31. Op de drempel van de dood kwam Almachtige God me te hulp

Door Wang Cheng, provincie Hebei

Gedurende de tijd dat ik in de Heer Jezus Christus geloofde, werd ik vervolgd door de CCP-regering. De overheid gebruikte regelmatig de ‘misdaad’ van mijn geloof in de Heer Jezus als aanleiding om het me moeilijk te maken en me te onderdrukken. Ze gingen zelfs zover dat ze de leidinggevenden van mijn dorp de opdracht gaven me thuis veelvuldig te komen opzoeken om vragen te stellen over mijn geloofspraktijken. In 1998 aanvaardde ik het werk van Almachtige God in de laatste dagen. Toen ik de woorden van de Schepper in levenden lijve hoorde uiten, was ik onbeschrijfelijk verheugd en ontroerd. Met de bemoediging van Gods liefde nam ik me het volgende voor: ik zou Almachtige God tot het einde toe volgen, wat er ook gebeurde. Tijdens deze periode nam ik enthousiast deel aan bijeenkomsten en verspreidde het evangelie, iets wat opnieuw de aandacht trok van de CCP-regering. Deze keer vervolgden ze me erger dan ooit. Het werd zo erg dat ik mijn geloof niet meer normaal in mijn eigen huis kon beoefenen. Ik was gedwongen mijn huis te verlaten om mijn plichten te kunnen vervullen.

In 2006 was ik verantwoordelijk voor het drukken van boeken met Gods woorden. Helaas werden op een keer een aantal broeders en zusters en de chauffeur van de drukkerij aangehouden door de politie van de CCP terwijl ze boeken aan het vervoeren waren. Alle tienduizend exemplaren van ‘Het Woord verschijnt in het vlees’ die in de vrachtwagen lagen, werden in beslag genomen. Wat later verraadde de chauffeur meer dan tien andere broeders en zusters. Ze werden allemaal een voor een in hechtenis genomen. Deze gebeurtenis veroorzaakte enorme beroering in twee provincies en de zaak werd onder rechtstreeks toezicht van de centrale autoriteiten geplaatst. Toen de CCP-regering erachter kwam dat ik de leider was, spaarde ze zich kosten noch moeite en zette de militaire politie in om alle werkterreinen die te maken hadden met mijn werk te onderzoeken. Ze namen twee auto’s en een bestelbus van de drukkerij waar we mee werkten in beslag. Ze verduisterden 65,500 RMB van het bedrijf, bovenop de meer dan 3000 RMB die ze hadden gestolen van de zusters en broeders die op die dag in de vrachtwagen zaten. Bovendien kwam de politie twee keer mijn huis doorzoeken. Elke keer dat de agenten kwamen, schopten ze de voordeur in, sloegen mijn spullen stuk en haalden mijn hele huis overhoop. Ze waren erger dan een bende ronddolende bandieten! Omdat de CCP-regering me niet kon vinden, werden vervolgens al mijn buren, vrienden en bekenden samengedreven en ondervraagd over mijn mogelijke verblijfplaats.

Ik was gedwongen naar het huis van een ver familielid te vluchten om aan arrestatie en de vervolging van de CCP-regering te ontsnappen. Ik had er volstrekt geen rekening gehouden dat de politie van de CCP me over zo’n enorme afstand zou blijven volgen om me te kunnen arresteren. Maar toch werd het huis van mijn familielid, tijdens de derde nacht van mijn verblijf daar, volledig omsingeld door ongeveer honderd agenten van een politie-eenheid uit mijn woonplaats die samenwerkte met de plaatselijke gerechtelijke politie en de militaire politie. Ze begonnen over te gaan tot het in hechtenis nemen en arresteren van al mijn familieleden. Ik werd omsingeld door meer dan tien gewapende agenten, die allemaal hun geweer op mijn hoofd richtten en me boos toeriepen: “Eén beweging en je bent er geweest!” Daarna sprongen een paar van de agenten bovenop me en probeerden allemaal mijn armen op mijn rug te boeien. Ze trokken mijn rechterhand over mijn schouder en bogen mijn linkerarm achter op mijn rug, waarbij ze mijn hand gemeen naar boven rukten. Toen het ze niet lukte me de boeien om te doen, stampten ze op mijn rug en trokken nog harder, totdat mijn handen eindelijk samen werden gedwongen. Ik kon de brandende, helse pijn niet uithouden, maar hoe ik ook schreeuwde: “Ik kan de pijn niet verdragen”, de agenten toonden geen enkel medelijden en ik kon alleen maar tot God bidden om kracht. Ze namen 650 RMB van me in beslag, zaagden me door over waar de kerk haar geld bewaarde en eisten dat ik al het geld aan hen zou geven. Ik was ontzettend kwaad en dacht minachtend: ze noemen zichzelf ‘de Politie van het Volk’ en ‘de beschermers van het leven en bezit van de mensen’, en toch hebben ze een politiemacht van deze omvang ingezet en mij na een jacht over zo’n lange afstand gearresteerd, niet alleen om Gods werk te belemmeren, maar ook om het geld van de kerk te plunderen en in eigen zak te steken! Deze boosaardige agenten hebben een onbevredigbare lust naar geld. Ze pijnigen hun hersenen en deinzen nergens voor terug om hun zakken te vullen. Wie weet hoeveel gewetenloze handelingen ze niet hebben verricht in hun streven naar rijkdom en hoeveel levens van onschuldige mensen ze niet hebben geruïneerd om zichzelf te verrijken? Hoe meer ik erover nadacht, hoe kwader ik werd. Ik legde voor mezelf de gelofte af dat ik nog eerder zou sterven dan dat ik God zou verraden. Ik zwoer bij mezelf dat ik tot het bittere einde tegen deze demonen zou vechten. Toen een van de agenten zag hoe ik in stilte kwaad naar ze zat te staren, kwam hij op me af en sloeg me twee keer in het gezicht, wat tot gevolg had dat mijn lippen opzwollen en hevig begonnen te bloeden. De agenten waren hiermee nog niet tevreden en vervolgden met me bruut tegen mijn benen te schoppen en me uit te schelden tot ik op de grond viel. Toen ik op de grond lag, bleven ze me als een voetbal in de rondte schoppen totdat ik, na een onbepaalde periode, uiteindelijk het bewustzijn verloor. Toen ik weer bij bewustzijn kwam, bevond ik me al in een auto die in de richting van mijn geboortestad reed. Ze hadden me vastgebonden met een enorme stalen ketting die mijn nek verbond met mijn enkels, op zo’n manier dat ik onmogelijk rechtop kon zitten. Ik was gedwongen om met mijn gezicht naar beneden opgevouwen in een foetuspositie te zitten, ternauwernood ondersteund door mijn borst en hoofd. Toen de agenten zagen dat ik zichtbaar pijn leed, grinnikten ze alleen maar, merkten sarcastisch op: “Laten we eens kijken of God je nu kan redden!” en maakten nog enkele andere vernederende opmerkingen. Ik begreep duidelijk dat de reden dat ze me op deze manier behandelden was dat ik een gelovige in Almachtige God was. Het was net zoals God in het Tijdperk van Genade had gezegd: “Wanneer de wereld je haat, bedenk dan dat ze mij eerder haatte dan jullie” (Johannes 15:18). Hoe meer ze me vernederden, hoe duidelijker ik hun demonische wezen als vijanden van God en hun God hatende, kwaadaardige natuur zag, wat tot gevolg had dat ik ze nog meer verachtte. Tegelijkertijd riep ik continu tot God en bad: “Lieve Almachtige God! Uit uw goede bedoelingen blijkt duidelijk dat u het heeft toegelaten dat ik werd opgepakt door de politie, en ik ben bereid me aan u te onderwerpen. Vandaag, hoewel mijn vleselijk lichaam pijn lijdt, ben ik bereid voor u te getuigen om de oude duivel te beschamen. Ik zal me onder geen beding aan hem onderwerpen. Ik bid u me geloof en wijsheid te schenken.” Nadat ik mijn gebed had beëindigd, dacht ik aan deze passage van Gods woorden: “Wees stil in mij, want ik ben je God, jullie enige Verlosser. Breng te allen tijde jullie hart tot rust, leef in mij; ik ben jullie rots, jullie helper” (‘Hoofdstuk 26’ van Uitspraken van Christus aan het begin in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden gaven me nog meer kracht en vastbeslotenheid. God regeert soeverein over alle dingen, en het leven en de dood van de mens liggen in Zijn handen. Met Almachtige God als mijn trouwe bondgenoot had ik niets te vrezen! Hiermee had ik mijn geloof vernieuwd en een nieuw pad ter beoefening ontvangen. Ik was er klaar voor de wrede marteling die me te wachten stond het hoofd te bieden.

