de rug toe te laten keren” (‘Werk en intrede (8)’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). “Haten jullie de grote rode draak echt? Haten jullie hem echt uit het diepst van jullie hart? Waarom heb ik jullie dat zo vaak gevraagd? Waarom blijf ik jullie deze vraag steeds opnieuw stellen? Welk beeld van de grote rode draak dragen jullie in jullie hart? Is het echt verwijderd? Beschouwen jullie de draak echt niet als jullie vader? Alle mensen zouden mijn bedoeling uit mijn vragen moeten kunnen opmaken. Het is niet mijn bedoeling de mensen boos te maken of in opstand te brengen, en ook niet om ze op eigen initiatief een uitweg te laten vinden, maar om alle mensen de kans te geven zich te bevrijden uit de slavernij van de grote rode draak” (‘Hoofdstuk 28’ van Gods woorden aan het hele universum in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden waren een grote troost voor mij. Ik had nooit gedacht dat de wrede, kwaadaardige en demonische kant van de CCP overheid aan het licht zou komen gedurende de wrede marteling die ik had ondergaan, dat ongelovigen hierdoor zouden inzien hoe de CCP overheid echt is, en dat we tezamen die oude duivel zouden verfoeien en ons van hem af zouden wenden. Dit was echt het werk van Gods wijsheid en almacht. In het verleden had ik de CCP als een grote rode zon beschouwd, als de redder van het volk, maar nadat ik slachtoffer was geworden van de onmenselijke vervolging en marteling door de CCP overheid, is mijn mening volledig omgeslagen. Ik zag nu duidelijk hun totale minachting voor het menselijk leven, hoe Gods uitverkorenen wreed werden mishandeld, hoe zij zich verzetten tegen de Hemel en als een kwaadaardige geest monsterlijke misdrijven begingen − het is een reïncarnatie van de duivel en een zich tegen God verzettende demon. God is de Heer van de schepping, en mensen zijn geschapen wezens. Het is natuurlijk en juist om in God te geloven, en toch verzint de CCP overheid valse aanklachten om Gods volgelingen willekeurig te arresteren en te kwellen, wanhopig proberend om alle volgelingen van God te verdrijven. Zodoende hebben ze de duivelse aard van hun God-hatende en God-bestrijdende methodes duidelijk tentoongespreid. Met de CCP overheid als tegenpool werd de essentie van Gods goedheid en liefde nog duidelijker voor mij. God is tot twee keer toe geïncarneerd, en heeft in beide gevallen geleden onder immense vervolging en moeilijkheden alsmede de achtervolging door de duivel. Ondanks alles heeft God alle aanvallen en al het lijden rustig doorstaan, waarbij Hij Zijn werk deed om de mensheid te redden. De liefde van God voor de mensheid is werkelijk groot! Op dat moment verachtte ik die horde demonen met heel mijn hart en ziel, en ik had echt spijt dat ik in het verleden niet serieus op zoek was gegaan naar de waarheid, en mijn plicht niet had vervuld om Gods liefde terug te betalen. Ik dacht bij mezelf dat wanneer ik op een dag levend van die plek vandaan zou komen, ik me nog meer zou inzetten om mijn plichten te vervullen en God in mijn hart toe te laten.

Later verhoorde de politie me nog vier keer. Ze konden niets uit me krijgen, zodat ze maar me ten onrechte beschuldigden van “verstoring van de openbare orde” en ze me na een jaar op een borgtocht van 5.000 RMB vrijlieten, in afwachting van mijn proces. Op 22 januari 2013 werd ik uiteindelijk vrijgelaten, nadat mijn familie de borgtocht had betaald. Nadat ik weer thuis was, sloeg mijn hart iedere keer op hol als ik ijs op de ramen zag. Mijn gezichtsvermogen was aanzienlijk achteruit gegaan, mijn artritis was verslechterd, en ik kreeg nierproblemen. Ik had het voortdurend koud, kreeg snel paniekaanvallen, mijn beide handen voelden verdoofd, de huid van mijn gezicht liet los en ik had vaak ondraaglijke pijn aan de binnenkant van mijn dijen, zo erg dat ik er wakker van werd. Dit waren allemaal bewijzen van de martelingen door die duivels.