Tijdens de achttienurige escorte naar mijn geboortestad was ik de tel kwijt hoe vaak ik het bewustzijn had verloren van de pijn. Maar geen van de politieschurken toonde ook maar het minste beetje bezorgdheid. Toen ik eindelijk aankwam, was het na tweeën in de ochtend. Het voelde alsof al het bloed in mijn lichaam gestold was – mijn armen en benen waren helemaal opgezwollen en gevoelloos, en ik kon me niet bewegen. Ik hoorde een van de agenten zeggen: “Ik denk dat hij dood is.” Een van hen greep de ijzeren ketting en rukte er met bruut geweld aan, zodat de gekartelde randen in mijn vlees bleven steken. Ik tuimelde uit de auto en verloor opnieuw het bewustzijn vanwege de pijn. De agenten schopten me tot ik bij bewustzijn kwam en schreeuwden: “Verdomme! Proberen je dood te houden, hè! Zodra we een beetje uitgerust zijn, staat je wat te wachten!” Daarna sleurden ze me met geweld een dodencel in en zeiden voor ze weggingen: “We hebben deze cel speciaal voor jou geregeld.” Verschillende gevangenen waren in hun slaap gestoord toen ik naar binnen werd gesleurd en hun hatelijke blikken maakten me zo bang dat ik in een hoek wegdook. Ik durfde me niet te bewegen. Het voelde alsof ik in een soort hel op aarde was terechtgekomen. Bij het aanbreken van de dag verdrongen de andere gevangenen zich om me heen en keken naar me alsof ik een soort buitenaards wezen was. Ze kwamen allemaal dreigend op me af, wat me zo bang maakte dat ik onmiddellijk op de grond hurkte. Door de commotie werd de hoofdgevangene wakker – hij wierp één blik op me en zei koeltjes: “Doe met hem wat jullie maar willen, sla hem alleen niet dood.” De gevangenen reageerden op de hoofdgevangene alsof hij een keizerlijk decreet had uitgevaardigd. Ze drongen naar voren, klaar om me een pak slaag te geven. Nu krijg ik ervan langs, dacht ik. De politie heeft me aan deze terdoodveroordeelden overgegeven om hun vuile werk op te knappen – ze hebben me bewust mijn dood tegemoet gestuurd. Ik voelde me doodsbang en volkomen hulpeloos. Ik kon alleen nog maar mijn leven aan God toevertrouwen en Zijn orkestraties aanvaarden. Net toen ik me schrap zette voor het pak slaag, gebeurde er iets ongelooflijks. Ik hoorde iemand dringend roepen: “Ophouden!” De hoofdgevangene kwam naar me toe rennen, trok me overeind en keek me lang aan. Er leken minuten voorbij te gaan. Ik was zo bang dat ik zelfs niet terug durfde te kijken. “Hoe komt een goede vent als jij op een plaats als deze terecht?” vroeg hij. Toen ik hem tegen me hoorde praten, keek ik hem goed aan en realiseerde me dat hij een vriend van een vriend was die ik vroeger één keer had ontmoet. Hij sprak vervolgens de andere gevangenen toe: “Deze man is mijn vriend. Als iemand hem aanraakt, heeft hij aan mij verantwoording af te leggen!” Vervolgens haastte hij zich weg om een maaltijd voor me te kopen en hielp me de hand te leggen op verschillende toiletartikelen en andere dagelijkse artikelen die ik in de gevangenis nodig zou hebben. Daarna durfde geen van de andere gevangenen me nog lastig te vallen. Ik wist dat alles wat gebeurde het resultaat was van Gods liefde en dat het Gods wijze ordening was. De agenten waren oorspronkelijk van plan geweest de andere gevangenen te gebruiken om mij genadeloos te martelen. Ze hadden echter nooit kunnen bedenken dat God de hoofdgevangene zou inzetten om mij te helpen aan deze dans te ontspringen. Ik was tot tranen toe geroerd en riep spontaan in mijn hart ter ere van God uit: “Lieve God! Dank u voor het tonen van uw genade! U was het die, toen ik het meest bang, hulpeloos en zwak was, me te hulp kwam via deze vriend en me getuige liet zijn van uw daden. U bent het die alle dingen mobiliseert om dienst aan u te doen, opdat degenen die in u geloven er profijt van kunnen hebben. Omdat ik persoonlijk Gods liefde had ervaren, groeide op dat moment mijn geloof in Hem nog meer. Hoewel ik voor de leeuwen was geworpen, had God me niet verlaten. Wat was er te vrezen met God aan mijn zijde? Mijn vriend troostte me en zei: “Wees niet verdrietig. Wat je ook hebt gedaan, laat geen woord los, zelfs als het je dood betekent. Maar je moet je mentaal voorbereiden en beseffen dat ze je er niet met een lichte straf vanaf laten komen, want je bent in deze cel met een stel terdoodveroordeelden gegooid.” Van de woorden van mijn vriend kreeg ik nog meer het gevoel dat God me de hele tijd leidde en dat Hij via mijn celgenoot had gesproken om me te waarschuwen voor wat komen ging. Ik bereidde mezelf mentaal volledig voor en legde bij mezelf stilletjes een gelofte af: hoe deze demonen met ook martelen, ik zal God nooit verraden!

Op de tweede dag arriveerden er meer dan tien agenten van de militaire politie en escorteerden me als een terdoodveroordeelde van het detentiecentrum naar een afgelegen locatie op het platteland. De faciliteit waar ze me naartoe brachten, was een compound met hoge muren en een grote binnenplaats die zwaar werd bewaakt door militaire politie. Op een bord op de hoofdingang stond: ‘Trainingsbasis voor politiehonden’. Elke kamer was gevuld met allerlei soorten martelwerktuigen. Het leek erop dat ze me naar een van de geheime ondervragings- en martelfaciliteiten van de CCP-regering hadden gebracht. Toen ik om me heen keek, rees mijn haar te berge en ik beefde van angst. De agenten lieten me in het midden van de binnenplaats stilstaan en lieten vier venijnig uitziende, abnormaal grote honden uit een stalen kooi los, wezen op mij en bevalen de goed afgerichte politiehonden: “Dood hem!” De honden stoven onmiddellijk als een roedel wolven op me af. Ik was zo bang dat ik mijn ogen dichtkneep. Mijn oren begonnen te suizen en mijn verstand stond stil – de enige gedachte in mijn hoofd was: “O God! Red me alstublieft!” Ik bleef God om hulp roepen; na ongeveer tien minuten voelde ik dat de honden alleen maar naar mijn kleren hapten. Eén bijzonder grote hond stond op mijn schouders, besnuffelde me en likte vervolgens mijn gezicht – hij beet me zelfs niet één keer. Ik herinnerde me plotseling het Bijbelse verhaal waarin de profeet Daniël in een kuil met hongerige leeuwen werd gegooid omdat hij God aanbad. De leeuwen deden hem geen kwaad. Omdat God met hem was, zond God een engel om de kaken van de leeuwen te sluiten. Ineens welde er een diep gevoel van geloof in me op en verdreef alle angst in mijn hart. Ik had de diepe overtuiging dat alles door God is georkestreerd en het leven en de dood van een mens in Gods handen liggen. Daarnaast, als ik voor mijn geloof in God dood zou worden gebeten door boosaardige honden en als martelaar zou sterven, dan zou dit een grote eer zijn en ik zou me er zonder klacht bij neerleggen. Toen ik niet langer werd beteugeld door angst voor de dood en bereid was mijn leven te geven om voor God te getuigen, zag ik opnieuw Gods almacht en wonderbaarlijke daden. Deze keer renden de agenten op de honden af en schreeuwden hysterisch: “Maak dood! Maak dood!” Maar plotseling leek het alsof deze uitstekend getrainde honden de bevelen van hun bazen niet meer begrepen. Ze rukten alleen maar een beetje aan mijn kleren, likten mijn gezicht en verspreidden zich vervolgens. Een paar agenten probeerden de honden tegen te houden en hen opnieuw op me af te sturen om me aan te vallen, maar de honden werden plotseling bang en renden in alle richtingen uiteen. Toen de agenten zagen wat er was gebeurd, waren ze allemaal verbijsterd en zeiden: “Wat vreemd, geen van de honden wilde hem bijten!” Ineens schoten me de volgende woorden van God te binnen: “Hart en geest van de mens zijn in Gods hand en al het leven van de mens wordt door Gods ogen aanschouwd. Of je dit nu gelooft of niet, alle dingen, of ze nu levend of dood zijn, zullen verplaatsen, veranderen, vernieuwen en verdwijnen in overeenstemming met Gods gedachten. Zo regeert God over alle dingen” (‘God is de bron van het leven van de mens’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). “God heeft alle dingen geschapen, en dus brengt Hij de hele schepping onder Zijn heerschappij, onderwerpt Hij haar aan zijn heerschappij. Hij heeft het gezag over alle dingen, alle dingen zijn in Zijn handen. De hele schepping van God inclusief dieren, planten, de mensheid, de bergen, de rivieren en de meren – alles moet onder Zijn heerschappij komen. Alle dingen in de lucht en op de aarde moeten onder Zijn heerschappij komen” (‘Succes of mislukking zijn afhankelijk van het pad dat de mens bewandelt’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Uit eigen ervaring, in het echte leven, had ik gezien dat alle dingen – ongeacht of het levende of dode dingen zijn – onderworpen zijn aan Gods orkestraties en door Gods gedachten worden bewogen en veranderd. Het lukte me de aanval van de politiehonden ongedeerd te overleven omdat Almachtige God hun bekken had verzegeld en ervoor zorgde dat ze me niet durfden bijten. Ik was me er diep van bewust dat dit kwam door Gods immense macht en dat God een van Zijn wonderbaarlijke daden had geopenbaard. Of het nu de schurken van de politie of de afgerichte politiehonden waren, ze waren allemaal onderworpen aan Gods gezag. Niemand kan Gods soevereiniteit overstijgen. Dat ik in de duivelse handen van de CCP-regering was gevallen en eenzelfde soort beproeving had ervaren als de profeet Daniël, was zonder twijfel omdat God een uitzondering had gemaakt om me te verhogen en me Zijn genade te schenken. Door getuige te zijn van de almachtige daden van God, kreeg ik een nog groter geloof in Hem en zwoer tot het eind aan toe tegen de duivel te vechten. Ik zwoer voor altijd in God te geloven en Hem te aanbidden, en Hem glorie en eer te brengen!