Nadat ik op onmenselijk wrede wijze was vervolgd door de CCP overheid en allerlei lichamelijke martelingen had ondergaan, werd mijn relatie met God steeds hechter. Ik had een meer praktisch inzicht gekregen in Gods wijsheid, almacht, liefde en redding, en mijn voornemen om Almachtige God te volgen werd versterkt. Ik besloot om God voor de rest van mijn leven te volgen, en iemand te worden die van God houdt. Gedurende de wrede vervolging door de CCP overheid had ik persoonlijk Gods liefde, zorg en bescherming ervaren. Als Gods woord me niet bij elke stap had begeleid en me kracht en geloof had gegeven, dan was ik nooit in staat geweest om al die onmenselijke kwellingen en martelingen te verdragen. Tijdens mijn ervaring met deze opmerkelijke situatie, werd het mij meer dan duidelijk dat de CCP overheid niets anders is dan de zich tegen God verzettende en God bestrijdende duivel Satan. Niets houdt hen tegen in hun strijd om van China een atheïstisch land te maken en de wereld te veroveren, en alles wordt in het werk gesteld om God uit deze wereld te verdrijven. Zij die God volgen worden verwoed achtervolgd, gearresteerd en vervolgd met als doel al Gods volgelingen uit te roeien, hen in hun netten te vangen en op die manier het werk van God volledig te vernietigen. De CCP overheid is werkelijk ongelooflijk wreed. Het is niets meer dan een demonisch beest dat mensen totaal verzwelgt − het is een perverse, hemeltergende satanische en duistere kracht, die het recht dwarsboomt en wreedheid mogelijk maakt. In China laat de CCP overheid boosdoeners die goede, gewone mensen onderdrukken en mishandelen vrij rondlopen, en geeft ze zelfs juridische en politieke macht. Zij gaan aan de boemel en verbroederen zich met gangsters en misdadigers die zich bezighouden met prostitutie, gokken en drugssmokkel; ze helpen zelfs om hun belangen te beschermen. De CCP overheid ziet alleen de volgelingen van God, die het juiste pad bewandelen in het leven, als de vijand. Zij worden lukraak onderdrukt en gearresteerd, en op een wrede manier vervolgd waarbij zelfs de gezinnen van veel volgers uiteen worden gerukt, dierbaren uiteengedreven worden, en zij niet meer in staat zijn om naar huis terug te keren. Velen van hen kunnen zich nergens meer vestigen, en moeten een zwervend bestaan lijden, ver van huis. Anderen worden onderworpen aan wrede martelingen en worden vanwege hun geloof in God zelfs geslagen tot verlamming of de dood erop volgt. … Het is overduidelijk dat de CCP overheid de wrede, onmenselijke slachter van mensen is, de duivel, Satan. Uiteindelijk zullen ook zij niet ontsnappen aan Gods rechtvaardige straf voor de monsterlijke zonden die zij hebben begaan. Want Almachtige God zei lang geleden: “Het demonennest zal zeker in stukken worden gereten door God en jullie zullen naast God staan – jullie behoren God toe en behoren niet tot dit imperium van slaven. God verafschuwt deze duistere maatschappij al lang tot op Zijn botten. Hij knarst Zijn tanden, hunkerend om Zijn voeten te zetten op deze slechte, verschrikkelijke oude slang, opdat hij nooit meer op mag staan en de mens nooit meer kwaad zal doen; Hij zal geen pardon hebben met zijn vroegere daden, Hij zal zijn misleiding van de mens niet tolereren, Hij zal afrekenen met elke zonde die hij door de eeuwen heen heeft begaan; God zal geenszins mild zijn jegens deze aanvoerder van al het kwaad,[1] Hij zal hem volkomen vernietigen” (‘Werk en intrede (8)’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods rechtvaardigheid verdient lof en bijval, en Hij zal het koninkrijk van Satan verbannen en vernietigen. Gods koninkrijk zal hier op aarde worden gevestigd en Gods glorie zal zich zeker over het gehele universum verspreiden!

Voetnoot:

1. “Aanvoerder van al het kwaad” verwijst naar de oude duivel. Deze uitdrukking geeft extreme afkeur aan.

Vorige: 14. De ruwe vervolging door de CCP maakt mijn liefde voor God alleen maar sterker

Volgende: 16. Onder begeleiding van Gods woorden heb ik de onderdrukking door de machten van de duisternis overwonnen

De wereld wordt in de laatste dagen bestookt met rampen. Welke waarschuwing geeft dat ons? En hoe kunnen wij beschermd worden door God te midden van rampen? Kijk samen met ons naar onze actuele preek die je de antwoorden zal geven.
Contact
Neem contact op via Messenger

Gerelateerde inhoud

De jeugd zonder spijt

“Liefde is pure emotie, zo zuiver zonder smet. Gebruik je hart, gebruik je hart, zorg, voel en heb lief. Liefde is zonder eisen, geen obstakels of afstand. […] Liefde kent geen argwaan, geen sluwheid of bedrog. Gebruik je hart, gebruik je hart, zorg, voel en heb lief. Liefde kent geen afstand en niets dat niet puur is” (‘Pure liefde is zonder smet’ in ‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’). Dit lied van Gods woord heeft me een keer geholpen om de pijn ​​van een lang en moeitevol gevangenisleven te kunnen doorstaan, een gevangenisleven wat 7 jaar en 4 maanden heeft geduurd. Hoewel de CCP-regering me de mooiste jaren van mijn jeugd heeft afgenomen, heb ik de meest waardevolle en echte waarheid van Almachtige God verkregen en daarom klaag ik niet en heb ik geen spijt.

Instellingen

  • Tekst
  • Thema's

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Regelruimte

Paginabreedte

Inhoud

Zoeken

  • Zoeken in deze tekst
  • Zoeken in dit boek