Toen de agenten niet in staat waren hun gewenste doel te bereiken met de vechthonden, brachten ze me naar de ondervragingsruimte. Ze hingen me aan mijn handboeien aan de muur en ik voelde onmiddellijk een vlammende pijn in mijn polsen, alsof mijn handen op het punt stonden helemaal te worden afgescheurd. Grote druppels zweet begonnen over mijn gezicht te druppelen. Maar dit tuig van de politie was nog niet klaar: ze begonnen me een regen van woeste schoppen en stompen uit te delen. Terwijl ze me sloegen, blaften ze me boos toe: “Laten we eens kijken of je God je nu kan redden!” Ze sloegen me om beurten – wanneer de een moe werd, nam de ander het direct over. Ze sloegen me tot ik van kop tot teen vol zat met japen en kneuzingen en ik overvloedig bloedde. Die nacht haalden ze me niet van de muur en stonden niet toe dat ik mijn ogen sloot. Ze hadden twee ondergeschikten met stroomstootwapens aangewezen om de wacht over me te houden. Elke keer wanneer ik mijn ogen sloot, gebruikten ze hun stroomstootwapen om te voorkomen dat ik in slaap viel. Op deze manier martelden ze me de hele nacht. Toen een van de ondergeschikten me aan het slaan was, staarde hij me met zijn kraalogen aan en schreeuwde: “Wanneer zij je slaan tot je het bewustzijn verliest, sla ik je tot je weer wakker wordt!” Dankzij Gods verlichting was ik me volkomen bewust van wat er aan de hand was: Satan probeerde allerlei verschillende marteltechnieken om me over te halen mezelf te compromitteren. Het idee was me te martelen tot mijn geest gebroken was en ik alle controle over mijn geestelijke vermogens had verloren. Op dat moment zou ik misschien de informatie geven waar ze naar op zoek waren. Vervolgens konden ze Gods uitverkorenen arresteren, Gods werk in de laatste dagen verstoren, en de bezittingen van De Kerk van Almachtige God in beslag nemen en er hun eigen zakken mee vullen – dit waren de wilde ambities van hun beestachtige natuur. Ik klemde mijn tanden op elkaar en weerstond de pijn. Ik zwoer bij mezelf dat ik geen enkel compromis met hen zou sluiten, zelfs als het betekende dat ik zou blijven hangen tot de dood erop volgde. De volgende ochtend, bij het aanbreken van de dag, maakten ze nog steeds geen aanstalten me neer te laten en was ik al volkomen uitgeput. Ik had het gevoel dat ik beter dood kon zijn, en ik had geen wilskracht meer om door te gaan. Ik kon alleen maar tot God om hulp roepen en bad: “O God! Ik weet dat ik het verdien te lijden, maar mijn lichaam is zo zwak en ik kan het echt niet veel langer meer aan. Nu ik nog steeds adem en bij bewustzijn ben, wil ik u vragen dat u mijn ziel wegneemt van deze wereld. Ik wil geen Judas worden en u verraden.” Net toen ik op het punt stond in te storten, verlichtte en leidde Gods woord me nogmaals: “‘In het vlees komen is deze keer als het vallen in het hol van de tijger.Wat dit betekent is dat, omdat God in deze ronde van Gods werk in het vlees komt en geboren wordt in de woonplaats van de grote rode draak, Zijn komst nog meer gepaard gaat met extreme gevaren. Hij wordt met messen, geweren en knuppels geconfronteerd; Hij wordt met verleiding geconfronteerd; Hij wordt met hordes geconfronteerd die er moordlustig uitzien. Hij loopt het risico om elk moment vermoord te worden” (‘Werk en intrede (4)’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). God is de allerhoogste soeverein van de hele schepping – dat Hij nederdaalde onder de meest verdorvenen van de hele mensheid om ons te redden was al een ongelooflijke vernedering, maar Hij moest ook nog eens allerlei vormen van vervolging van de kant van de CCP-regering verdragen. Het lijden dat God heeft ondergaan is werkelijk immens. Als God al deze pijn en al dit lijden heeft verdragen, waarom zou ik me dan niet voor Hem kunnen opofferen? De enige reden dat ik nog steeds in leven was, was omdat God me beschermde en voor me zorgde. Zonder deze zorg en bescherming zou ik al lang door deze demonische bende dood zijn gemarteld. Hoewel deze duivels elke methode die ze tot hun beschikking hadden gebruikten om mij wreed te martelen, was God in het hol van deze demon met mij en elke keer wanneer ik een martelingsronde doorstond, was ik weer getuige van Gods wonderbaarlijke daden, Zijn redding en Zijn bescherming. Ik dacht: God heeft zoveel voor me gedaan, hoe zou ik Zijn hart moeten troosten? Gezien het feit dat God me vandaag deze gelegenheid heeft geboden, moet ik voor God blijven leven! Op dat moment liet Gods liefde mijn geweten opnieuw ontwaken en voelde ik diep dat ik God tevreden moest stellen, wat er ook gebeurde. Ik bevestigde bij mezelf: het is mijn eer om vandaag samen met Christus te lijden! De agenten zagen dat ik nog steeds niet praatte en niet om genade had gesmeekt, en waren bang dat ik op deze plek zou sterven zonder enige informatie te verstrekken. Dat zou hen problemen opleveren met hun superieuren, dus hielden ze op met me te slaan. Ik werd daarna aan mijn handboeien aan de muur opgehangen, waarna ze me nog twee dagen en nachten zo lieten hangen.

Het was bitterkoud tijdens deze dagen, ik was doordrenkt tot op mijn huid, mijn kleren waren te dun om ook maar enige isolatie te bieden, ik had verscheidene dagen niet gegeten en ik was hongerig en koud – ik kon het echt niet langer uithouden. Net toen ik op het punt stond in te storten, greep de bende politieschurken mijn verzwakte gesteldheid aan om een andere sluwe list aan te wenden: ze lieten een psycholoog komen om te proberen me te hersenspoelen. Hij zei: “Je bent nog altijd jong en je moet je ouders en kinderen ondersteunen. Nadat je in hechtenis bent gekomen, hebben je medegelovigen, en in het bijzonder de leiders van je kerk, zich niet ook maar in het minst om je bekommerd, terwijl jij hier voor hen lijdt. Vind je niet dat je een beetje onnozel bent? Deze politieagenten hebben geen andere keuze dan je te martelen...” Toen ik naar zijn leugens luisterde, dacht ik: wanneer mijn broeders en zusters op bezoek waren gekomen, zou dat niet gelijk hebben gestaan aan zichzelf aangeven? Je zegt dat alleen maar om mij te misleiden, om tweespalt te zaaien tussen mij en mijn broeders en zusters, om ervoor te zorgen dat ik God verkeerd begrijp, de schuld geef en verlaat. Daar trap ik niet in! Daarna brachten ze me eten en drinken in een poging me te verleiden met hun schijnbare generositeit. Toen ik werd geconfronteerd met de plotselinge ‘vriendelijkheid’ van deze politieschurken, klampte mijn hart zich nog steviger aan God vast. Ik begreep dat ik op dat moment op mijn zwakst was en Satan klaarstond zich op me te storten zodra de gelegenheid zich voordeed. Mijn ervaringen tijdens deze dagen lieten me het wezen van de CCP-regering doorzien. Hoe ze ook deed alsof ze vriendelijk en zorgzaam was, haar boosaardige, reactionaire en demonische wezen bleef onveranderd. De strategie van de duivel, ‘bekering door liefdevol medelijden’, onthulde alleen nog maar verder de diepten van zijn verraderlijkheid en leugenachtigheid. God zij dank voor het feit dat Hij me leidde, zodat ik Satans sluwe list kon doorzien. Uiteindelijk slaagde de psycholoog er niet in enige vooruitgang te boeken. Hij schudde zijn hoofd en zei: “Ik kan niets uit hem krijgen. Hij is koppig als een muilezel, een hopeloos geval!” Met deze woorden ging hij terneergeslagen weg. Toen ik Satan verslagen zag wegvluchten, vulde mijn hart zich met onbeschrijfelijke vreugde!

Toen deze boosaardige agenten zagen dat hun zachte tactieken waren mislukt, toonden ze onmiddellijk hun ware aard en hingen me nogmaals een hele dag aan de muur. Die nacht, toen ik daar rillend van de kou hing en mijn handen zo’n pijn deden dat het voelde dat ze af zouden breken, dacht ik in mijn delirium dat er een reële kans bestond dat ik het niet zou overleven. Precies op dat moment kwamen er verschillende agenten binnen en vroeg ik me af wat voor soort marteling ze nu weer voor me in petto hadden. In mijn zwakheid begon ik opnieuw tot God te bidden: “O God, u weet dat ik zwak ben en het werkelijk niet langer verdragen kan. Neem alstublieft nu meteen mijn leven. Ik wil liever sterven dan een Judas zijn en u verraden. Ik zal niet toestaan dat de sluwe list van deze demonen slaagt!” De agenten zwaaiden met hun knuppels die iets minder dan een meter lang waren, en begonnen ermee op de gewrichten van mijn benen en voeten te slaan. Sommige van de agenten lachten maniakaal terwijl ze me sloegen, anderen probeerden me te verleiden en zeiden: “Vind je het soms fijn om gestraft te worden? Je hebt geen enkele ernstige misdaad begaan, je hebt niemand vermoord en ook geen brand gesticht. Vertel ons gewoon wat je weet en we laten je neer.” Toen ik nog steeds niet wilde spreken, werden ze razend en schreeuwden: “Denk je dat die tientallen agenten die recht voor je staan allemaal incompetent zijn? We hebben hier talloze terdoodveroordeelden ondervraagd en altijd een bekentenis uit ze gekregen, zelfs als ze niets verkeerds hadden gedaan. Wanneer we zeggen dat ze moeten praten, dan praten ze. Waarom denk je dat jij anders bent?” Een aantal agenten kwam op me af en begon me te knijpen en mijn benen en mijn middel te verdraaien tot ik onder de kneuzingen zat. Op sommige plekken knepen ze zo hard dat het bloedde. Na zo lang aan de muur te hebben gehangen was ik al ongelofelijk zwak, en dit verergerde de pijn van hun onbeheerste mishandeling zo erg dat ik naar mijn dood verlangde. Op dat moment was ik volkomen gebroken – ik kon het niet langer aan en brak uiteindelijk in huilen uit. Terwijl de tranen vloeiden, kwamen er gedachten aan verraad in me op: misschien moet ik ze zomaar iets vertellen. Zolang het maar niet een van mijn broeders en zusters in de problemen brengt. Zelfs als ze me dan iets ten laste leggen of me terechtstellen, dan moet dat maar! Toen die bende me zag huilen, brulden de agenten van het lachen en zeiden, helemaal in hun nopjes met zichzelf: “Als je eerder wat had gezegd, hadden we je niet zo’n pak slaag hoeven te geven.” Ze haalden me van de muur naar beneden en lieten me op de grond liggen. Ze gaven me wat water en lieten me een moment uitrusten. Vervolgens pakten ze pen en papier, wat al die tijd klaar had gelegen, en bereidden ze zich voor om mijn verklaring op te nemen. Net toen ik op het punt stond ten prooi te vallen aan Satans verleiding en God te verraden, verschenen Gods woorden me nogmaals duidelijk voor de geest: “Ik zal niet meer genadig zijn voor hen die mij in het geheel niet trouw zijn in tijden van verdrukking, want mijn genade reikt maar zover. Bovendien kan ik geen sympathie opbrengen voor degenen die mij eens hebben verraden, nog minder wil ik geassocieerd worden met mensen die hun vrienden verraden. Dit is mijn gezindheid, wie de persoon ook maar mag zijn. Dit moet ik jullie zeggen: wie mijn hart breekt, zal geen tweede keer clementie van mij ontvangen en degene die mij trouw is geweest, zal voor altijd in mijn hart blijven” (‘Bereid voldoende goede daden voor voor je bestemming’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). In Gods woorden las ik Gods gezindheid die geen belediging duldt en de gevolgen van het verraden van God. Ik werd me ook bewust van mijn eigen opstandigheid. Mijn geloof in God was veel te zwak, ik had geen echt begrip van Hem, laat staan dat ik werkelijk gehoorzaam aan Hem was. Als zodanig zou ik God zeker verraden. Ik dacht eraan hoe Judas Jezus had verraden voor een schamele dertig zilverstukken en hoe ik, op dit ogenblik, klaarstond om God te verraden voor niet meer dan een momentje comfort en gemak. Wanneer Gods woorden me niet op tijd hadden verlicht, zou ik een van degenen zijn geworden die God hadden verraden en voor eeuwig zouden zijn verdoemd! Na Gods wil te hebben begrepen, begon ik in te zien dat God alles op de best mogelijke manier had geregeld. Ik dacht: wanneer God het toelaat dat ik lijd of sterf, ben ik bereid me te onderwerpen en mijn leven en dood in Gods handen te leggen. Ik heb hier niets over te zeggen. Zelfs als ik nog maar één ademtocht overheb, moet ik ernaar streven God tevreden te stellen en voor Hem te getuigen. Op dat moment schoot me een lofzang van de kerk te binnen: “Mijn hoofd mag dan misschien kapotgaan en er mag dan bloed vloeien, maar de moed van Gods volk kan niet verdwijnen. Gods vermaningen rusten op het hart. Ik neem me voor Satan de duivel te vernederen” (‘Ik wil de dag van Gods heerlijkheid zien’ in ‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’). Terwijl ik deze lofzang in gedachten neuriede, werd mijn geloof nieuw leven ingeblazen en besloot ik dat als ik moest sterven, het voor God zou zijn. Wat er ook gebeurde, ik kon me niet gewonnen geven aan die oude duivel, de CCP-regering. Toen ze zagen dat ik op de grond bleef liggen zonder me te bewegen, begonnen de agenten me uit te lokken: “Is al dit lijden het waard? We bieden je hier een mogelijkheid een goede daad te verrichten. Vertel ons alles wat je weet. Zelfs als je niets vertelt, hebben we toch alle getuigenverklaringen en bewijzen die we nodig hebben om je te veroordelen.” Toen ik zag hoe deze mensenverslindende demonen probeerden me God te laten verraden en mijn broeders en zusters te verlinken om zo Gods werk te vernietigen, kon ik niet langer de kokende woede binnenin me beheersen en schreeuwde ik terug: “Als jullie alles al weten, dan neem ik aan dat er geen reden is me te ondervragen. Zelfs als ik alles zou weten, zou ik het jullie nog nooit vertellen!” De agenten schreeuwden woedend terug: “Als je niet bekent, zullen we je doodmartelen! Denk maar niet dat je hier levend uit komt! Het lukt ons al die terdoodveroordeelden te laten praten, denk je dat je taaier dan hen bent?” Ik antwoordde: “Nu ik in jullie handen gevallen ben, houd ik er geen rekening mee dit te overleven!” Zonder nog een woord te zeggen, rende een agent op me af en schopte me recht in mijn maag. Het deed zo’n pijn dat ik het gevoel had alsof mijn ingewanden in tweeën waren gescheurd. Op dat moment drongen alle overige agenten naar voren en sloegen me tot ik opnieuw het bewustzijn verloor. Toen ik weer bijkwam, merkte ik dat ze me op dezelfde manier als voorheen hadden opgehangen, alleen deze keer nog hoger. Mijn hele lichaam was opgezwollen en ik kon niet spreken, maar dankzij Gods bescherming voelde ik niet ook maar het minste beetje pijn. Die nacht waren de meeste agenten vertrokken en waren de vier die waren aangewezen om de wacht over me te houden in een diepe slaap gevallen. Plotseling gingen mijn handboeien op wonderbaarlijke wijze open en viel ik zachtjes op de vloer. Op dat moment kon ik ineens weer helder denken en schoot me te binnen hoe Petrus tijdens zijn gevangenschap door de engel van de Heer was gered. De boeien vielen van Petrus’ handen en de ijzeren poort van zijn cel opende zich vanzelf. Het was dankzij Gods grote verheerlijking en genade dat ik Gods wonderbaarlijke daden kon ervaren zoals Petrus dat had gedaan. Ik knielde onmiddellijk op de grond en sprak een dankgebed uit tot God: “Lieve God! Dank u voor uw genade en tedere zorg. Dank u voor de voortdurende wake die u over me houdt. Toen mijn leven op het spel stond en de dood nabij was, beschermde u me in het geheim. Het was uw grote kracht die me beschermde en me opnieuw getuige liet zijn van uw wonderbaarlijke daden en almachtige soevereiniteit. Wanneer ik dit niet zelf zou hebben meegemaakt, zou ik nooit hebben geloofd dat het waar was!” Door mijn lijden was ik opnieuw getuige geweest van Gods redding. Ik was diep ontroerd en vol van een oneindige warmte. Ik wilde weg van die plek, maar ik was zo erg gewond dat ik me niet kon bewegen. Ik viel dus gewoon op dezelfde plek op de vloer in slaap en sliep tot ik bij het aanbreken van de dag wakker werd geschopt. Toen de agenten me op de vloer zagen liggen, begonnen ze onder elkaar ruzie te maken en probeerden erachter te komen wie me naar beneden had gehaald. De vier agenten die die nacht de verantwoordelijkheid hadden gehad over mijn bewaking, zeiden allen dat zij de sleutels van mijn handboeien niet hadden. Ze stonden allemaal rond de handboeien en staarden ernaar met een onbegrijpende blik. Een voor een bekeken ze de boeien, maar ze konden er geen spoor van een barst in ontdekken. Ze vroegen me hoe ik de boeien had geopend en ik zei: “Ze gingen vanzelf open!” Ze geloofden me niet, maar in mijn hart wist ik: dit was de grote kracht van God, het was een van Zijn wonderbaarlijke daden.

Later, toen ze zagen dat ik zo zwak was dat ik op elk moment de geest kon geven, durfden de agenten me niet langer op te hangen. Ze schakelden dus over op een andere vorm van marteling. Ze sleepten me een kamer binnen en lieten me op een martelstoel zitten. Mijn hoofd en nek werden omlaag gehouden met een metalen klem en mijn armen en benen werden vastgebonden, zodat ik geen vin kon verroeren. In mijn hart bad ik tot God: “O God! U heeft alles onder controle. Ik heb al verschillende beproevingen op leven en dood doorstaan en ik vertrouw me nu opnieuw aan u toe. Ik ben bereid met u samen te werken om getuigenis af te leggen en Satan te vernederen.” Nadat ik mijn gebed had beëindigd voelde ik me kalm, beheerst en zonder ook maar het kleinste beetje angst. Op dat moment drukte een van de agenten op de stroomschakelaar en alle ondergeschikten keken met ingehouden adem toe hoe ik zou worden geëlektrocuteerd. Toen ik volstrekt niet reageerde, controleerden ze de aansluiting. Toen ik nog steeds niet reageerde, konden ze elkaar alleen maar in ongeloof aankijken, niet in staat hun ogen te geloven. Tenslotte zei een van de ondergeschikten: “Misschien is er een kapotte verbinding in de martelstoel.” Toen hij dat had gezegd, liep hij op me af. Zodra zijn hand me aanraakte, gaf hij een schreeuw – de elektrische schok wierp hem wel een meter terug. Jammerend van de pijn viel hij op de grond. Toen de ongeveer tien andere hulpjes zagen wat er was gebeurd, werden ze allemaal doodsbang en stormden de kamer uit. Een van hen was zo bang dat hij uitgleed en hard op de grond viel. Er ging een lange tijd voorbij totdat twee van de ondergeschikten kwamen om me los te maken. Ze trilden van angst, bang om zelf een schok te krijgen. Het volledige half uur dat ik vastgebonden had gezeten op de martelstoel, had ik geen moment de elektrische stroom gevoeld. Het was alsof ik gewoon op een normale stoel zat. Ik was opnieuw getuige geweest van Gods grote kracht en had een diep besef verworven van Zijn beminnelijkheid en goedheid. Met God aan mijn zijde had ik alles wat ik nodig had – zelfs al zou verloor ik alles wat ik bezat, waaronder mijn eigen leven.

Daarna bracht de politie me terug naar het detentiecentrum. Ik zat van top tot teen onder de sneden, kneuzingen en verwondingen, en mijn armen en benen waren verschrikkelijk opgezwollen – ik was totaal verzwakt en kon zelfs niet rechtop staan, zitten of eten. Ik was de volledige ineenstorting nabij. Toen de andere terdoodveroordeelden in de cel erachter kwamen dat ik niemand had verraden, bekeken ze me in een nieuw licht en zeiden goedkeurend: “Je bent een echte held, wij zijn namaakhelden!” Ze wedijverden zelfs met elkaar over wie me eten en kleding mocht geven … Toen de agenten zagen hoe God in mij had gewerkt, durfden ze me niet meer te martelen en deden me zelfs mijn handboeien en ketenen af. Vanaf dat moment durfde niemand me meer te ondervragen. Desondanks had de politie het nog steeds niet opgegeven. De agenten probeerden nu, om informatie over de kerk van me los te krijgen, de andere gevangenen op te porren: die moesten me overhalen om me gewonnen te geven. Ook probeerden ze de andere gevangenen tegen me op te hitsen en zeiden: “Degenen die in Almachtige God geloven, moeten geslagen worden!” Tot hun verbazing zei een van de gevangen, een moordenaar: “Ik zal nooit doen wat jullie zeggen. Ik zal hem niet slaan, en dat niet alleen, niemand in deze cel zal hem slaan! We zijn hier allemaal omdat iemand anders ons verraden heeft. Wanneer iedereen zo trouw was als deze kerel, zou niemand van ons ter dood veroordeeld zijn.” Een andere terdoodveroordeelde zei: “Wij zijn allemaal gearresteerd omdat we heel erg slechte dingen hebben gedaan en daarom verdienen we het om te lijden. Maar deze man is iemand die in God gelooft en geen misdaad heeft gepleegd. Toch hebben jullie hem met jullie marteling bijna onherkenbaar gemaakt!” Een voor een spraken de gevangenen zich allemaal uit tegen het onrecht dat ik had geleden. De agenten, die zagen wat er gebeurde, wilden niet dat de zaak uit de hand liep. Ze zeiden dus verder niets meer en slopen alleen maar terneergeslagen weg. Op dat moment dacht ik aan een passage uit de Bijbel die luidt: “Het hart van de koning is in de hand van Jehova als het water van een rivier: Hij laat het stromen waarheen Hij dat wil” (Spreuken 21:1). Doordat ik had meegemaakt hoe God de gevangenen ertoe had gebracht me te hulp te schieten, raakte ik er diep van overtuigd dat dit allemaal Gods daden waren en werd mijn geloof in Hem nog sterker!

Toen de ene strategie niet werkte, broedde de politie een andere list uit. Deze keer droegen ze de opzichter van het detentiecentrum op me het zwaarste werk toe te wijzen: ik moest twee rollen papiergeld per dag maken. (Het papiergeld was bedoeld voor een Chinese traditie waarbij mensen het geld verbranden om mee te geven aan hun overleden voorouders. Eén rol papiergeld bestaat uit 1.600 vel aluminiumfolie en 1.600 vel brandbaar papier dat aan elkaar is geplakt.) Mijn werklast was twee keer die van andere gevangenen en mijn armen en benen deden tijdens deze periode zo’n ondraaglijke pijn dat ik nauwelijks iets kon optillen of vasthouden. Zelfs als ik de hele nacht door zou werken, zou ik nog op geen enkele manier mijn taak kunnen voltooien. De politie gebruikte het feit dat ik niet in staat was mijn werk af te krijgen als excuus om me op allerlei manieren lijfstraffen te geven. Ze dwongen me koude douches te nemen wanneer het twintig graden onder nul was; ze lieten me tot laat in de nacht werken of de wacht houden. Als gevolg hiervan kreeg ik nooit meer dan drie uur slaap per nacht. Wanneer ik steeds opnieuw niet in staat was mijn werk af te maken, verzamelden ze alle gevangenen van mijn cel, namen ons mee naar buiten, omsingelden ons met hun geweren in de hand en dwongen ons op de grond te hurken met onze handen achter ons hoofd. Wanneer het iemand niet lukte in deze positie te blijven hurken, gaven ze hem een schok met een stroomstok. Deze boosaardige agenten gebruikten elke methode die ze tot hun beschikking hadden om ervoor te zorgen dat de andere gevangenen me zouden haten en mishandelen. In deze situatie kon ik alleen maar in gebed voor God komen: “Lieve God, ik weet dat deze agenten de andere gevangenen provoceren met als doel dat ze me haten en martelen, zodat ik u zal verraden. Dit is een spirituele oorlog! O God! Hoe de andere gevangenen me ook behandelen, ik ben bereid me te onderwerpen aan uw orkestraties en regelingen en ik bid dat u me de vastberadenheid schenkt dit lijden te verdragen. Ik wens voor u te getuigen!” Daarna was ik opnieuw getuige van Gods daden. Niet alleen haatten deze terdoodveroordeelden me niet, ze organiseerden zelfs een staking voor me en eisten dat de agenten mijn werklast zouden halveren. Uiteindelijk moest de politie wel toegeven aan de eisen van de gevangenen.

Hoewel ze gedwongen waren mijn werklast te halveren, betekende dat nog niet dat de agenten geen andere trucjes achter de hand hadden. Een aantal dagen later arriveerde er een nieuwe ‘gevangene’ in de cel. Hij was heel aardig voor me, kocht alles wat ik nodig had, wist eten voor me te regelen, vroeg hoe het met me ging en vroeg ook waarom ik was gearresteerd. In het begin zocht ik er niets achter en vertelde hem dat ik in God geloofde en dat ik was gearresteerd voor het drukken van religieus materiaal. Hij bleef maar vragen naar de manier waarop het drukken van de boeken was georganiseerd. Toen hij maar bleef doorvragen, begon ik me slecht op mijn gemak te voelen. Ik bad tot God: “Lieve God, alle mensen, dingen en situaties om ons heen zijn er met uw toestemming. Als deze man een informant is die door de politie is gestuurd, bid ik dat u me zijn ware identiteit openbaart.” Nadat ik mijn gebed had beëindigd, bleef ik stil voor God. Ik moest denken aan een passage uit Zijn woorden: “Blijf stil in mijn aanwezigheid en leef volgens mijn woord en jullie zullen waarlijk oplettend blijven en de onderscheiding der geesten kunnen blijven uitoefenen. Als Satan komt, zullen jullie onmiddellijk in staat zijn om je tegen hem te weer te stellen en zullen zijn komst op te merken; jullie zullen een onbehagen in jullie geest voelen” (‘Hoofdstuk 19’ van Uitspraken van Christus aan het begin in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Ik overdacht steeds opnieuw de vragen die deze vermeende ‘nieuwe gevangene’ had gesteld en realiseerde me dat ze allemaal precies gingen over wat de politie van me wilde weten. Op dat ogenblik was het alsof ik uit een droom ontwaakte: dit alles was een nieuwe list van de politie en deze man was een informant. De ‘gevangene’ merkte dat ik er plotseling het zwijgen toe deed en vroeg me of ik me in orde voelde. Ik zei dat ik me prima voelde en vertelde hem toen streng en rechtvaardig: “Laat me je de moeite besparen en je laten weten dat je je tijd verspilt. Zelfs als ik alles zou weten, zou ik het je nog niet vertellen!” De andere gevangenen prezen allemaal mijn gedrag en zeiden: “We kunnen allemaal nog wat leren van jullie gelovigen. Jullie hebben echt ruggengraat.” De informant kon niets bedenken om terug te zeggen en maakte zich twee dagen later stilletjes uit de voeten.

Eén jaar en acht maanden overleefde ik in dat detentiecentrum. De schurken van de politie bedachten alle mogelijke manieren om mijn leven zo moeilijk mogelijk te maken, maar God bewoog de terdoodveroordeelden ertoe voor me te zorgen. De hoofdgevangene werd later overgebracht en de gevangenen kozen mij tot nieuwe hoofdgevangene. Elke keer dat een van de gevangenen in de problemen kwam, deed ik mijn best hem te helpen. Ik vertelde hen: “Ik ben een van Gods getrouwen. God eist van ons dat we humaan leven. Hoewel we gevangen zijn, moeten we zo lang als we in leven zijn een leven leiden met een zweem van menselijkheid.” Nadat ik deze verklaring had afgelegd, hielden deze terdoodveroordeelden ermee op nieuwe gevangenen te pesten. De naam ‘cel nummer 7’ had ooit angst gezaaid in de harten van de gevangenen, maar tijdens mijn periode als hoofdgevangene was het een beschaafde cel geworden. De gevangenen zeiden allemaal: “Deze mensen van De Kerk van Almachtige God zijn zo gek nog niet. Als we hier ooit uitkomen, stellen we zeker ons vertrouwen in Almachtige God!” Mijn ervaring in het detentiecentrum deed me denken aan het verhaal van Jozef. Tijdens zijn gevangenschap in Egypte was God met hem en schonk hem genade, en alles verliep heel soepel voor Jozef. In deze periode had ik alleen maar gehandeld in overeenstemming met Gods eisen en me onderworpen aan Zijn orkestraties en regelingen. Daarom was God met me en stelde Hij me in staat elke keer weer het onheil af te wenden. Ik dankte God vanuit de grond van mijn hart voor de genade die Hij me geschonken had!

Later, zonder ook maar een snippertje bewijs, verzon de CCP-regering valse aanklachten en veroordeelde me tot een gevangenisstraf van drie jaar zonder mogelijkheid van beroep. Pas in 2009 lieten ze me uiteindelijk vrij. Nadat ik uit de gevangenis was ontslagen, hield de plaatselijke politie me nauwlettend in de gaten en eiste dat ik haar te allen tijde ter beschikking stond. Al mijn bewegingen waren onderworpen aan de controle van de CCP-regering en ik had geen enkele persoonlijke vrijheid. Ik was gedwongen uit mijn geboorteplaats te vluchten en mijn plichten elders te vervullen. Bovendien weigerde de CCP-regering de registratiegegevens van mijn gezin te verwerken omdat ik een van Gods getrouwen was (tot op de dag van vandaag zijn de registratiegegevens van mijn beide zoons nog steeds niet verwerkt). Dit maakte me nog duidelijker dat het leven onder het bewind van de CCP-regering een hel op aarde is. Ik zal nooit, maar dan ook nooit, de wrede marteling vergeten die de CCP-regering me heeft aangedaan. Ik veracht haar met mijn hele wezen en sterf liever dan haar slaaf te moeten zijn. Ik verwerp haar volledig!

Deze ervaring heeft me een veel beter begrip van God gegeven. Ik ben getuige geweest van Zijn almacht en wijsheid, en van het wezen van Zijn goedheid. Ik heb gezien dat, hoe erg de demonische CCP-regering Gods uitverkorenen ook vervolgt, ze toch niets meer blijft dan een gebruiksvoorwerp en een contrast tot Gods werk. De CCP-regering is en zal altijd Gods overwonnen vijand zijn. Zo vele keren redde Gods wonderbaarlijke bescherming me in tijden van wanhoop. Zijn bescherming stelde me in staat me te bevrijden uit Satans klauwen en op het randje van de dood mijn leven terug te krijgen. Zo vele keren hebben Gods woorden me getroost en me nieuw leven ingeblazen, en waren ze mijn steun en toeverlaat wanneer ik op mijn zwakst was en de minste hoop had. Daardoor kon ik boven mijn vlees uitstijgen en mezelf aan de klauwen van de dood ontworstelen. En zo vele keren, wanneer ik op het punt stond mijn laatste adem uit te blazen, ondersteunde Gods vitaliteit me en gaf me de kracht om door te leven. Het is precies zoals Gods woorden zeggen: “Gods levenskracht kan zegevieren over welke macht dan ook; bovendien overtreft het elke kracht. Zijn leven is eeuwig, Zijn kracht buitengewoon en Zijn levenskracht wordt niet gemakkelijk overweldigd door enig geschapen wezen of vijandige macht. De levenskracht van God bestaat, met een schitterende uitstraling, ongeacht tijd of plaats. Hemel en aarde ondergaan enorme veranderingen, maar Gods leven is voor altijd hetzelfde. Alle dingen gaan voorbij, maar Gods leven is nog steeds aanwezig, want God is de bron en de wortel van het bestaan van alle dingen” (‘Alleen Christus van de laatste dagen kan de weg van het eeuwige leven aan de mens geven’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Alle glorie zij de almachtige, ware God!

Sommige bijbelteksten zijn ontleend aan de Nieuwe Bijbelvertaling © 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap.

Vorige: 30. Door moeilijkheden heen is Gods liefde met mij

Volgende: 32. Gods liefde kent geen grenzen

De wereld wordt in de laatste dagen bestookt met rampen. Welke waarschuwing geeft dat ons? En hoe kunnen wij beschermd worden door God te midden van rampen? Kijk samen met ons naar onze actuele preek die je de antwoorden zal geven.
Contact
Neem contact op via Messenger

Gerelateerde inhoud

Opstijgen door duistere onderdrukking heen

Het woord van God was solide, daar kon ik op vertrouwen. Het zorgde ervoor dat ik tijdens de extreme pijn en zwakte van de verlichting en de leiding van Gods woord heb mogen genieten, wat de enige manier was om door deze duistere en langdurige periode heen te komen.

Door beproeving werd mijn liefde voor God aangewakkerd

Omdat ik van nature een eerlijk persoon ben, werd ik altijd door anderen gekoeioneerd. Dientengevolge heb ik de kilheid van de wereld van de mens geproefd en voelde mijn leven leeg en betekenisloos. Nadat ik begon te geloven in Almachtige God, genoot ik, als gevolg van het leven van kerkelijk leven en het lezen van Gods woorden, een vastberadenheid en vreugde in mijn hart die ik voordien nooit had gevoeld.

Instellingen

  • Tekst
  • Thema's

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Regelruimte

Paginabreedte

Inhoud

Zoeken

  • Zoeken in deze tekst
  • Zoeken in dit boek